Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1063

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
AWB-15_3198
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is aangesteld door de minister van OCW in verband met een detachering op een Europese School. De rechtbank wijdt enkele overwegingen aan de vraag of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, waarna de rechtbank zich bevoegd heeft geacht. De minister was – vanwege het vervallen van de detacheringsmogelijkheid bij de Europese School – bevoegd tot het verlenen van ontslag op grond van redenen van gewichtige aard. Naar het oordeel van de rechtbank kan de minister niet het verwijt worden gemaakt dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om eiser te herplaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3198 AW

uitspraak van 18 februari 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A.H. Vermeulen,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 april 2015 (bestreden besluit) van de minister inzake het verlenen van eervol ontslag wegens gewichtige redenen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. Mulder en [naam vertegenwoordiger1].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser had sinds 1 september 2007 een aanstelling bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Eiser was in de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2012 gedetacheerd bij de Europese School te [vestigingsplaats1].

Bij (overplaatsings)besluit van 7 maart 2012 heeft de minister eiser aangesteld teneinde hem te detacheren als leerkracht primair onderwijs aan de Nederlandse afdeling voor primair onderwijs van de Europese School te [vestigingsplaats2]. Dit betreft een vast dienstverband. In de begeleidende brief van 7 maart 2012, waarmee de beschikking tot overplaatsing aan eiser is toegezonden, is vermeld dat de detachering de grondslag is van eisers aanstelling.

In 2013 is er een conflict ontstaan tussen eiser en zijn echtgenote enerzijds en de schoolleiding in [vestigingsplaats2] anderzijds, naar aanleiding van de weigering van de schoolleiding om eisers zoon in een hogere klas te plaatsen. Eiser is na dit conflict ziek geweest in de periode van 15 oktober 2013 tot 1 april 2014. Eiser heeft zich op 15 mei 2014 weer ziek gemeld.

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de Secretaris-Generaal van de Europese Scholen eisers detachering beëindigd per 25 oktober 2014, wegens eisers langdurige ziekteverzuim. Eiser heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen dit besluit.

Bij brief van 3 november 2014 heeft de minister aan eiser laten weten dat hij van plan is om eiser per 1 maart 2015 eervol ontslag te verlenen wegens gewichtige redenen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Uit het advies van de bedrijfsarts van 8 december 2014 blijkt dat eiser per die datum 50% arbeidsgeschikt is verklaard en dat hij per 15 december 2014 weer volledig arbeidsgeschikt is.

Bij besluit van 18 december 2014 (primair besluit) heeft de minister eiser per 1 maart 2015 eervol ontslag verleend wegens gewichtige redenen. Deze gewichtige redenen zijn het vervallen van de detacheringsmogelijkheid aan de Europese School en het niet beschikbaar zijn van andere passende werkzaamheden.

Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank stelt vast dat eiser in twee procedures bij de kantonrechter heeft betoogd dat hij een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft. Ter zitting heeft eiser het standpunt ingenomen dat de rechtbank er in deze procedure van uit moet gaan dat eiser ambtenaar is. De rechtbank dient echter ambtshalve te beoordelen of zij bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen.

3. Artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet bepaalt dat ambtenaar in de zin van deze wet degene is, die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

4. Op grond van artikel 6 van het Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen (Verdrag) wordt de Europese School in elk van de Lid-Staten behandeld als een onderwijsinstelling die onder het publiek recht valt.

5. Eiser is door de minister aangesteld om als leerkracht primair onderwijs te worden gedetacheerd aan een Europese School. Het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is niet op eiser van toepassing. De rechten en plichten van werknemers binnen het onderwijs zijn vastgelegd in verschillende collectieve arbeidsovereenkomsten. Nu eiser niet werkzaam is bij een ‘reguliere’ school voor primair onderwijs, is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Primair Onderwijs (CAO PO) niet rechtstreeks op eiser van toepassing. Bij eisers aanstelling is de CAO PO wel op hem van toepassing verklaard. De toepasselijkheid van de CAO PO is op die aanstelling tussen partijen niet in geschil.

