Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:982

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
17-03-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4994
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:5941, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijnvarendenzaak. Geen premieplicht voor belanghebbende (rijnvarende). De binnenvaartonderneming van belanghebbende heeft, hoewel belanghebbende in Nederland woont, in Duitsland haar zetel als bedoeld in art. 11 Rijnvarendenverdrag. Bij gebrek aan een haven die duidelijk de thuishaven van het schip is, gaat het erom met welk land de binnenvaartonderneming de sterkste band heeft gelet op alle omstandigheden van het geval. Nagenoeg alle relevante omstandigheden wijzen op een band met Duitsland. Dat het gerechtshof ‘s Gravenhage in procedures van twee bemanningsleden heeft geoordeeld dat de binnenvaartonderneming haar zetel in Nederland heeft, doet aan de conclusie niet af, aangezien elke procedure op zichzelf staat.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/600
V-N 2015/21.18.15
FutD 2015-0752
NTFR 2015/1290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers AWB 14/4994 en 14/4995

uitspraak van 18 februari 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) (hierna: aanslag 2003) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 195.408, alsmede bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 10.977.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: aanslag 2005) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.398 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 327, alsmede bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 1.666.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 31 juli 2014 de aanslag 2003 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.005, de op deze aanslag betrekking hebbende beschikking heffingsrente verminderd tot € 1.014, de aanslag 2005 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.227 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 327 en de op deze aanslag betrekking hebbende beschikking heffingsrente verminderd tot € 721.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 7 augustus 2014, ontvangen bij de rechtbank op 7 augustus 2014, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], en namens de inspecteur, [verweerder]. De beroepen met procedurenummers AWB 14/4994 en 14/4995 zijn daarbij gelijktijdig behandeld. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.6.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een mondelinge uitspraak aangekondigd. Bij brief van 22 januari 2015 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat in plaats van een mondelinge uitspraak een schriftelijke uitspraak wordt gedaan.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende heeft op 17 juli 2003 het motortankschip [motortankschip] (hierna: het schip) gekocht voor € 1.650.000. Belanghebbende is met dit schip een binnenvaartonderneming (hierna: de binnenvaartonderneming) gaan drijven in de vorm van een eenmanszaak.

2.2.

De aankoop van het schip is gefinancierd door een scheepshypotheeklening van een Duitse bank, twee scheepshypotheekleningen van het Duitse bevrachtingskantoor [bevrachtingskantoor] (hierna: [bevrachtingskantoor]) en uit Europese steunfondsen voor de hereniging van Oost- en West-Duitsland.

2.3.

Het schip is ingeschreven in een Duits scheepsregister met als thuishaven [plaats X] (Duitsland).

2.4.

De Duitse autoriteit heeft op 16 oktober 2003 een Rijnvaartverklaring afgegeven voor het schip waarin na ‘Plaats van teboekstelling of thuishaven’ ‘[plaats Y]’ – dat in Duitsland ligt – is vermeld. Verder vermeldt de Rijnvaartverklaring onder meer het volgende:

(…)

Nam of firmanaam

(…)

Woon- of verblijfplaats, of zetel van de onderneming

Eigena(a)r(en)

[belanghebbende]

[adres]

[plaats A]

2.5.

Belanghebbende heeft zijn binnenvaartonderneming op 23 juli 2003 ingeschreven op een adres te [plaats X].

2.6.

Belanghebbende was in dienst als kapitein bij [bevrachtingskantoor] voordat hij zijn binnenvaartonderneming startte.

2.7.

[bevrachtingskantoor] was de enige opdrachtgever c.q. bevrachter van de binnenvaartonderneming van belanghebbende. [bevrachtingskantoor] plande de vrachten voor belanghebbende in.

2.8.

De administratie van de binnenvaartonderneming werd verzorgd door het Duitse kantoor [kantoor B], waarnaar ook facturen werden gestuurd en dat betalingen verrichtte voor de binnenvaartonderneming.

2.9.

Het schip is in de jaren 2003-2005 in verschillende havens in Nederland, Duitsland, België, Frankrijk en Zwitserland beladen of gelost. De havens waar het schip het meest is beladen of gelost, zijn Antwerpen (100 keer), Karlsruhe (80 keer) en Rotterdam (60 keer).

2.10.

Belanghebbende heeft in de jaren 2003 en 2005 voor zijn binnenvaartonderneming Duitse jaarrekeningen opgesteld.

2.11.

