Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8694

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
C/02/297526 / HA ZA 12-233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van zorgverzekeraar gericht tot de executeur testamentair en de erfgenamen van de overleden debiteur. Vordering tegen executeur wordt afgewezen omdat die de aanwijzing niet heeft aanvaard en zij ook niet voor zichzelf aansprakelijk is. De erfgenamen hebben verstek laten gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C02/297526 / HA ZA 15-233 (voorheen C02/276063 / HA ZA 14-54)

Vonnis van 23 september 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

C.Z. ZORGKANTOOR B.V.,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

advocaat mr. F.J. van der Schrier te ‘s-Gravenhage,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. Ph. Van Kampen te Heinkenszand,

2. DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN WIJLEN [naam erflater],

niet verschenen.

Eiseres zal hierna CZ worden genoemd, gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1] en gedaagden sub 2 de erfgenamen.

1 De procedure

1.1.

Onderhavige procedure is aanvankelijk ter griffie ingeschreven onder zaak- en rolnummer 2C02/276063 / HA ZA 14-54 en is, na ambtshalve doorhaling, heropend en ingeschreven onder zaak- en rolnummer C02/297526 / HA ZA 15-233.

1.2.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 april 2014

- het B8-formulier, met bijgevoegd nadere stukken, van 11 september 2014, van CZ

- het proces-verbaal van de comparitie, gehouden op 23 september 2014

- het B6-formulier van de zijde van CZ, waarin is verzocht de zaak weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een akte aan de zijde van beide partijen

- de akte houdende vermindering van eis van de kant van CZ.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, is geen akte (meer) genomen door [gedaagde sub 1] .

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 26 augustus 2011 is – kinderloos – overleden [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] en sedert 15 september 1997 weduwe. Bij testament, verleden op 29 april 2011, had zij (haar nicht) [gedaagde sub 1] benoemd tot executeur en tot (afwikkelings-)bewindvoerder.

2.2.

Bij toekenningsbeschikkingen van CZ van 12 september 2011 en 13 december 2011 is aan [naam erflater] een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) toegekend voor respectievelijk de periode 17 januari 2011 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012. CZ heeft in dat kader gedurende het jaar 2011 een bedrag van € 83.721,08 gestort op de daartoe destijds door [naam erflater] aangewezen bankrekening, waarvan een bedrag van € 25.670,08 na het overlijden van [naam erflater] . In 2012 heeft CZ tot eind april van dat jaar nog een bedrag van € 29.970,-- op genoemde bankrekening gestort.

2.3.

Bij intrekkingsbeschikkingen van 17 april 2012 heeft CZ de onder 2.2 genoemde toekenningsbeschikkingen ingetrokken. Bij vaststellingsbeschikkingen van 19 april 2012 en 1 mei 2012 heeft CZ vastgesteld dat [naam erflater] over de in 2.2 genoemde periodes geen recht had op PGB en dat de door haar ontvangen bedragen dienen te worden terugbetaald. In de loop van mei 2012 heeft CZ verzocht deze bedragen terug te betalen. Op 7 maart 2014 is tegen de beslissingen van 17 en 19 april 2012 bezwaar gemaakt; dit bezwaar is op 7 juli 2014 door CZ wegens overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt, niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.

Na eerdere brieven in december 2012 heeft deurwaarderskantoor Flanderijn en Van Eck [gedaagde sub 1] bij brief van 15 april 2013 verzocht en gesommeerd voormelde bedragen (in totaal € 113.691,08), vermeerderd met kosten en rente, binnen 8 dagen na dagtekening van de brief te betalen. [gedaagde sub 1] en/of de erfgenamen hebben aan CZ en/of aan de deurwaarder niets betaald.

3 Het geschil

3.1.

CZ vorderde aanvankelijk hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en de erfgenamen hoofdelijk (ieder voor zichzelf en in de hoedanigheid van respectievelijk executeur/ bewindvoerder en die van erfgenamen) tot terugbetaling van het geheel aan uitgekeerde PGB-bedragen. Thans vordert zij – na vermindering van eis – nog alleen het bedrag dat is uitgekeerd na overlijden van [naam erflater] , dat wil zeggen betaling van een bedrag van:

- € 64.555,88, vermeerderd met de wettelijke rente over € 59.183,42 vanaf 27 november 2013, althans 13 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde sub 1] en de erfgenamen – eveneens hoofdelijk – in de kosten van dit geding, daaronder begrepen beslagkosten (begroot op € 2.008,46) en vermeerderd met BTW over de daarvoor in aanmerking komende kosten;

- althans € 3.025,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 november 2013, althans 13 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde sub 1] en de erfgenamen – eveneens hoofdelijk – in de kosten van dit geding, daaronder begrepen beslagkosten (begroot op € 2.008,46) en vermeerderd met BTW over de daarvoor in aanmerking komende kosten.

