Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8621

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
C/290887 HA ZA 14-858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op art. 5:44 BW ook voor niet-eigenaar? Ja, want beroep wordt gedaan met instemming van de eigenaar. Bevoegdheid tot snoeien overhangende takken van prunus die sinds 1973 tussen twee meter van de erfgrens staat. Alleen huidige twee bomen vallen onder verjaringsregel, niet eventueel vervangende bomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaak/rolnr.: C/02/290887 / HA ZA 14-858

vonnis van 6 mei 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R.A.A. Maat te Goes,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R. Wouters te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 januari 2015,

- het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren en wonen op belendende percelen.

2.2.

In de tuin van [eiseres] staan twee prunussen (bomen) binnen een afstand van twee meter van de erfafscheiding. Deze bomen staan er sinds circa 1973. Door verjaring is een erfdienstbaarheid met betrekking tot deze bomen ontstaan.

2.3.

In het voorjaar van 2013 heeft [gedaagde] in overleg en samenwerking met [eiseres] één gebroken tak verwijderd en één tak afgezaagd omdat deze over de kas in de tuin van [gedaagde] hingen.

2.4.

Op 24 juli 2014 heeft een hovenier in opdracht van [gedaagde] snoeiwerkzaamheden uitgevoerd aan de bomen. De hovenier is daarmee op aandringen van [eiseres] gestopt.

2.5.

Bij brieven van 12 augustus 2014 en 4 september 2014 heeft [gedaagde] aan [eiseres] verzocht vóór 12 september 2014 de bomen te snoeien en vermeld dat hij dit op kosten van [eiseres] zou laten doen als [eiseres] er niet uiterlijk op genoemde datum toe overging.

2.6.

Bij brieven van 12 augustus 2014 en 6 september 2014 heeft [eiseres] aan [gedaagde] bericht dat zij niet instemt met het snoeien van de bomen door [gedaagde] en/of derden.

2.7.

Op 15 september 2014 heeft een hovenier in opdracht van [gedaagde] snoeiwerkzaamheden uitgevoerd aan de twee bomen.

2.8.

Per brief van 19 september 2014 heeft de raadsman van [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor schade aan de bomen.

2.9.

Per brief van 10 oktober 2014 heeft de raadsman van [eiseres] [gedaagde] laten weten dat de bomen vervangen moeten worden en dat de kosten hiervan € 17.500,00 bedragen en [gedaagde] verzocht dit bedrag te betalen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat er ten behoeve van het perceel van [eiseres] (kadastraal bekend [kadasternummer 1] ) een erfdienstbaarheid is ontstaan tot het handhaven van de twee prunussen binnen een afstand van twee meter van de erfafscheiding met het perceel kadastraal bekend [kadasternummer 2] ;

- [gedaagde] te veroordelen te bevorderen dat er een erfdienstbaarheid ten laste van het perceel, kadastraal bekend [kadasternummer 2] (lijdend erf), wordt gevestigd ten gunste van het perceel, kadastraal bekend [kadasternummer 1] (heersend erf), dit tot het mogen plaatsen en handhaven van twee bomen op het heersend erf binnen twee meter van de erfafscheiding tussen beide percelen, ter vervanging van de prunussen, dit ten overstaan van mr. R.C. van Dongen te Middelburg en op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 bij niet voldoening aan deze veroordeling binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

- [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.450,00 vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening;

- [gedaagde] te verbieden nog te snoeien in de bomen, bosschages en planten die toebehoren aan [eiseres] , dit op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

- veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [eiseres] heeft belang bij een verklaring voor recht in verband met haar overige vorderingen. [gedaagde] kwam geen beroep toe op artikel 5:44 BW. Mocht hem wel een beroep op dit artikel toekomen dan is er sprake van misbruik van recht aangezien [gedaagde] geen enkel redelijk doel voor ogen stond bij het snoeien. De bomen werpen geen schaduw op het erf van [gedaagde] en het onvermijdelijke bladafval valt binnen de grenzen van het ongemak dat buren van elkaar behoren te accepteren. [eiseres] stelt dat zij in haar belangen is geschaad. De bomen zorgden voor schaduw in de tuin. De schaduw is belangrijk voor de echtgenoot van [eiseres] , daar hij in verband met ziekte niet in de zon mag. De echtgenoot van [eiseres] kan nu niet volledig van de tuin genieten. De bomen zijn verminkt. Omdat de bomen als gevolg van het snoeien onherstelbaar zijn beschadigd en de takken tot ver over de erfafscheiding zijn afgezaagd, dient [gedaagde] de schade, vervanging van de bomen door soortgelijke bomen en de incassokosten, te vergoeden. Wanneer de erfdienstbaarheid niet meer zou gelden voor de ter vervanging te plaatsen bomen lijdt [eiseres] schade aangezien daardoor de gewenste situatie (twee bomen op dezelfde plaats) niet meer wordt bereikt. Als vervangende schadevergoeding dient [gedaagde] daarom mee te werken aan het vestigen van een erfdienstbaarheid op de ter vervanging van de beschadigde bomen te plaatsen bomen binnen twee meter van de erfafscheiding. Het snoeiverbod is noodzakelijk aangezien [gedaagde] zich aan schriftelijke sommaties niets gelegen laat liggen.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. [gedaagde] voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] betwist dat [eiseres] belang heeft bij de verklaring voor recht aangezien deze erfdienstbaarheid niet tussen partijen ter discussie staat. [gedaagde] stelt dat hij een gegrond beroep kan doen op artikel 5:44 BW. [gedaagde] stelt dat hij voor het snoeien op 24 juli 2014 toestemming had van [eiseres] en dat hij voor het snoeien op 15 september 2014 meermalen heeft aangemaand. [gedaagde] betwist tevens dat er sprake is van misbruik van recht. [gedaagde] stelt dat hij belang had bij het verwijderen van de overhangende takken. De takken leveren een gevaar op en zorgen voor veel overlast. Het snoeien is uitgevoerd door een professionele hovenier en [gedaagde] betwist dat er schade is toegebracht aan de bomen. Aan de kant van [eiseres] is nauwelijks te zien dat er gesnoeid is. Tevens betwist [gedaagde] dat er over de erfgrens is gesnoeid. Bij het plaatsen van twee vervangende bomen komt [eiseres] niet het recht toe deze ook binnen twee meter van de erfafscheiding te plaatsen. Er gaat dan een nieuwe verjaringstermijn lopen zodat een vordering tot verwijdering van deze bomen op grond van artikel 5:42 BW mogelijk is. De gevorderde medewerking aan het vestigen van de erfdienstbaarheid dient dan ook te worden afgewezen. Het gevorderde snoeiverbod dient te worden afgewezen aangezien op basis van artikel 5:44 BW het recht tot het verwijderen van overhangende takken hem onverkort toekomt.

4 De beoordeling

Vordering tot schadevergoeding

4.1.

Artikel 5:44 BW geeft aan de eigenaar van een erf, de bevoegdheid om overhangende takken afkomstig van bomen van een naastgelegen erf, na vruchteloze aanmaning, te verwijderen en zich toe te eigenen. Dit snoeien is toegestaan tot de erfgrens tenzij daardoor onevenredig grote schade ontstaat. [eiseres] heeft ter comparitie aangevoerd dat [gedaagde] geen eigenaar is en om die reden geen beroep op artikel 5:44 BW toekomt. Ter comparitie heeft [gedaagde] gesteld dat hij in overleg met en goedkeuring van de eigenaar, de zoon van [gedaagde] , heeft gehandeld. [eiseres] stelt dat dit een nieuw verweer is en heeft zich tegen toelating van dit verweer verzet. De rechtbank overweegt hierover als volgt. [eiseres] heeft in haar dagvaarding nagelaten te motiveren waarom [gedaagde] geen beroep op artikel 5:44 BW toekomt. [gedaagde] hoeft dan niet in zijn conclusie van antwoord te stellen dat hij in overleg en met toestemming van de eigenaar handelde. Nu [eiseres] zelf in haar dagvaarding heeft nagelaten haar stelling te motiveren kan zij zich er niet met succes tegen verzetten dat [gedaagde] zijn verweer pas ter comparitie aanvoert. Het verzet slaagt niet. Een niet-eigenaar komt met goedkeuring van de eigenaar eveneens een beroep op artikel 5:44 BW toe. [eiseres] heeft niet betwist dat [gedaagde] met toestemming van zijn zoon heeft gehandeld. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] in beginsel een beroep op artikel 5:44 BW kan doen.

4.2.

Met betrekking tot het snoeien op 24 juli 2014 geldt dat dit snoeimoment geen grondslag kan zijn voor de ingestelde vordering tot schadevergoeding. Het verband tussen het handelen op deze dag en de gestelde schade ontbreekt. Op de foto’s die op 15 september 2014 zijn gemaakt (productie 6 en 7 bij conclusie van antwoord) is ook te zien dat op dat moment de takken nog over de erfgrens hingen. Of [gedaagde] toestemming kon ontlenen aan het snoeien in het voorjaar van 2013 behoeft daarom geen nadere bespreking.

4.3.

Nu [eiseres] ondanks de verzoeken daartoe van [gedaagde] niet is gaan snoeien, mocht [gedaagde] in beginsel op grond van artikel 5:44 BW op 15 september 2014 zelf overgaan tot snoeien.

4.4.

