Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8550

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
26-01-2016
Zaaknummer
C/02/291158 / HA ZA 14-886
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is een brandmeldinstallatie van een appartementengebouw roerend of onroerend? In dit geval zijn de eigenaren van het gebouw door natrekking eigenaar geworden van de installatie. Gebouw was onvoltooid zonder installatie. Deze was reeds door brandweer gekeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/255
RVR 2016/48
NJF 2016/152
Belastingblad 2016/231

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/291158 / HA ZA 14-886

Vonnis van 25 november 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE RAAD BOUW B.V.,

gevestigd te Katwijk,

eiseres,

advocaat mr. J. Weermeijer te Hoofddorp,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAK BEVEILIGING & ADVIEZEN B.V.,

gevestigd te Bruinisse, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. op 't Ende te Rotterdam.

Partijen zullen hierna De Raad en Hak worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 maart 2015 met de daarin genoemde stukken,

- de akte van 24 april 2015 houdende overlegging productie en CD-ROM zijdens

De Raad met producties 19 en 20,

- de akte van 24 april 2015 houdende overlegging producties zijdens De Raad met

producties 21 tot en met 23,

- het proces-verbaal van comparitie van 24 april 2015,

- de akte van 13 mei 2015 zijdens Hak met productie 9,

- de antwoordakte van 27 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Raad heeft in opdracht van De Raad Bouwontwikkeling B.V. (hierna: de opdrachtgever) het appartementencomplex De Bloem te Rijsburg (hoogbouw met zes verdiepingen en parkeergarage) gebouwd.

2.2.

Op 15 december 2012 is tussen De Raad en Trijselaar Vermeer B.V. (hierna: Trijselaar) een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, onder meer strekkende tot het door Trijselaar leveren en aanbrengen van een brandmeld- en ontruimingsinstallatie (hierna: de installatie) in het garagecomplex van Blok A van De Bloem (hierna: de garage).

2.3.

Hak heeft in opdracht van het met Trijselaar gelieerde bedrijf ETBN B.V. (hierna: ETBN) op basis van haar offerte van 5 oktober 2012 de installatie geïnstalleerd in de periode begin mei tot en met 21 mei 2014.

2.4.

Op 22 mei 2014 zijn Trijselaar en ETBN in staat van faillissement geraakt.

2.5.

Op 21 of 22 mei 2014 heeft Hak de installatie uit de garage weggehaald.

2.6.

In verband van het ontbreken van de installatie in de garage is de toegang tot de garage op 3 juni 2014 op last van de gemeente Katwijk door De Raad afgesloten.

2.7.

Op 4 juni 2014 heeft De Raad aan Rijndorp Installatie B.V. (hierna: Rijndorp) opdracht gegeven een brandmeldinstallatie in de garage aan te brengen tegen een prijs van

€ 26.000,- ex btw, hetgeen door Hak in onderaanneming is uitgevoerd. Hak heeft de installatie teruggeplaatst en op 6 juni 2014 aan De Raad opgeleverd.

3 Het geschil

3.1.

De Raad vordert samengevat - dat de rechtbank zal verklaren voor recht dat Hak onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan De Raad schade lijdt althans zal lijden, alsmede Hak te veroordelen aan De Raad te betalen een bedrag van € 36.139,14 te verhogen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2014, met veroordeling van Hak in de proceskosten.

3.2.

De Raad legt hieraan ten grondslag dat Hak door het zonder recht of titel weghalen van de installatie jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor zij schade heeft geleden en nog lijdt. Zij voert hiertoe aan dat de installatie naar verkeersopvattingen bestanddeel is geworden van het gebouw en door natrekking eigendom is geworden van de eigenaars daarvan. Nu Hak de installatie zonder toestemming heeft verwijderd heeft zij inbreuk gemaakt op hun eigendomsrecht. Afgezien hiervan is De Raad als hoofdaannemer, zoals blijkt uit artikel 7:758 BW, jegens de opdrachtgever verantwoordelijk en aansprakelijk voor al hetgeen op de bouwplaats voor de oplevering wordt uitgevoerd en/of onrechtmatig wordt weggehaald. Omdat zij slechts die appartementen aan de opdrachtgever had opgeleverd waarvoor deze reeds een koper had gevonden en de rest niet, was zij nog steeds aansprakelijk, ook wat betreft de nog niet volledig opgeleverde (voorzieningen in) de garage.

