Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1066

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
AWB-15_1701
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning | m.e.r.-beoordelingsbesluit verouderd | geen goede ruimtelijke onderbouwing | vernietiging

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2016/58 met annotatie van S.M. van Velsen
OGR-Updates.nl 2016-0045
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/1701 WABOM

uitspraak van 17 februari 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.E. Dijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle Nassau, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam belanghebbende] ., te [vestigingsplaats] ,

gemachtigde: [naam vertegenwoordiger1] .

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 december 2014 (bestreden besluit) van het college inzake de aan [naam belanghebbende] . verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu, bouwen en handelen in strijd met een bestemmingsplan, ten behoeve van een varkenshouderij op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 25 november 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [naam vertegenwoordiger2] en [naam vertegenwoordiger3] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger6] en [naam vertegenwoordiger4] . Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam vertegenwoordiger5] .

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 15 april 2009 is een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend aan [naam belanghebbende] (hierna: vergunninghoudster) ten behoeve van een varkenshouderij aan de [adres] te [vestigingsplaats] .

Op 8 februari 2010 heeft vergunninghoudster een aanmeldnotitie milieueffectrapportage ingediend. Bij besluit van 10 maart 2010 heeft het college besloten dat voor de voorgenomen uitbreiding van de inrichting gelegen aan [adres] te [vestigingsplaats] geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld.

Op 1 oktober 2012 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het veranderen van de inrichting, het bouwen van een bouwwerk en handelen in strijd met een bestemmingsplan.

Op 27 november 2012, 17 december 2012 en 28 mei 2013 heeft vergunninghoudster haar aanvraag aangevuld. Op 29 juli 2013 heeft het college een ontwerpbesluit genomen. Eiseres en gedeputeerde staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant hebben hun zienswijzen kenbaar gemaakt. Op 12 september 2014 heeft vergunninghoudster haar aanvraag wederom aangevuld.

Bij het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning verleend.

2. Eiseres heeft – samengevat – in beroep aangevoerd dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Het college verwijst naar haar besluit van 10 maart 2010 waarin het in het kader van de m.e.r.-beoordelingsplicht heeft geoordeeld dat vergunninghoudster geen milieueffectrapportage behoefde op te stellen. De activiteit op basis waarvan destijds een m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen is niet dezelfde als thans vergund, het beoordelingsbesluit is niet meer actueel en houdt geen rekening met de steeds elkaar opvolgende uitbereidingen sinds 2007, aldus eiser.

Ten tweede voert eiseres aan dat het bestreden besluit getoetst had moeten worden aan de Verordening Ruimte 2014 en dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de op 29 mei 2012 door GS verleende ontheffing van de Verordening Ruimte 2011.

Daarnaast stelt eiseres dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Tot slot wijst eiseres op een ontoelaatbare toename van stikstofdepositie op Belgische Natura-2000 gebieden.

3. In artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is –voor zover van belang- weergegeven dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan of de beheersverordening en het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a en 3, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 7.17, eerste lid, Wet milieubeheer (Wm) neemt het bevoegd gezag, behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.16, derde lid, uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge het derde lid van dit artikel houdt het bevoegd gezag bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven criteria.

Uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage volgt dat een milieueffectrapportage opgesteld dient te worden bij de wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 3.000 stuks mestvarkens of 900 stuks zeugen (categorie C14 onder 3 en 4)Bij de wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 2.000 stuks mestvarkens, 750 stuks zeugen of 3.750 stuks gespeende biggen (categorie D14 onder 2, 3 en 4) geldt een formele m.e.r.-beoordelingsplicht.

4. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond die ziet op de stikstofdepositie op Belgische natuurgebieden ingetrokken.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat door vergunninghoudster geen milieueffectrapportage behoefde te worden opgesteld.

5.1

Zij wijst in dat verband in de eerste plaats op de “salamitactiek” die door vergunninghoudster zou zijn toegepast. Vastgesteld moet worden dat door vergunninghoudster inderdaad herhaaldelijk aanvragen voor uitbreiding van de veestapel zijn ingediend waarbij het aantal dieren iedere keer net onder de m.e.r.-plicht werden gehouden. De rechtbank overweegt dat het volgens vaste jurisprudentie aan de aanvrager is om te bepalen waarvoor hij vergunning wil aanvragen. Vergunninghoudster heeft ter zitting verklaard dat zij steeds de op dat moment maximaal mogelijke uitbreidingen van haar inrichting heeft aangevraagd. Die keuze komt aan vergunninghoudster toe en deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

5.2

Verder heeft eiseres er op gewezen dat een m.e.r.-beoordelingsbesluit van vijf jaar oud niet meer als actueel kan worden beschouwd. Het college heeft ontwikkelingen van de afgelopen jaren in de omgeving van de inrichting niet bij zijn afweging kunnen betrekken. Bovendien stelt eiseres dat de aanmeldnotitie en daarmee ook het beoordelingsbesluit ziet op een ander plan en andere dieraantallen.

De rechtbank is van oordeel dat tijdens een langdurige procedure het niet ondenkbaar is dat de plannen op onderdelen wijzigen. Gelet hierop is vooral van belang of het m.e.r.-beoordelingsbesluit gebaseerd is op een initiatiefplan dat op wezenlijke onderdelen overeenkomt met de uiteindelijke aanvraag, waarbij zich voorts geen ingrijpende ontwikkelingen in de directe omgeving van het project hebben voorgedaan. In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat het initiatiefplan dat de basis voor de m.e.r.-beoordeling is geweest te zeer afwijkt van de aanvraag en dat voorts het college onvoldoende heeft onderzocht of de ontwikkelingen in de directe omgeving van de inrichting een nieuwe beoordeling nodig maken. Gelet hierop slaagt deze beroepsgrond.

6. In de tweede plaats heeft eiseres aangevoerd dat het college geen omgevingsvergunning voor de activiteit “strijd met het bestemmingsplan” heeft mogen verlenen, nu daarvoor een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt.

De rechtbank stelt vast dat het college ter zitting heeft bevestigd dat het bestemmingsplan “Buitengebied” en het bestemmingsplan “Buitengebied – partiële herziening 1994” van kracht zijn. Hiermee staat vast dat met het bestreden besluit, anders dan in de ruimtelijke onderbouwing, in ieder geval van het juiste bestemmingsplan wordt afgeweken.

De rechtbank is echter van oordeel dat bij het bestreden besluit ten onrechte niet is onderzocht van welke voorschriften van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Nu dit niet is onderzocht, heeft het college ook de mate van afwijking van deze planvoorschriften niet kunnen vaststellen en daardoor evenmin kunnen vaststellen welke belangen door de afwijking worden getroffen. Van een dergelijk onderzoek blijkt ook niet uit de ruimtelijke onderbouwing. Ook deze beroepsgrond slaagt.

7. Gelet op het bovenstaande komt het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking en behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

8. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien omdat aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Ook lenen de geconstateerde gebreken zich niet voor toepassing van een bestuurlijke lus. Het college zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes maanden.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

10. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. S. Ketelaars-Mast en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.