Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8722

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
AWB-15_3381
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3381 WWB

uitspraak van 8 december 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. S. Çakal,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 maart 2015 (bestreden besluit) van het college inzake zijn recht op een bijstandsuitkering en bijzondere bijstand en de terugvordering daarvan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 29 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger]. Tevens is ter zitting verschenen [naam tolk], tolk in de Turkse taal.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontving vanaf 12 juli 2005 een bijstandsuitkering naar de norm voor een gezin.

Door het college is onderzoek gedaan naar eventueel verzwegen vermogen en inkomsten in het buitenland van uitkeringsgerechtigden van de gemeente Tilburg. Uit dit onderzoek is gebleken dat er sinds 4 augustus 2010 in Turkije onroerend goed geregistreerd staat op naam van eiser. Het gaat om 2397 m² overeenkomend met ½ deel van een perceel bouwgrond, groot 4800 m2, op het adres [adres1], bij het Kadastraal Register van het district [naam district], bekend als grondstuk [naam grondstuk], in de wijk [naam wijk].

Bij primair besluit van 27 november 2014 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 4 augustus 2010 ingetrokken.

Bij besluit van 4 december 2014 heeft het college de ten onrechte verstrekte uitkering over de periode van 4 augustus 2010 tot en met 30 november 2014 tot een bedrag van € 86.363,61 teruggevorderd.

Bij besluit van 5 januari 2015 heeft het college de bijzondere bijstand voor de kosten van nierdialyse met ingang van 1 april 2011 ingetrokken.

Tegen deze drie besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en stelt daartoe het volgende. Er was geen grond dan wel geen redelijk vermoeden van fraude aanwezig op basis waarvan hij onderwerp van onderzoek zouden kunnen zijn. Het is evident dat vermogen enkel meegenomen kan worden in de vermogensvaststelling indien de bijstandsgerechtigde over het vermogen kan beschikken. Volgens eiser is hiervan geen sprake, omdat het vermogen enkel diende ter vergoeding van de kosten van een niertransplantatie voor zijn echtgenote. Eiser betwist ook de taxatiewaarde. De terugvordering staat volgens eiser niet in verhouding tot de overschrijding van de vermogensgrens.

3. Met ingang van 1 januari 2015 zijn de Participatiewet (Pw), de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen Wet werk en bijstand in werking getreden en is de Wet werk en bijstand (Wwb) gewijzigd en vernoemd tot de Pw. Uit artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet volgt dat op een bezwaar- of beroepschrift dat is ingediend na de datum van inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Participatiewet tegen een door het college op grond van de Wwb genomen besluit, zoals in dit geval aan de orde is, wordt beslist met toepassing van de Pw.

De rechtbank stelt vast dat de intrekking van de uitkering is geschied over een periode die volledig voor de invoering van de Pw ligt. Gedurende de te beoordelen periode gold de Wwb, zodat de materiële beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de Wwb.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wwb doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Wwb bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

Op grond van het zesde lid van dit artikel is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw, voor zover thans van belang, trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Ingevolge het achtste lid van dit artikel kan het college indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4. De rechtbank overweegt allereerst, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 22 mei 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:3655), dat de in artikel 53a van de Wwb bedoelde algemene onderzoeksbevoegdheid steeds en spontaan kan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en dat daartoe dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Het college heeft derhalve terecht een onderzoek naar eisers recht op bijstand ingesteld.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op vanaf 4 augustus 2010 een (half) perceel grond in eigendom heeft gekregen. Het college heeft aan het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering ten grondslag gelegd dat met het eigendom van dit stuk grond de vermogensgrens wordt overschreden, zoals ter zitting is bevestigd.

6. Tevens is tussen partijen niet in geschil dat eiser van dit eigendom nooit melding heeft gemaakt bij het college. Het eigendom van onroerend goed is een omstandigheid die van invloed kan zijn op het recht op bijstand en dient daarom gemeld te worden bij het college.