3.3.

Op 21 mei 2014 is de installatie, ook door de brandweer, in orde bevonden en voor gebruik vrijgegeven. De installatie is op 21 mei 2014 door Hak aan De Raad opgeleverd. De reden dat Hak de installatie heeft weggehaald, is het feit dat zij ermee bekend was geworden dat haar opdrachtgever failliet was gegaan en dat de installatie vermoedelijk dus niet zou worden betaald. Hak heeft dit op 23 mei 2014 aan De Raad telefonisch te kennen gegeven. Van noodzakelijke testen of storingen die nog moesten worden verholpen, was geen sprake.

3.4.

De door De Raad geleden schade bestaat uit de kosten voor een kraan voor de afsluiting van de garage, kosten Rijndorp, extra uren directie en medewerkers De Raad, gederfde inkomsten opdrachtgever wegens een week gesloten zijn van de garage en buitengerechtelijke incassokosten.

3.5.

Hak betwist onrechtmatig te hebben gehandeld. Omdat Hak storingen aan de installatie had vastgesteld, heeft zij deze op 21 mei 2014 deels verwijderd teneinde de installatie in haar bedrijf te testen en de storingen te verhelpen, hetgeen derhalve geen verband hield met de in r.o. 2.4. genoemde faillissementen waarmee Hak overigens eerst op 23 mei 2014 bekend is geworden. Op 21 mei was de installatie nog niet opgeleverd. Deze kan namelijk eerst plaatshebben wanneer het systeem door Hak deugdelijk is bevonden, hierbij tevens in aanmerking nemende dat Hak gebonden is aan strenge certificeringseisen. Op 21 mei 2014 was de installatie nog niet voltooid, laat staan goedgekeurd en door Hak opgeleverd, zodat artikel 7:758 BW toepassing mist. Na 21 mei 2014 is niemand van Hak meer op de bouwplaats verschenen.

3.6.

Afgezien hiervan werpt Hak op dat De Raad haar stelling dat sprake is van natrekking niet voldoende heeft onderbouwd. Nu de installatie nog niet was opgeleverd, kan naar verkeersopvattingen niet van natrekking worden gesproken. Overigens betwist Hak dat de installatie op 21 mei 2014 niet zonder beschadiging van betekenis van het gebouw af kon worden gehaald, nu deze toen nog niet aard- en nagelvast met het gebouw was verbonden. De kabels waren nog niet aangesloten en afgemonteerd. In het geval Hak de storingen niet had verholpen, was het gebouw ongeschikt geweest voor gebruik.

3.7.

Subsidiair beroept Hak zich op de algemene voorwaarden die deel uitmaken van haar overeenkomst met ETBN. Artikel 6.2 bevat een eigendomsvoorbehoud voor het geval de opdrachtgever, i.c. ETBN, niet volledig voldoet aan zijn betalingsverplichtingen. Hak is van opvatting dat de eigendom van de installatie pas overgaat naar de opdrachtgever op het moment dat deze heeft betaald. Nu nog niet was betaald, is Hak juridisch eigenaar gebleven, te meer waar de installatie nog niet volledig was verwerkt in de garage.

3.8.

Hak betwist voorts dat door De Raad schade is geleden. Afgezien hiervan heeft zij zich op 23 mei 2014 bereid verklaard de installatie binnen twee werkdagen te voltooien, te leveren en te installeren, waarbij zij - gelet op het faillissement van ETBN - zekerheid van betaling verlangde. Nu De Raad echter aanvankelijk niet toestond dat Hak haar werk voltooide, zijn de gevolgen daarvan voor rekening van De Raad.

