Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8609

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
C/02/14/267 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Homologatie akkoord in schuldsaneringsregeling. Faillissementsrecht. Ingevolge artikel 338 jo 153 lid 2 Fw moet het akkoord worden geweigerd als de baten van de boedel de bij het akkoord bedongen som aanmerkelijk te boven gaan. Daarnaast biedt artikel 153 lid 3 Fw de rechtbank de mogelijkheid op andere gronden alsook ambtshalve de homologatie te weigeren. Wat de eerstgenoemde weigerings¬grond betreft, zal bij de beoordeling van de homologatie moeten worden vergeleken enerzijds het bedrag dat schuldeisers ingevolge het akkoord wordt uitgekeerd en anderzijds het bedrag dat zij bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling naar verwachting zullen ontvangen. Hierbij dienen onder "de baten des boedels" als bedoeld in artikel 153 lid 2 aanhef en onder 1 Fw niet slechts te worden begrepen de ten tijde van de aanbieding van het akkoord aanwezige baten, maar tevens de baten die bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling nog te verwachten zijn. De rechtbank oordeelt dat hoewel schuldenares ernstig is tekortgeschoten in haar sollicitatieplicht zij, teneinde min of meer hetzelfde bedrag voor de boedel te kunnen verwerven dan het bedrag dat in het kader van het akkoord wordt aangeboden, gedurende de looptijd aanmerkelijk meer moet verdienen dan haar huidige inkomsten. Gelet hierop alsmede haar geringe kansen op de arbeidsmarkt acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat de baten van de boedel, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven zouden gaan, indien schuldenares zich wel aan haar sollicitatieplicht had gehouden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat schuldenares nog over andere bronnen van inkomsten bezit dan haar huidige dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Insolventierecht

Breda

homologatie akkoord

insolventienummer: C/02/14/267 R

nummer verklaring: [nummer verklaring]

uitspraakdatum: 23 december 2015

Bij vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2014 is de toepassing van de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[naam schuldenaar] ,

geboren op [geboortedatum schuldenaar] te [plaatsnaam] ,

wonende te [adres schuldenaar] ,

schuldenares,

bewindvoerder: [voorletters bewindvoerder] Eisses.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de verificatievergadering van 19 maart 2015;

- het verslag van de rechter-commissaris van 14 april 2015;

- de processen-verbaal van 8 oktober 2015 en 7 en 15 december 2015.

2 De beoordeling

2.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de op 19 maart 2015 gehouden verificatievergadering, alsmede van het aangenomen ontwerp van een akkoord. Uit het proces-verbaal van voormelde vergadering blijkt dat gemeld akkoord op de door de wet voorgeschreven wijze is aangenomen.

2.2

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het verslag van de rechter-commissaris van 14 april 2015. De rechter-commissaris adviseert daarin de rechtbank om niet over te gaan tot homologatie van het akkoord.

2.3

Schuldenares heeft aangevoerd dat het door haar aangeboden akkoord betaling van een bedrag van € 3.500,00 behelst, alsmede een bedrag van € 604,00 voor het griffierecht, derhalve een bedrag van € 4.104,00. Na aftrek van het salaris van de bewindvoerder en kosten resteert, naar schatting, een betaling van 10% aan de concurrente crediteuren, aldus schuldenares.

2.4

Volgens schuldenares is dit akkoord gunstiger voor crediteuren dan hetgeen aan het einde van de schuldsaneringsregeling aan crediteuren betaald zou kunnen worden. Schuldenares heeft in dit verband naar voren gebracht dat de boedel op dit moment aan activa € 1.500,00, zijnde de maximale verkoopwaarde van haar auto, bevat. Volgens schuldenares zijn er geen toekomstige boedelafdrachten te verwachten, nu het salaris dat zij met haar werkzaamheden verdient, zijnde maximaal € 500,00 netto, te laag is.

2.5

De rechtbank stelt voorop dat de procedure over de homologatie van een akkoord niet moet worden gezien als een procedure op tegenspraak tussen partijen doch als een op een spoedige beslissing over het akkoord gerichte rechtsgang, waarin zij naar eigen inzicht haar goedkeuring aan het akkoord verleent of weigert zonder daarbij in enig opzicht gebonden te zijn aan hetgeen door de bewindvoerder, de schuldeisers en de schuldenares als hun standpunt naar voren is gebracht. De gewone regels van stelplicht en bewijslast zijn niet van toepassing.

2.6

De rechtbank overweegt verder dat in artikel 338 jo 153, tweede lid, Fw de imperatieve weigeringsgronden van de homologatie van het akkoord worden genoemd. Zo moet het akkoord worden geweigerd als de baten van de boedel de bij het akkoord bedongen som aanmerkelijk te boven gaan. Daarnaast biedt het derde lid van artikel 153 Fw de rechtbank de mogelijkheid op andere gronden alsook ambtshalve de homologatie te weigeren, hetgeen haar een grote mate van vrijheid geeft naar eigen inzicht te beslissen.