De omstandigheid dat het ARAR noch de CAO PO rechtstreeks op eiser van toepassing zijn, hoeft er niet aan in de weg te staan dat eiser ambtenaar is. De rechtbank begrijpt dat de minister met de aanstelling ten behoeve van de detachering van eiser bij de Europese School in [vestigingsplaats2] beoogd heeft om eiser in publiekrechtelijke dienst aan te stellen. De minister heeft bij verweer aangevoerd dat daarmee uitvoering is gegeven aan een afspraak, die de aan het systeem van de Europese Scholen deelnemende lidstaten hebben gemaakt, om het personeel van de Europese Scholen dezelfde rechtspositie te geven als onderwijzend personeel in publieke dienst in het land van herkomst.

In verband met het waarborgen van eisers rechtsbescherming, acht de rechtbank zich bevoegd om kennis te nemen van het onderhavige geschil. Een ander oordeel zou eisers rechtsbescherming onzeker maken nu de kantonrechter in twee andere (arbeidsgerelateerde) zaken van eiser heeft geoordeeld dat hij niet bevoegd is. Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zich in andere (soortgelijke) zaken met betrekking tot (voormalige) medewerkers van de Europese Scholen niet onbevoegd geacht.

6. De rechtbank zal het geschil dan ook inhoudelijk beoordelen.

7. De minister stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Tijdens de detachering werd eisers rechtspositie geregeld volgens het Statuut Gedetacheerd Personeel der Europese Scholen (Statuut). Op grond van de bepalingen in dit Statuut heeft de Secretaris-Generaal van de Europese Scholen eisers detachering per 25 oktober 2014 beëindigd. Eiser heeft tegen deze beëindiging geen rechtsmiddelen aangewend. Het einde van de detachering is voor de minister een vaststaand gegeven. Leerkrachten van wie de detachering eindigt, vallen opnieuw onder de verantwoordelijkheid van de minister. Sinds de overdracht van de Rijksscholen in 1996 heeft de minister echter in het onderwijs geen werkzaamheden beschikbaar voor die leerkrachten. De minister rest in die situatie niets anders dan eiser te ontslaan met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Voorts rust op de minister als werkgever de verplichting om eiser behulpzaam te zijn bij het vinden van passend werk op de Nederlandse arbeidsmarkt. In dat kader is eiser met het bepalen van de ontslagdatum ook enige tijd gegund.

8. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Ontslag is niet toegestaan omdat de minister eiser tijdens ziekte heeft ontslagen. De minister heeft zich onvoldoende ingespannen om eiser te herplaatsen. Van bemiddeling, hulp en bijstand door de Stichting Nederlands Onderwijs in het buitenland (Stichting) of de minister is tot op heden geen sprake geweest. Daarnaast waren er wel degelijk passende werkzaamheden voor eiser beschikbaar.

9. De CAO PO 2014-2015 is op 1 juli 2014 van kracht geworden.

Op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO kan de werknemer ontslag worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan de werknemer schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

10. De minister heeft eiser eervol ontslag verleend wegens gewichtige redenen, namelijk het vervallen van de detacheringsmogelijkheid aan de Europese School en het niet beschikbaar zijn van andere passende werkzaamheden.

11. Eiser heeft aangevoerd dat hij tijdens ziekte is ontslagen. Uit het advies van de bedrijfsarts van 8 december 2014 blijkt dat eiser per 15 december 2014 volledig arbeidsgeschikt is. Bij primair besluit van 18 december 2014 is eiser ontslag verleend per 1 maart 2015. Hieruit volgt dat eiser niet tijdens ziekte is ontslagen, zodat het beroep van eiser op dit punt reeds om die reden niet kan slagen.