Belanghebbende heeft vanaf 7 mei 1997 tot 1 januari 2008 de woning op het adres [adres] te [plaats A] (hierna: de woning) als (een) verblijfplaats gehad indien hij niet op het schip was. Belanghebbende was eigenaar van de woning. [C] was in die jaren zijn partner en woonde in de woning. In de aangiften IB/PVV 2003 en 2005 is de woning door belanghebbende en zijn partner – die ook fiscaal partner was – als hoofdverblijf aangemerkt.

2.12.

Op 8 oktober 2004 heeft belanghebbende zich ingeschreven in het bevolkingsregister van [plaats Z] (Duitsland).

2.13.

Op 1 november 2004 heeft belanghebbende een kamer gehuurd in een woning te [plaats Z].

2.14.

Belanghebbende heeft zowel voor het jaar 2003 als voor het jaar 2005 in Duitsland een aanslag Einkommensteuer ontvangen. Bij deze aanslagen is (alleen) winst uit zijn binnenvaartonderneming in de heffing betrokken.

2.15.

Bij de bestreden Nederlandse aanslagen over het jaar 2003 en het jaar 2005 is de winst uit de binnenvaartonderneming in de heffing betrokken.

2.16.

De Nederlandse Belastingdienst en de Duitse belastingdienst hebben een onderlinge-overlegprocedure gevoerd inzake de belastingheffing van de inkomsten van bepaalde binnenvaartondernemers, waaronder belanghebbende. Bij brief van 19 september 2012 heeft een ambtenaar van het Ministerie van Financiën aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende gemeld dat de uitkomst van het overleg was dat Nederland bereid was ‘op louter praktische gronden’ ten aanzien van de jaren 2003 en 2005 terug te treden voor de inkomstenbelastingheffing.

2.17.

Bij brief van 10 december 2012 heeft de inspecteur aan de toenmalig gemachtigde onder meer voorgesteld dat, indien overeenstemming wordt bereikt over bepaalde voorwaarden, de Belastingdienst een vrijstelling van premieheffing zal verlenen. Bij brief van 6 mei 2013 is de inspecteur van dat voorstel terugkomen na overleg met de Sociale Verzekeringsbank.

2.18.

Bij de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de winst uit de binnenvaartonderneming voor de belastingheffing behandeld als buitenlands, vrij te stellen, inkomen, en is de inspecteur belanghebbende blijven betrekken in de premieheffing.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag 2003 en de aanslag 2005 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

  1. Zijn de aanslagen tijdig vastgesteld?

  2. Is Nederland bevoegd tot inkomstenbelastingheffing van belanghebbende?

  3. Is Nederland bevoegd tot premieheffing van belanghebbende?

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Zijn de aanslagen tijdig vastgesteld?

4.1.

Belanghebbende heeft als beroepsgrond aangevoerd dat de inspecteur ‘niet met de nodige voortvarendheid de aanslagen opgelegd’ heeft. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond zo dat zij het standpunt inhoudt dat de aanslagen niet tijdig zijn vastgesteld. Deze beroepsgrond faalt. De termijn waarbinnen een aanslag IB/PVV dient te worden vastgesteld althans bekendgemaakt bedraagt, kort gezegd, drie jaar na het einde van het jaar waarop de aanslag betrekking heeft (artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)). Gelet op de dagtekening van de aanslag 2003 (23 november 2006) en die van de aanslag 2005 (30 oktober 2008) en de omstandigheid dat niet gesteld is dat de aanslagen (ver) na dagtekening verzonden zijn, is bij de aanslagoplegging die termijn in acht genomen.

Is Nederland bevoegd tot inkomstenbelastingheffing van belanghebbende?

4.2.

Belanghebbende bestrijdt dat Nederland heffingsbevoegd is en stelt in dat kader dat zijn sociale leven zich in Duitsland afspeelde. Hij voert daartoe aan dat hij een eigen onderneming in Duitsland had, in Duitsland een eigen huis had en in Duitsland was ingeschreven. Dit standpunt wordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Binnenlands belastingplichtig voor de inkomstenbelasting zijn personen die in Nederland wonen (artikel 2.1 van de Wet IB 2001). Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld (artikel 4 van de AWR). Het komt erop aan of deze omstandigheden zodanig zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in Nederland woonde in de jaren 2003 en 2005 gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in de onderhavige jaren eigenaar van een woning in Nederland was en zijn partner in Nederland in die woning woonde, alsmede zijn verklaring ter zitting dat hij – naar de rechtbank begrijpt: indien hij niet op het schip is – samenwoonde in Nederland met zijn partner.