De stelling van eiser dat slechts drie inkomensverklaring in het dossier aanwezig zijn, waarin niet wordt gevraagd naar het vermogen, volgt de rechtbank niet. Op deze formulieren wordt namelijk duidelijk gevraagd of er naast de uitkering nog sprake is van middelen, zodat eiser daar het eigendom had moeten opgeven. Daarnaast rustte op eiser ook de verplichting om zelf melding te maken van het eigendom. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met het college van oordeel dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden.

7. Aangezien schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond oplevert voor intrekking van het recht op bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is het volgens vaste rechtspraak aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad. De bewijslast ligt dus in dit geval bij eiser.

8. Ten aanzien van eisers stelling dat hij niet vrijelijk over het onroerend goed kon beschikken, omdat het vermogen enkel diende ter vergoeding van de kosten van een niertransplantatie voor zijn echtgenote overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1739) rechtvaardigt het feit dat onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd de veronderstelling dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. De term ‘beschikken’ moet zo worden uitgelegd dat die ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezittingen feitelijk te kunnen aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

De rechtbank stelt vast dat nergens uit blijkt dat ten tijde van de overdracht voorwaarden zijn gesteld ten aanzien van het aanwenden van het vermogen. De achteraf opgestelde verklaring van [naam persoon1], waarin zij verklaart dat zij het stuk grond heeft geschonken aan haar dochter om haar financieel te ondersteunen ten behoeve van een niertransplantatie, maakt dit niet anders. De rechtbank acht het op zich niet onaannemelijk dat het stuk grond is geschonken ten behoeve van de transplantatie, maar dat doet niet af aan de omstandigheid dat eiser in beginsel vrijelijk daarover kon beschikken.

9. Door het college is een taxatierapport van 29 augustus 2014 ingebracht waarbij de actuele verkoopprijs is vastgesteld op 360.000 Turkse lira. Door eiser zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat deze waarde voor het jaar 2014 niet juist zou zijn.

Eiser stelt terecht dat het college is uitgegaan van een onjuist aandeel, namelijk 2400 m² in plaats van 2397 m². Dit is echter een zodanig gering verschil dat de waarde daardoor niet onder de vermogensgrens zal komen. Voor het jaar 2014 is de vermogensgrens derhalve overschreden.

10. De rechtbank volgt ook niet de stelling van eiser dat de vermogensoverschrijding niet voor de gehele intrekkingsperiode is aangetoond. Gelet op de taxatiewaarde in 2014 mag het college er naar het oordeel van de rechtbank van uitgaan dat de waarde van het onroerend goed ook in 2010 (ver) boven de destijds geldende vermogensgrens van € 10.960 lag. Eiser heeft het tegendeel ook niet aannemelijk gemaakt. Ook heeft hij zijn stelling dat de bestemming van de grond is gewijzigd en dat daardoor de waarde van de grond is gestegen niet met stukken onderbouwd.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vanaf 4 augustus 2010, de datum van verkrijging van het onroerend goed, sprake is van overschrijding van de vermogensgrens, zodat er geen recht op bijstand bestond.

Het college was op grond van artikel 54, derde lid van de Pw gehouden om tot intrekking van het recht op bijstand vanaf 4 augustus 2010 over te gaan.

12. Het college was gelet hierop ook verplicht om de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw terug te vorderen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de terugvordering niet in verhouding staat tot de overschrijding van de vermogensgrens. De vermogensgrens wordt, uitgaande van de taxatiewaarde van het college, overschreden met ongeveer € 118.000,- terwijl de terugvordering ruim € 86.000,- bedraagt.

Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van dringende reden om van terugvordering af te zien, nu aflossing naar vermogen plaatsvindt. Overigens dienen de financiële gevolgen van schending van de inlichtingenplicht volgens vaste rechtspraak in beginsel voor rekening van de betrokkene te blijven.

13. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.