De bevoegdheid van [gedaagde] kent haar grens in misbruik van recht. Van misbruik van recht is pas sprake wanneer het belang van [gedaagde] bij verwijdering van de overhangende takken in relatie tot het belang van [eiseres] bij behoud van deze overhangende delen zodanig (gering) is dat zich een onevenredigheid van belangen voordoet die maakt dat [gedaagde] in redelijkheid niet tot verwijdering kon overgaan. Ter comparitie heeft de raadsman van [eiseres] verklaard dat het vanaf de tuin van [eiseres] moeilijk is waar te nemen hoe de situatie nu is ten opzichte van de oude situatie. Dit leidt tot de conclusie dat door het verwijderen van de overhangende takken de belangen van [eiseres] , namelijk behoud van mooie bomen en schaduw, niet onevenredig zijn geschaad. Van misbruik van recht door [gedaagde] is dus geen sprake.

4.5.

Tevens wordt de bevoegdheid van [gedaagde] om overhangende takken te verwijderen op grond van artikel 5:44 BW beperkt tot het verwijderen van takken tot aan de erfgrens. Op de foto’s (productie 6 en 7 bij conclusie van antwoord) is te zien dat de takken niet verder dan de erfgrens zijn verwijderd. De stelling van [eiseres] dat er verder is gesnoeid dan de erfgrens kan niet worden gevolgd nu iedere onderbouwing van deze stelling ontbreekt.

4.6

De bevoegdheid van [gedaagde] wordt verder beperkt doordat hij bij het gebruik van zijn bevoegdheid geen onevenredige schade mag toebrengen. De rechtbank begrijpt dat door het snoeien de bomen een andere vorm hebben gekregen. Dit is echter inherent aan de verwijdering van de overhangende takken en levert geen (onevenredige) schade op. De offerte die [eiseres] heeft overgelegd gaat uit van de kosten voor het planten van vervangende bomen. Niet is gebleken dat als gevolg van het verwijderen van de overhangende takken de bomen zodanig beschadigd zijn dat zij vervangen dienen te worden. Dat de bomen als gevolg van het verwijderen van de overhangende takken van vorm zijn veranderd levert geen (onherstelbare) schade op. Daarbij komt dat vanaf de tuin van [eiseres] de veranderde vorm van de bomen nauwelijks is waar te nemen. [gedaagde] heeft, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , onvoldoende gemotiveerd gesteld dat door het verwijderen van de overhangende takken de bomen onherstelbaar beschadigd zijn. Aan bewijslevering wordt derhalve niet toegekomen. De gevorderde schadevergoeding, inclusief de buitengerechtelijke kosten, zal worden afgewezen.

Medewerking erfdienstbaarheid op twee vervangende prunussen

4.7.

Zoals in 4.6. overwogen heeft [eiseres] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat door het verwijderen van de overhangende takken de bomen zijn vernield waardoor zij vervangen dienen te worden. Het vervangen van de bomen is dan ook niet aan de orde. Wanneer [eiseres] zelf besluit om de bomen te vervangen dienen deze nieuw te planten bomen te voldoen aan de eisen van het burenrecht. De door verjaring ontstane erfdienstbaarheid tot het handhaven van de huidige twee bomen binnen twee meter van de erfafscheiding brengt enkel met zich mee dat [gedaagde] deze situatie heeft te dulden. Overeenkomstig de geldende jurisprudentie geeft deze situatie geeft [eiseres] echter niet het recht bij het plaatsen van twee vervangende bomen een nieuwe onrechtmatige situatie in het leven te roepen. Indien zij dit doet begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen en is een vordering tot verwijdering van de bomen op grond van artikel 5:42 BW mogelijk. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

Snoeiverbod

4.8.

Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde verbod tot snoeien in de bomen, bosschages en planten in strijd is met de in artikel 5:44 BW neergelegde bevoegdheid van [gedaagde] om (met de toestemming van de eigenaar en na aanmaning) tot het snoeien van overhangende takken te mogen overgaan. De vordering van [eiseres] ter zake wordt dan ook afgewezen.

Verklaring voor recht erfdienstbaarheid ten behoeve van de huidige twee prunussen

4.9.

[eiseres] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat er door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van het handhaven van de huidige twee prunussen binnen twee meter van de erfafscheiding. Het bestaan van deze erfdienstbaarheid wordt door [gedaagde] niet betwist. Hoewel deze erfdienstbaarheid niet tussen partijen ter discussie staat, mag niet snel worden aangenomen dat een partij geen belang heeft bij een vordering. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

4.10.

[eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 282,00

- kosten dagvaarding € 95,77

- salaris advocaat € 904,00 ( 2 punten x tarief II)

Totaal € 1.281,77

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat er ten behoeve van het perceel van [eiseres] (kadastraal bekend [kadasternummer 1] ) een erfdienstbaarheid is ontstaan tot het handhaven van de twee prunussen binnen een afstand van twee meter van de erfafscheiding met het perceel kadastraal bekend [kadasternummer 2] ;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.281,77;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst hetgeen meer of anders is gevorderd af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.