12. Niet in geschil is dat eisers detachering bij de Europese School in [vestigingsplaats2] is beëindigd. De minister kon niet anders dan dit als een vaststaand gegeven beschouwen. De detachering vormde de grondslag voor eisers aanstelling. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister in dit geval – vanwege het vervallen van de detacheringsmogelijkheid bij de Europese School in [vestigingsplaats2] – bevoegd tot het verlenen van ontslag op grond van redenen van gewichtige aard. Dit volgt ook uit diverse uitspraken van de CRvB (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2004:AO9266).

De minister had wel de plicht om zich in te spannen voor de herplaatsing van eiser. Partijen verschillen van mening of de minister in voldoende mate heeft voldaan aan deze inspanningsverplichting.

13. De rechtbank stelt vast dat de periode vanaf september 2014 in eerste instantie in het teken stond van re-integratie in verband met eisers arbeidsongeschiktheid. Zo is eiser eind september 2014 de mogelijkheid geboden om op arbeidstherapeutische basis te werken op een school in [vestigingsplaats3]. Eiser en de Stichting hebben hierover in de maanden oktober en november 2014 gecommuniceerd, omdat eiser er de voorkeur aan gaf om te re-integreren op een Europese School, dan wel – als hij niet geplaatst zou kunnen worden op een Europese School – op een school in [vestigingsplaats4]. Uit het dossier blijkt dat eiser op enig moment tussen 27 november 2014 en 8 december 2014 is begonnen met zijn re-integratie.

Ter zitting heeft de minister verklaard dat de Stichting in december 2014 heeft geprobeerd om een afspraak met eiser te maken in verband met de terugkeerbegeleiding naar Nederland. Volgens de minister heeft eiser hier niet meteen op gereageerd. Eind januari 2015 heeft er vervolgens een telefonisch gesprek plaatsgevonden. Van dat gesprek is een verslag gemaakt, gedateerd 16 februari 2015. In dit verslag staat onder meer dat de Stichting eiser zal attenderen op passende functies en bereid is om aan hem geld beschikbaar te stellen als hij ondersteuning nodig heeft in de vorm van een opleiding of training. Eiser heeft dit verslag pas op 24 maart 2015 ondertekend. Eiser heeft – desgevraagd ter zitting – deze gang van zaken niet weersproken.

De minister heeft verder aangegeven dat de zoektocht naar passende functies werd bemoeilijkt, omdat eiser (naast vacatures bij Europese Scholen) alleen geïnteresseerd was in vacatures in de omgeving van [vestigingsplaats4]. Eiser heeft dit ter zitting met zoveel woorden erkend.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de minister in dit geval niet het verwijt worden gemaakt dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om eiser te herplaatsen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser niet voortvarend heeft gereageerd op de aangeboden terugkeerbegeleiding. Immers, de Stichting heeft in december 2014 een gesprek hierover geïnitieerd, terwijl eiser daarop pas eind januari 2015 heeft gereageerd en hij de toen gemaakte afspraken pas eind maart 2015 heeft ondertekend en teruggestuurd. Daarnaast heeft eiser zelf een geografische beperking aangebracht ten aanzien van passende vacatures, namelijk dat hij alleen geïnteresseerd was in vacatures in de omgeving van [vestigingsplaats4]. De rechtbank is van oordeel dat dit de mogelijkheden om eiser te herplaatsen heeft bemoeilijkt.

Voor zover eiser heeft gewezen op (mogelijke) vacatures bij een Europese School overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft zich (gemotiveerd) op het standpunt gesteld dat deze weg was afgesloten na het besluit van de Secretaris-Generaal van de Europese Scholen tot beëindiging van eisers detachering. Eiser heeft dit standpunt niet weersproken.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de minister zijn inspanningsverplichting inzake herplaatsing van eiser niet naar behoren heeft vervuld.

14. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gronden van eiser niet slagen en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. W. Toekoen en mr. F.P.J. Schoonen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.