4.4.

Vervolgens is het de vraag of het heffingsrecht van Nederland wordt beperkt door de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere gelegenheden op belastinggebied uit 1959 (hierna: het Belastingverdrag). Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

4.4.1.

Artikel 3, lid 1, van het Belastingverdrag bepaalt dat voor de toepassing van het Belastingverdrag een natuurlijk persoon een woonplaats heeft in die Staat, waar hij een woning heeft onder omstandigheden waaruit valt af te leiden dat hij de woning zal blijven houden en gebruiken. Gelet op de eerdergenoemde omstandigheden (samenwonen met partner in [plaats A] in woning waarvan belanghebbende eigenaar is) had belanghebbende in de jaren 2003 en 2005 in Nederland zijn woonplaats in de zin van artikel 3, lid 1, van het Belastingverdrag. Aan de toepassing van artikel 3, lid 4, van het Belastingverdrag – waarin de woonplaats wordt bepaald door de plaats van de leiding van de scheepsvaartonderneming – wordt derhalve niet toegekomen.

4.4.2.

De door belanghebbende gestelde feiten rechtvaardigen niet de conclusie dat belanghebbende in 2003 (ook) in Duitsland een woonplaats had in de zin van artikel 3, lid 1, van het Belastingverdrag. Het enkele gestelde feit dat zijn onderneming in Duitsland werd gedreven is daarvoor onvoldoende. Het heffingsrecht van Nederland wordt derhalve in 2003 niet beperkt op grond van het Belastingverdrag met Duitsland 1959.

4.4.3.

Zo de inschrijving in Duitsland in 2004 en het huren van een kamer vanaf 2004 al zouden meebrengen dat belanghebbende in 2005 ook een woonplaats in Duitsland had in de zin van artikel 3, lid 1, van het Belastingverdrag, leidt dat voor 2005 niet tot een beperking van het heffingsrecht van Nederland. In het geval belanghebbende zowel in Nederland als in Duitsland een woonplaats had, geldt ingevolge artikel 3, lid 3, van het Belastingverdrag als woonplaats voor (de overige) toepassing van het Belastingverdrag de woonplaats in de staat waarmee de persoonlijke en economische betrekkingen het sterkst zijn (middelpunt van de levensbelangen). De rechtbank is van oordeel dat die staat Nederland is. De meergenoemde omstandigheden dat belanghebbende – indien hij niet op het schip was – samenwoonde met zijn partner in [plaats A] in een woning waarvan belanghebbende bovendien eigenaar is, duiden erop dat het middelpunt van de levensbelangen van belanghebbende in Nederland is gelegen.

Is Nederland bevoegd tot premieheffing van belanghebbende?

4.5.

Op grond van artikel 6, eerste lid, letter a van de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is een ingezetene van Nederland van rechtswege verzekerd voor de volksverzekeringen in Nederland en daarmee ingevolge artikel 6 van de Wet financiering volksverzekeringen premieplichtig voor de premies volksverzekeringen. Als bedoelde ‘ingezetene’ geldt degene die in Nederland woont (vgl. artikel 2 van de AOW). Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld (vgl. artikel 3 van de AOW).

Aangezien voor het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten dient te worden aangesloten bij het fiscale woonplaatsbegrip, is gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen belanghebbende derhalve een ingezetene en in beginsel een verzekerde en daarmee premieplichtig voor de volksverzekeringen.

4.6.

Ingevolge artikel 6a van de AOW wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

4.7.

Artikel 11 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna: het Rijnvarendenverdrag) luidt als volgt:

“1. Op de rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing.

(…)

3. Op de rijnvarende, die zijn schip zelf exploiteert is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan zijn onderneming haar zetel heeft. (…)”

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een rijnvarende is in de zin van het Rijnvarendenverdrag. Gelet op artikel 11, lid 3, van het Rijnvarendenverdrag is de kernvraag op welk grondgebied de binnenvaartonderneming van belanghebbende haar zetel heeft. Op belanghebbende rust de stelplicht en – in geval van gemotiveerde betwisting – de bewijslast van de feiten die de conclusie rechtvaardigen dat de binnenvaartonderneming in het buitenland – hier Duitsland – haar zetel heeft (HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3016).

4.9.