3.2.

CZ stelt niet eerder dan eind april 2012 van het overlijden van [naam erflater] op de hoogte te zijn gesteld. Nadat zij dat ontdekte, zijn de onder 2.3 genoemde terugvorderings- besluiten genomen. Tegen die besluiten is niet tijdig bezwaar gemaakt, zodat zij formele rechtskracht hebben gekregen; de burgerlijke rechter zal van deze besluiten dienen uit te gaan. CZ stelt het na overlijden betaalde PGB-bedrag – dat op de inmiddels op de erfgenamen overgegane bankrekening is gestort – onverschuldigd te hebben betaald, nu de erfgenamen nimmer recht hebben gehad op dat bedrag. Daarnaast is sprake van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de erfgenamen, nu zij ten koste van CZ voormeld PGB-bedrag, waarop zij geen aanspraak konden maken, hebben ontvangen. Tenslotte stelt CZ dat de erfgenamen jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld. CZ vordert op elk van deze gronden terugbetaling van genoemd bedrag van de erfgenamen. Zij vordert dat ook van [gedaagde sub 1] , nu zij executeur en bewindvoerder is en in die hoedanigheid de ten onrechte ontvangen bedragen had dienen terug te storten. Zij heeft dat niet gedaan en aldus toerekenbaar tekort geschoten in de zorg van een goed executeur/bewindvoerder. Ook ten aanzien van [gedaagde sub 1] (zowel pro sé als in haar hoedanigheid van executeur/ bewindvoerder) doet CZ een beroep op onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatig handelen. CZ stelt – met verwijzing naar de onder 2.3 en 2.4 genoemde correspondentie – dat [gedaagde sub 1] en de erfgenamen sinds 1 augustus 2012, althans sinds 24 april 2013, in verzuim zijn. CZ heeft – nu [gedaagde sub 1] noch de erfgenamen betaalden – daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten moeten maken.

3.3.

[gedaagde sub 1] voert verweer. Zij stelt dat zij de benoeming tot executeur en tot bewindvoerder niet heeft aanvaard. Zij heeft na het overlijden van [naam erflater] met de haar eerder verschafte volmacht nog enige betalingen verricht, maar daarna – in verband met privéomstandigheden – niets meer gedaan. Pas in 2014 heeft zij zich in verband met de afwikkeling van de nalatenschap van [naam erflater] tot een notaris en een accountant gewend. Zij stelt CZ wel van het overlijden van [naam erflater] op de hoogte te hebben gesteld; zij heeft dat vermeld in een op 6 september 2011 aan CZ gezonden verantwoording van het tot dan toe uitgekeerde PGB. Voorts bestrijdt zij de formele rechtskracht van de terugvorderings-beslissingen; hoewel de bezwaartermijn ongebruikt is verstreken meent zij dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die een uitzondering op de regel dat van de geldigheid van de besluiten moet worden uitgegaan gerechtvaardigd is. In dat kader wijst zij erop dat de uitgekeerde gelden daadwerkelijk zijn besteed voor het doel waarvoor zij zijn uitgekeerd (in de verantwoording van 6 september 2011 wordt met zorgnota’s aangetoond dat op dat moment tot een bedrag van € 122.444,78 aan zorgkosten is voldaan).

[gedaagde sub 1] betwist dat buitengerechtelijke werkzaamheden nodig waren, en dus ook dat zij – of de erfgenamen – gehouden zijn de kosten daarvan te vergoeden.

4 De beoordeling

4.1.