2.7

Bij de beoordeling van de homologatie zal derhalve, wat de eerstgenoemde weigeringsgrond betreft, moeten worden vergeleken enerzijds het bedrag dat schuldeisers ingevolge het akkoord wordt uitgekeerd en anderzijds het bedrag dat zij bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling naar verwachting zullen ontvangen. Hierbij dienen onder "de baten des boedels" als bedoeld in artikel 153 lid 2 aanhef en onder 1 Fw niet slechts te worden begrepen de ten tijde van de aanbieding van het akkoord aanwezige baten, maar tevens de baten die bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling nog te verwachten zijn.

2.8

Wat deze te verwachten baten des boedels betreft, heeft schuldenares aangevoerd dat zij – gemiddeld – 12 uur per week schoonmaakwerkzaamheden verricht via Alfacheque tegen maximaal € 500,00 netto per maand. Schuldenares heeft ter zitting verder opgemerkt dat zij in het verleden gedurende drie maanden een fulltime baan heeft gehad in de horeca met een inkomen van € 1.850,00 netto per maand, alsmede banen met een inkomen van € 1.100,00 à € 1.200,00 netto per maand. Zij heeft gesteld dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om een fulltime baan te vinden met een salaris dat substantieel hoger is dan het salaris dat zij nu verdient doch dat zij daarin niet is geslaagd. Schuldenares heeft in dit verband overzichten overgelegd betreffende de door haar verrichte sollicitaties. Tevens heeft zij een aantal sollicitatiebrieven overgelegd. Schuldenares heeft in dit verband, tot slot, nog naar voren gebracht dat zij geen afgeronde opleiding heeft.

2.9

De rechtbank overweegt dat schuldenares niettegenstaande de overgelegde sollicitatiebewijzen in onvoldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om een fulltime baan te vinden met een salaris dat substantieel hoger is dan het salaris dat zij nu verdient. Indien schuldenares zich aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting had gehouden, had zij vanaf aanvang regeling tot heden minimaal 80 sollicitaties moeten verrichten. Schuldenares heeft slechts 14 sollicitatiebrieven overgelegd, waarvan acht de naam en het adres van het bedrijf waar schuldenares solliciteerde, vermelden, twee haar huidige adres en zes haar oude adres, ondanks het feit dat schuldenares op dat moment al verhuisd was. Zes sollicitatiebrieven vermelden in het geheel geen adressen. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat schuldenares ernstig is tekortgeschoten in haar sollicitatieplicht en dat mitsdien niet kan worden gesteld dat schuldenares al hetgeen heeft gedaan om een zo’n hoog mogelijke uitkering aan crediteuren te bewerkstelligen.

2.10

Met dit oordeel komt de rechtbank toe aan de vraag of schuldenares indien zij zich wel had gehouden aan haar inspanningsplicht een hoger bedrag had kunnen afdragen dan het bedrag dat thans in het kader van het akkoord aan de schuldeisers is aangeboden, te weten € 4.104,00. Rekening houdend met het bedrag van € 1.500,00, zijnde de geschatte verkoopopbrengst van de auto van schuldenares, dient schuldenares naar het oordeel van de rechtbank gedurende de volledige looptijd van de schuldsaneringsregeling een bedrag van circa € 1.000,00 netto per maand te verdienen om min of meer hetzelfde bedrag voor de boedel te verwerven. Indien daarnaast rekening wordt gehouden met het hogere bewindvoerderssalaris over de gehele periode van de regeling dient schuldenares zelfs aanmerkelijk meer te verdienen dan € 1.000,00 netto per maand om tot eenzelfde uitkeringspercentage te komen als thans wordt aangeboden middels het akkoord. Gelet hierop, alsmede gelet op hetgeen schuldenares naar voren heeft gebracht omtrent haar arbeidsverleden, hetgeen zij eerder aan inkomen heeft verdiend, haar gebrek aan opleidingen en haar leeftijd acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat de baten van de boedel, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven zouden gaan, indien schuldenares zich wel aan haar sollicitatieplicht had gehouden.

2.11

Ter gelegenheid van de zitting is door de bewindvoerder nog naar voren gebracht dat uit de overgelegde bankafschriften volgt dat er maandelijks regelmatig contante stortingen plaatsvonden op de rekening van de schuldenares en haar partner. Volgens de bewindvoerder is onduidelijk waar deze stortingen betrekking op hebben.

Schuldenares heeft omtrent deze stortingen naar voren gebracht dat dit stortingen betreft door haar partner in verband met door hem ontvangen contante salarisbetalingen.

De rechtbank overweegt dat wat er verder ook zij van deze stortingen onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze stortingen dienen te worden aangemerkt als inkomen van schuldenares, dan wel dat deze stortingen anderszins in de boedel van schuldenares dienen te vallen. Niet gebleken is dat schuldenares nog over andere bronnen van inkomsten bezit dan haar hiervoor genoemde dienstverband bij Alfacheque.

2.12

De rechtbank overweegt, tot slot, dat er door de bewindvoerder geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd.

2.13

De slotsom luidt dan ook dat er onvoldoende reden is om de homologatie van het akkoord te weigeren en dat de rechtbank derhalve het door schuldenares aangeboden akkoord zal homologeren.

2.14

De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 3.103,32 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding (deels) als salaris opnemen.

3 De beslissing

De rechtbank:

homologeert het op 19 maart 2015 aangenomen akkoord;

stelt het salaris voor de bewindvoerder, inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezige actief tot een bedrag van maximaal € 1.256,80;

stelt het griffierecht vast op € 604,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.