De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de in 2.4 genoemde rijnvaartverklaring vermeldt dat de binnenvaartonderneming in [plaats A] is gevestigd, en dat daarmee – gelet op Besluit nr. 5 van 27 maart 1990 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden – ervan moet worden uitgegaan dat de binnenvaartonderneming haar zetel in Nederland heeft. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Nog daargelaten of gegevens op een rijnvaartverklaring in dit kader doorslaggevend zijn (ontkennend A-G Van Ballegooijen in onderdeel 11.3.2 van zijn conclusie voor HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:BQ2938), zijn de gegevens op de onderhavige rijnvaartverklaring op dit punt niet eenduidig. Die gegevens later immers ook de uitleg toe dat het om de woonplaats van de eigenaar van het schip gaat in plaats van de zetel van de onderneming (zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 15 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1721, r.o. 4.3).

4.10.

Het begrip ‘zetel’ in de zin van artikel 11, lid 3, van het Rijnvarendenverdrag moet naar het oordeel van de rechtbank worden begrepen als (materiële) vestigingsplaats (vgl. onderdeel 11.3.1 van de conclusie van A-G Van Ballegooijen voor HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:BQ2938). Waar een onderneming haar materiële vestigingsplaats heeft, hangt af van de plaats van de feitelijke leiding van de onderneming (vgl. HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:BQ2938, r.o. 3.7). Dit moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

Belanghebbende kan gelet hierop niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de formele thuishaven van het schip of de plaats van inschrijving van zijn onderneming doorslaggevend is.

4.11.

In een geval als het onderhavige waarin de ondernemer (belanghebbende) op het schip vaart, geldt als uitgangspunt dat de plaats van feitelijke leiding van de binnenvaartonderneming het schip betreft. Er is onvoldoende grond om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Belanghebbende heeft weliswaar aangevoerd dat de feitelijke leiding van de binnenvaartonderneming is gelegen bij het kantoor [kantoor B], maar belanghebbende heeft dit – tegenover de betwisting door de inspecteur – onvoldoende nader gemotiveerd.

4.12.

Ingeval de feitelijke leiding van een binnenvaartonderneming op het schip ligt, moet voor de bepaling van de zetel van de binnenvaartonderneming worden beoordeeld met welk land de binnenvaartonderneming c.q. het schip de sterkste band heeft gelet op alle omstandigheden van het geval. Daarbij komt zwaarwegend gewicht toe aan de haven die feitelijk als thuishaven van het schip dient, mits een dergelijke haven is aan te wijzen. Anders dan in het betoog van de inspecteur besloten ligt, is voor de bepaling van de zetel van de onderneming voor de toepassing van het Rijnvarendenverdrag de thuishaven van het schip echter niet als zodanig de maatstaf. Het Rijnvarendenverdrag kent immers geen bepaling zoals artikel 4, lid 2, van de AWR of artikel 3, lid 6, van het Belastingverdrag waarin, kort gezegd, de thuishaven van een schip beslissend wordt geacht.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval – zoals ook de inspecteur ter zitting erkende – niet duidelijk een bepaalde haven als feitelijke thuishaven is aan te merken. Daarbij is in aanmerking genomen het in 2.9 vermelde reizenoverzicht van het schip, alsmede de (niet bestreden) stellingen van belanghebbende dat er niet een vaste haven was waar reparaties plaatsvonden en onderhoud werd gepleegd.

Opmerking verdient dat de inspecteur in zijn verweerschrift nog onder verwijzing naar de in 2.9 vermelde havens waar het meest wordt gelost of beladen, had aangevoerd dat Rotterdam de feitelijke thuishaven is, in aanmerking genomen dat – aldus de inspecteur – Antwerpen in elk geval niet als thuishaven kan worden aangemerkt. De inspecteur kan hierin niet worden gevolgd, omdat – zonder nadere motivering, die ontbreekt – niet valt in te zien waarom in de redenering van de inspecteur Rotterdam en niet Karlsruhe als feitelijke thuishaven moet worden aangemerkt.

4.14.

Ter zitting heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat indien niet duidelijk een feitelijke thuishaven van het schip valt aan te wijzen, de woonplaats van belanghebbende beslissend is voor de bepaling van de zetel van de binnenvaartonderneming. Dit standpunt gaat evenwel uit van een onjuiste rechtsopvatting. De woonplaats van de ondernemer is van betekenis maar niet zonder meer doorslaggevend; andere omstandigheden kunnen grond geven voor de conclusie dat een onderneming een andere vestigingsplaats heeft dan de woonplaats van de ondernemer (vgl. HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:BQ2938).