CZ spreekt [gedaagde sub 1] aan in haar hoedanigheid van executeur in en bewindvoerder van de nalatenschap van [naam erflater] . [gedaagde sub 1] heeft echter gemotiveerd betwist dat zij de benoemingen tot executeur en bewindvoerder heeft aanvaard. Nu art. 4:143 lid 1 BW bepaalt dat men executeur wordt door aanvaarding van de benoeming, is het aan CZ om, gelet op de betwisting van [gedaagde sub 1] , gemotiveerd te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat van die aanvaarding sprake is geweest. CZ heeft daaromtrent evenwel, behoudens een verwijzing naar de benoeming in het testament, niets gesteld. De rechtbank gaat er dan ook van uit, dat [gedaagde sub 1] de benoeming tot executeur niet heeft aanvaard. Datzelfde geldt ten aanzien van de hoedanigheid van bewindvoerder; weliswaar is het bewind, overeenkomstig het testament en art. 4:153, lid 2 BW, onmiddellijk na overlijden van [naam erflater] in werking getreden, maar voor het worden van bewindvoerder is wel nodig, dat de beoogd bewindvoerder de benoeming daartoe aanvaardt. Ook ten aanzien van deze aanvaarding heeft CZ slechts verwezen naar de inhoud van het testament, en dat is tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde sub 1] dat zij heeft aanvaard, onvoldoende.

4.2.

CZ spreekt [gedaagde sub 1] ook “pro sé” aan. Zij onderbouwt evenwel niet waarom [gedaagde sub 1] persoonlijk aansprakelijk is voor terugbetaling van het na overlijden aan de nalatenschap van [naam erflater] uitgekeerde PGB-bedrag. Voor zover CZ bedoelt [gedaagde sub 1] als erfgenaam aan te spreken, stelt de rechtbank vast dat zij dan behoort bij de eveneens gedaagde – niet verschenen – erfgenamen; waar CZ [gedaagde sub 1] daarnaast pro sé, en zonder vermelding van de hoedanigheid van erfgenaam, heeft gedagvaard, kan dat dus niet gaan om die hoedanigheid.

4.3.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen jegens [gedaagde sub 1] moeten worden afgewezen; CZ zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op

- griffierecht € 77,--

- salaris advocaat € 2.842,-- (2 x tarief V, € 1.421,--)

Totaal € 2.919,--.

4.4.

De erfgenamen zijn in deze procedure niet verschenen; van hun zijde is tegen het gevorderde derhalve geen verweer gevoerd. Het bij verminderde eis gevorderde komt de rechtbank – behoudens voor zover hieronder ten aanzien van de beslag- en proceskosten anders wordt geoordeeld – niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal dan ook worden toegewezen.

4.5.

De vergoedingen voor beslag- en proceskosten bestaan uit salaris advocaat, te begroten overeenkomstig het liquidatietarief, griffierecht alsmede de kosten van de uitgebrachte dagvaarding, respectievelijk het daadwerkelijk leggen van het beslag. Bij het liquidatietarief gaat het niet om een met BTW belaste dienst en over het griffierecht is evenmin BTW verschuldigd. Ook voor BTW over de kosten van dagvaarding en van het daadwerkelijk leggen van het beslag is geen plaats, nu gesteld noch gebleken is dat deze BTW niet fiscaal kan worden teruggevorderd of verrekend. De over de proceskosten gevorderde BTW zal dan ook worden afgewezen.

4.6.

De erfgenamen zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van CZ gemaakte kosten van het geding. Deze kosten worden – nu de tegen de erfgenamen verrichte proceshandelingen ook steeds tegen [gedaagde sub 1] zijn verricht en de vordering tegen [gedaagde sub 1] is afgewezen – begroot op de helft van de gemaakte dan wel (ten aanzien van het salaris advocaat) te begroten kosten, zijnde:

- griffierecht € 1.620,--

- salaris advocaat € 710,50 (0,5 x tarief V, € 1.421,--)

- kosten dagvaarding € 47,40

- beslagkosten € 1.004,23

Totaal € 3.382,13.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van CZ, voor zover deze zijn gericht tegen [gedaagde sub 1] , af;

5.2.

veroordeelt de erfgenamen tot betaling aan CZ van € 64.555,88, vermeerderd met de wettelijke rente over € 59.183,42 vanaf 27 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt CZ in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde sub 1] , tot heden begroot op € 2.919,--;

5.4.

veroordeelt de erfgenamen in de kosten van de tegen hen gevoerde procedure aan de zijde van CZ, waaronder de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.382,13

5.5.

verklaart dit vonnis, voor zover daarin tot betaling van geldbedragen wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2015.