3.9.

Ten aanzien van de vermeende schade betoogt Hak dat De Raad niet heeft aangetoond de kraannota ten behoeve van de afsluiting van de garage te hebben betaald, terwijl daarnaast reeds vóór 21 mei 2014 steigermateriaal voor de ingang van de garage lag, die overigens eenvoudig had kunnen worden afgesloten met het reeds geplaatste hek.

Schade geleden door het inschakelen van Rijndorp komt eveneens voor rekening van De Raad, waar Hak zich reeds op 3 juni 2014 bereid had getoond voor € 26.000,- de klus te klaren. Overigens kan De Raad hierdoor geen schade hebben geleden, waar zij nimmer aan Trijselaar dan wel ETBN de prijs voor de installatie heeft betaald, terwijl zij nu zelfs ruim

€ 12.000,- minder verschuldigd was aan Rijndorp. Bij toewijzing van de vordering zou

De Raad de installatie zelfs om niet verkrijgen.

Dat door medewerkers van De Raad extra uren zijn gemaakt, wordt eveneens door Hak betwist. Niet is onderbouwd wanneer en waaraan de uren zijn besteed, evenmin als de door De Raad genoemde uurtarieven.

Wat de gestelde schade als gevolg van het beweerdelijke niet kunnen gebruiken van de garage betreft, betoogt Hak dat De Raad zelf de oplevering van de installatie op 25 mei 2014 heeft verhinderd. Voorts heeft de oplevering plaatsgehad op 6 juni 2014, zodat de garage op zijn hoogst drie dagen buiten gebruik is geweest. Dat De Raad Bouwontwikkeling geen verhuur- en/of verkoopopbrengsten gedurende de betrokken periode heeft kunnen krijgen, wordt eveneens door Hak weersproken, evenals de juistheid van de door haar in rekening gebrachte tarieven, terwijl voorts niet is gebleken dat De Raad de factuur van

3 oktober 2014 van De Raad Bouwontwikkeling, die de indruk wekt van een schijnfactuur,

daadwerkelijk heeft betaald.

Ten slotte acht Hak geen grond aanwezig tot betaling van de gevorderde werkelijke advocaatkosten, nu geen sprake is van bijzondere verrichtingen.

4 De beoordeling

4.1.

Door De Raad is gesteld dat de installatie een bestanddeel is van het gebouw. Als maatstaf voor de beantwoording van de vraag of de weggenomen materialen en het gebouw naar verkeersopvattingen tezamen als één zaak moeten worden gezien, geldt het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt in de omstandigheid dat een gebouw en apparatuur in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd een aanwijzing voor een bevestigende beantwoording van die vraag. Hetzelfde geldt wanneer het gebouw uit een oogpunt van gebruik daarvan bij ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd.

4.2.

