Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:9008

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
13-06-2017
Zaaknummer
4123996
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 4123996 CV EXPL 15-2444

vonnis d.d. 28 oktober 2015

inzake

[voornaam eiser] [eiser],

wonende te Sint Philipsland, gemeente Tholen,

eiser,

gemachtigde: mr. N.J. Moens, advocaat te Middelburg,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

gevestigd te Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal,

2. [gedaagde 2],

wonende te Bergen op Zoom,

3. [gedaagde 3],

wonende te Den Bommel,

4. [gedaagde 4],

wonende te Den Haag,

gedaagden,

gemachtigde: mr. S.A. Wensing, advocaat te Coevorden.

1 Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het tussenvonnis in deze zaak van 29 juli 2015;

  • -

    de aantekeningen van de griffier, opgemaakt bij de mondelinge behandeling ter zitting van 7 september 2015, met het bijbehorende audiëntieblad, waaruit blijkt dat eiser in persoon is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J. Wouters, en dat gedaagden sub 2 en 3 zijn verschenen, bijgestaan door mr. Wensing.

Vervolgens is vonnis (na aanhouding) bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

Eiser (hierna: [eiser] ) vordert gedaagden (hierna: [gedaagden] ) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.021,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, dan wel een zodanig bedrag als in goede justitie juist wordt geacht, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

2.2

[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vordering, dan wel deze af te wijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de proces- en nakosten van [gedaagden]

3 De verdere beoordeling

3.1

Tussen partijen staat – voor zover van belang – als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende in rechte vast:

a. [gedaagden] houden zich onder meer bezig met stalling, training en verkoop van paarden.

b. [eiser] heeft via bemiddeling van [gedaagden] medio november 2013 van een derde het paard [naam paard] (stamboeknaam [stamboeknaam] ; hierna: het paard) gekocht voor een bedrag van € 7.000,00. Als bemiddelingsvergoeding heeft [eiser] [gedaagden] een pup van het hondenras Chihuahua gegeven ter waarde van € 750,00.

c. Het paard is gekeurd en vervolgens bij [gedaagden] ondergebracht voor stalling en training. [eiser] betaalde € 500,00 per maand voor de stalling.

d. [eiser] heeft vanaf maart 2014 de betaling van de stallingskosten opgeschort.

e. In mei 2014 was er een koper voor het paard, maar [eiser] heeft geweigerd in te stemmen met het door deze koper gedane bod van € 4.000,00.

f. Medio juli is het paard bij [gedaagden] door een derde opgehaald.

3.2

[eiser] grondt zijn vordering in het licht van de vaststaande feiten op het betoog dat hij geen verstand heeft van paarden, maar dat hij tot de aankoop had besloten omdat [gedaagden] hadden gesteld dat het paard bij verkoop minimaal € 15.000,00 zou opleveren. Na enkele maanden bleek dat bedrag geenszins haalbaar, zo begreep [eiser] , hetgeen voor hem reden was de stallingskosten niet langer te betalen. Nadat hij het aanbod van de koper in mei 2014 had geweigerd, heeft [eiser] [gedaagden] medegedeeld dat zij ‘maar moesten doen wat zij wilden, maar dat hij zeker geen verlies op het paard wilde maken’, aldus [eiser] , die stelt dat hij nadien niets meer van [gedaagden] heeft vernomen. In november 2014 heeft [eiser] aangifte van oplichting gedaan jegens [gedaagden] en in de onderhavige procedure vordert hij een schadebedrag van € 10.021,71, bestaande uit de aanschafprijs, de bemiddelingsvergoeding, de dierenartskosten ad € 636,71 en een bedrag van € 1.635 aan door hem betaalde stallings- en hoefsmidkosten, nu [gedaagden] de afspraak, inhoudende dat het paard binnen afzienbare periode na de aanschaf met winst doorverkocht zou worden, niet zijn nagekomen. Subsidiair is [eiser] van mening dat sprake is van een onrechtmatige daad, nu [gedaagden] in de paardenhandel zitten, waar het gebruikelijk is om een paard te kopen en met winst door te verkopen, zodat zij ook ongeacht de afspraak met [eiser] het paard met winst hadden moeten doorverkopen.