4.15.

Gelet op het voorgaande ontbreekt een sterk aanknopingspunt voor de bepaling van de zetel van de binnenvaartonderneming zoals een haven die duidelijk als feitelijke thuishaven is aan te merken. Voorts heeft belanghebbende (onbestreden) verklaard dat hij geen investeringen meer heeft gedaan na de aankoop van het schip. Er is derhalve voor de bepaling van de zetel van de binnenvaartonderneming ook geen aanknopingspunt in de vorm van de plaats van investeringsbeslissingen of uitvoering ervan.

Tegen deze achtergrond moet voor de beoordeling met welk land de binnenvaartonderneming c.q. het schip de sterkste band heeft, worden afgegaan op de andere omstandigheden van het geval. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle omstandigheden in samenhang bezien de sterkste band met Duitsland bestaat. Van de vastgestelde omstandigheden die verband houden met het schip of de binnenvaartonderneming, wijzen namelijk nagenoeg alle omstandigheden op een band met Duitsland. Deze omstandigheden wegen zwaarder dan de omstandigheden dat de ondernemer – belanghebbende – zijn woonplaats in Nederland heeft en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. Het gaat om de volgende omstandigheden (vgl. onderdeel 2 feiten):

  • -

    De aankoop van het schip is gefinancierd met Duitse leningen en subsidies die op Duitsland betrekking hebben.

  • -

    Het schip stond in een Duits scheepsregister ingeschreven met een Duitse haven als thuishaven.

  • -

    De binnenvaartonderneming was ingeschreven op een Duits adres.

  • -

    Een Duitse autoriteit heeft een rijnvaartverklaring voor het schip afgegeven (een rijnvaartverklaring behoort door een staat alleen te worden afgegeven voor een schip met een reële band met die staat; zie onderdeel 5.6 van de conclusie van A-G Van Ballegooijen voor HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:BQ2938).

  • -

    In de rijnvaartverklaring staat als ‘Plaats van teboekstelling of thuishaven’ een Duitse haven vermeld.

  • -

    De enige opdrachtgever van belanghebbende was een Duitse bevrachter.

  • -

    Belanghebbende was bij deze Duitse bevrachter in dienst voordat hij zijn binnenvaartonderneming startte.

  • -

    De administratie – waaronder het betalen van facturen – werd gedaan door een Duits kantoor.

  • -

    Besprekingen met de Duitse bevrachter en het Duitse (administratie)kantoor vonden in Duitsland plaats.

  • -

    Belanghebbende stelde voor zijn binnenvaartonderneming Duitse jaarrekeningen op.

  • -

    Belanghebbende is in Duitsland in de inkomstenbelastingheffing betrokken voor zijn inkomsten uit de binnenvaartonderneming.

Aan het oordeel kan niet afdoen dat – zoals de inspecteur heeft aangevoerd – het gerechtshof ‘s Gravenhage in procedures van twee bemanningsleden van het onderhavige schip heeft geoordeeld dat de onderhavige binnenvaartonderneming haar zetel in Nederland heeft. Elke procedure staat immers op zichzelf. Bovendien is in een zaak als de onderhavige van groot belang, naast de ingenomen juridische standpunten, wat partijen over en weer stellen en betwisten wat betreft de omstandigheden.

4.16.

Aangezien de binnenvaartonderneming derhalve haar zetel heeft in Duitsland, is Duitsland exclusief bevoegd tot premieheffing. Dit betekent dat Nederland niet bevoegd is tot premieheffing van belanghebbende. Het gelijk op dit punt is aan belanghebbende.

Conclusie

4.17.

Gelet op hetgeen in 4.16 is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Immateriëleschadevergoeding

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase belanghebbende recht heeft op vergoeding door de inspecteur van € 2.500 voor immateriële schade. De rechtbank zal dit in haar beslissing vastleggen. Van een aan de beroepsfase toerekenbare overschrijding van de redelijke termijn is geen sprake.

6 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op in totaal € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Daarbij zijn de zaken als samenhangende zaken aangemerkt. Niet gesteld of gebleken is dat in de bezwaarfase is verzocht om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar doch slechts voor zover ze betrekking hebben op de premieheffing;

  • -

    vermindert zowel de aanslag 2003 als de aanslag 2005 verder tot een berekend naar een premie-inkomen van nihil;

  • -

    vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.500;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 974;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2015 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.