Vaststaat dat de door Hak in de garage aangebrachte installatie op 7 mei 2014 in een zodanige staat verkeerde dat zij, zoals blijkt uit de e-mail van 8 mei 2014 van het Team Toezicht en Handhaving van de gemeente Katwijk (productie 2 bij dagvaarding) kon worden getest. Op 21 mei 2014 is de installatie opnieuw door de brandweer gekeurd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bekabeling reeds bevestigd moet zijn geweest én aangesloten aan het elektriciteitssysteem, waar in het andere geval de installatie nog niet rijp zou zijn geweest voor keuring door de brandweer. De rechtbank acht voorts gegeven dat Hak op 21 of 22 mei 2014 de installatie volledig heeft verwijderd, waarvoor zij verwijst naar het besluit van de gemeente Katwijk van 3 juni 2014 (productie 4 bij dagvaarding) waar zij schrijft dat bij een controle op 28 mei 2014 die vaststelling is gedaan. Daarbij komt dat Hak op 23 mei 2014 naar eigen zeggen de installatie op 25 mei 2014 alsnog aan De Raad had kunnen leveren, hetgeen de aanwezigheid van storingen en tests die nog moesten worden uitgevoerd, niet aannemelijk maakt.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de eigenaars van het gebouw, zijnde de opdrachtgever en een aantal appartementsbewoners, door natrekking tevens eigenaars zijn geworden van de door Hak in mei 2014 geplaatste installatie. Weliswaar is gesteld noch gebleken dat het gebouw en de weggenomen installatie in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, doch de rechtbank is van oordeel dat een gebouw dat tevens bestemd is voor bewoning als onvoltooid moet worden beschouwd als daarin (onderdelen van) de brandmeldinstallatie ontbreken. Daaraan doet niet af dat de installatie op het moment van verwijdering nog niet bedrijfsklaar was, zoals Hak pretendeert. Dat het gebouw onvoltooid was, blijkt overigens genoegzaam uit het feit dat de gemeente Katwijk heeft gelast de garage gesloten te houden zolang de installatie zou ontbreken. Dit brengt met zich dat Hak door het weghalen van de installatie inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaars van het gebouw. Dit levert derhalve in ieder geval een onrechtmatige daad van Hak jegens de eigenaars op. Voor het geval sprake was van een eigendomsvoorbehoud op de installatie, zoals door Hak wordt betoogd, kan zij daaraan geen rechten ontlenen nu dit door de natrekking is ontkracht.

4.4.

De rechtbank overweegt voorts dat bij inbreuk op een subjectief recht in beginsel alleen de subjectief gerechtigde daaraan bescherming kan ontlenen. Dit laat onverlet dat de dader jegens een middellijk belanghebbende aansprakelijk is indien hij, door schending van een geschreven of ongeschreven norm, ook jegens deze onrechtmatig heeft gehandeld. Het betoog van De Raad dat het verwijderen van de installatie ook jegens haar onrechtmatig was, kan alleen dan slagen wanneer Hak bij het weghalen van de installatie rekening ermee had moeten houden dat De Raad daardoor schade zou lijden. Hak had naar het oordeel van de rechtbank kunnen begrijpen dat De Raad als hoofdaannemer aansprakelijk was voor de gevolgen van het verwijderen van de installatie. Hak had voorts kunnen begrijpen dat De Raad voortvarend stappen zou moeten nemen om alsnog in een deugdelijke brandmeldinstallatie te voorzien teneinde snel een einde te maken aan de niet toegestane onveilige situatie. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat ook Hak ermee bekend was dat een deel van de appartementen reeds werd bewoond. Dat het alsnog voorzien in en brandmeldinstallatie kosten met zich zou brengen, ligt voor de hand. Door het onrechtmatig verwijderen van de installatie heeft Hak derhalve niet alleen inbreuk gemaakt op de rechten van de eigenaars van het gebouw, doch ook onzorgvuldig jegens De Raad gehandeld.

4.5.

Ten aanzien van de door De Raad opgevoerde schadeposten overweegt de rechtbank als volgt:

Kosten kraanhuur € 720,-

4.6.

Met Hak is de rechtbank van oordeel dat het sluiten van het op productie 5 bij dagvaarding zichtbare hek voldoende moet zijn geweest om de garage, die op last van de gemeente dicht moest, af te sluiten, zulks nog afgezien van het feit dat de kosten van de kraanhuur op generlei wijze met verifieerbare bescheiden zijn onderbouwd. Overigens is op de foto te zien dat het bouwmateriaal niet vóór, maar aan de zijkant van de oprit naar de garage ligt.

Kosten opnieuw aangebrachte installatie € 26.000,-

4.7.