3.3

[gedaagden] betwisten dat zij hebben gegarandeerd dat het paard spoedig met winst verkocht zou worden en minimaal € 15.000,00 zou opleveren en stellen het paard in opdracht van [eiser] slechts te hebben gestald en getraind. Een garantie als door [eiser] gesteld is te meer ondenkbaar, nu een voorspelling over een toekomstige marktwaarde niet te maken is aangezien deze afhangt van tal van factoren, zoals marktwerking en de ontwikkeling en veterinaire toestand van een paard, aldus [gedaagden] , die stellen dat zij juist een vordering op [eiser] hebben ad € 7.092,14, nu hij als eigenaar aansprakelijk is voor alle kosten van het paard. Te dien aanzien behouden [gedaagden] zich alle rechten voor.

3.4

Bij voornoemd tussenvonnis is een comparitie van partijen gelast, alwaar partijen hun standpunten hebben kunnen toelichten en hebben kunnen reageren op het standpunt van de ander. Op hetgeen partijen ter comparitie, en overigens in de stukken, naar voren hebben gebracht zal hierna – voor zover voor te nemen beslissing van belang – nader worden ingegaan.

3.5

Nu [eiser] schadevergoeding vordert op de primaire grond dat [gedaagden] de door hem gestelde afspraak niet zijn nagekomen is van belang vast te stellen of deze afspraak tussen partijen is gemaakt. In dat verband wordt vooreerst geconstateerd dat schriftelijke vastlegging van de afspraak niet heeft plaatsgevonden, naar [eiser] stelt omdat partijen elkaar vertrouwden. Ook schriftelijke correspondentie over de beweerdelijke afspraak is er niet, althans is niet in het geding gebracht. [eiser] stelt mondeling en telefonisch met [gedaagden] te hebben gecommuniceerd, alsmede via WhatsApp, maar van laatstbedoelde correspondentie is ook niets in geding gebracht. Voorts moet worden vastgesteld dat de mondelinge afspraak tussen partijen door [eiser] slechts is toegelicht met de stelling dat ‘voorafgaand aan de koop door [gedaagden] is gesteld dat het paard minimaal € 15.000,00 zou opleveren’, maar dat een nadere feitelijke onderbouwing van de totstandkoming van deze afspraak door [eiser] niet is gegeven. Zo is door hem niet gesteld wat, wanneer, waar en door wie is afgesproken. Dit klemt te meer nu hij ter comparitie, in reactie op het verweer van [gedaagden] dat het paard door [eiser] is gekocht om zijn zoon er op te laten rijden, niet eenduidig is geweest over de inhoud van de afspraak, aangezien hij aldaar stelde dat hem is medegedeeld dat het paard meer zou opleveren naar mate het langer zou duren en dat het paard na enkele maanden € 12.000,00 zou opleveren en daarna zelfs € 17.000,00. Gelet op dit een en ander moet worden geoordeeld dat [eiser] de gestelde afspraak niet genoegzaam feitelijk gemotiveerd en gedocumenteerd heeft onderbouwd en dat reeds daarop de primaire vordering moet stranden. Aan het leveren van bewijs – welke last in beginsel op [eiser] zou rusten, nu hij rechtsgevolgen verbindt aan zijn stellingen op dit punt – wordt om die reden niet toegekomen, zodat de vordering op de primaire grond niet toewijsbaar is.

3.6

Dit geldt ook voor de subsidiaire grondslag, nu door [eiser] weliswaar is gesteld dat sprake zou zijn van onrechtmatig handelen, maar het door hem te dien aanzien gestelde niet die gevolgtrekking rechtvaardigt. De enkele omstandigheid – afgezien van de gestelde, maar niet gebleken afspraak – dat [gedaagden] in de paardenhandel zitten en het in die handel gebruikelijk is om paarden met winst door te verkopen, maakt immers nog niet dat zij het paard voor [eiser] met winst dienden door te verkopen. Bijkomende omstandigheden die tot een dergelijke gehoudenheid hebben kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken, zodat de vordering ook op deze grond niet toewijsbaar is en zal worden afgewezen.

3.7

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van dit geding. De bij verweer door [gedaagden] gevorderde nakosten zullen worden afgewezen nu niet, althans onvoldoende is gesteld of onderbouwd dat na het vonnis kosten zullen worden gemaakt, anders dan de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van dit vonnis.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 600,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagden]

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. Goossens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015.