De Raad vordert een schadevergoeding gelijk aan het bedrag dat zij aan Rijndorp heeft moeten betalen voor het opnieuw monteren van de installatie. De rechtbank volgt Hak in haar stelling dat De Raad door de betaling aan Rijndorp geen schade heeft geleden, nu zij voor de installatie uiteindelijk minder heeft betaald dan hetgeen zou zijn betaald als de installatie door Hak niet verwijderd was, te weten circa € 38.000,- btw verlegd. De Raad heeft weliswaar betoogd dat zij vermogensschade lijdt nu zij haar vordering ad € 258.000,- op de failliete boedel van Trijselaar niet kan verrekenen met de factuur van Trijselaar voor de installatie, doch de rechtbank is van oordeel dat deze schade in redelijkheid niet aan de onrechtmatige gedraging van Hak kan worden toegerekend. Daarbij komt dat de vordering die De Raad pretendeert op de failliete boedel van Trijselaar te hebben, afgezien van een door De Raad zelf geproduceerd overzicht, op generlei wijze is onderbouwd, terwijl voorts niet blijkt dat zij de curator de termijn bedoeld in artikel 37 Fw heeft gesteld, noch dat de curator de vordering van De Raad heeft geplaatst op de lijst van voorlopig erkende crediteuren. Ten slotte heeft De Raad nagelaten informatie te verstrekken over de stand van de boedel. Het door De Raad als productie 17 overgelegde faillissementsverslag van 20 juni 2014 biedt over al deze punten geen uitsluitsel.

Extra uren directie en medewerkers De Raad € 6.400,-

4.8.

De rechtbank acht ook deze schadepost niet zoals gevorderd voor toewijzing vatbaar. De gehanteerde uurtarieven zijn niet met verifieerbare bescheiden, zoals een arbeidsovereenkomst of cao, geadstrueerd, terwijl voorts het aantal uren en de noodzaak van de gedeclareerde activiteiten onvoldoende zijn onderbouwd. Waar de rechtbank evenwel aannemelijk acht dat medewerkers van De Raad extra tijd hebben moeten spenderen aan het alsnog zo snel mogelijk geïnstalleerd krijgen van de installatie en het voeren van gesprekken hierover met de gemeente Katwijk en de brandweer, begroot de rechtbank de hieruit voortvloeiende kosten in redelijkheid op € 2.000,--. Dat Hak beweerdelijk heeft aangeboden op 25 mei 2014 de installatie alsnog op te leveren, verandert dit niet, nu zij daaraan een voorwaarde verbond, waaraan De Raad niet behoefde te voldoen. De rechtbank zal de wettelijke rente over dit bedrag toewijzen vanaf 22 mei 2014, zijnde de datum waarop de extra werkzaamheden een aanvang namen.

Inkomstenderving opdrachtgever € 2.353,85

4.9.

De rechtbank wijst deze schadepost af. De rechtbank volgt ook hier het verweer van Hak dat de door de opdrachtgever in rekening gebrachte tarieven niet zijn onderbouwd, terwijl voorts niet is aangetoond dat de factuur van de met De Raad gelieerde opdrachtgever daadwerkelijk is betaald. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan de overige weren van Hak op dit punt.

Buitengerechtelijke incassokosten € 665,83

4.10.

De rechtbank volgt het verweer van Hak dat niet is gebleken van werkzaamheden die meer omvatten dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Zij zal derhalve de onderhavige vordering van De Raad afwijzen.

4.11.

Gelet op hetgeen is overwogen zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht toewijzen, met de kanttekening dat haar van toekomstige schade niet is gebleken. Het ten titel van schadevergoeding toe te wijzen bedrag beperkt zich tot hetgeen uit r.o. 4.8 blijkt.

4.12.

Hak zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van De Raad op basis van het toegewezen bedrag op € 3.125,44, zijnde explootkosten € 81,44, griffierecht € 1.892,-- en salaris advocaat € 1.152,- (3 punten à € 384,-).

5 De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat gedaagde onrechtmatig jegens eiseres heeft gehandeld, waardoor eiseres schade heeft geleden,

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 mei 2014 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 3.125,44,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.M. Raaijmaakers-Rottier en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2015.