Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8539

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
AWB 15_4141
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:393, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Stichting Platform Keelbos is niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een omheining om een bosperceel. Volgens de Stichting is haar statutaire streven om homo-ontmoetingsplaatsen open te houden geraakt door de vergunning voor het plaatsen van het hek. Naar het oordeel van de rechtbank is de Stichting terecht niet als belanghebbende aangemerkt, reeds omdat het begrip homo-ontmoetingsplaats niet objectief begrensd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4141 WABOA

uitspraak van 30 december 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam stichting] , te [Vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: A.H.M.J. Mathijsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 mei 2015 (bestreden besluit) van het college waarbij haar bezwaar tegen een aan [Naam vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een perceelsomheining voor een perceel te [Plaats] niet-ontvankelijk is verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 november 2015.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M. van der Meer.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[Naam vergunninghouder] heeft op 24 april 2014 het bosperceel kadastraal bekend gemeente Goirle, sectie F, [Nummer1] en [Nummer2] gekocht. Het bosperceel is gelegen naast het perceel plaatselijk bekend [Adres1] te [Plaats] . Het bosperceel grenst aan de noordzijde aan de parkeerplaats “ [Naam parkeerplaats] ” langs de A58. Het noordelijk deel van het bosperceel werd op het moment van aankoop door [Naam vergunninghouder] al geruime tijd gebruikt als homo-ontmoetingsplaats. Voordat het perceel door [Naam vergunninghouder] werd aangekocht was het gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928 en daarom opengesteld voor het publiek.

Op 16 mei 2014 heeft [Naam vergunninghouder] bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een omheining aan de zuidzijde, westzijde en een deel van de noordelijke kant van het bosperceel.

Bij besluit van 28 oktober 2014 (primair besluit) heeft het college aan [Naam vergunninghouder] ten behoeve van het plaatsen van de omheining een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer BRE 14/7259 WABOA VV. Bij uitspraak van 22 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen, omdat eiseres onvoldoende spoedeisend belang had bij de door haar gevraagde voorziening.

Eiseres heeft haar bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van de commissie voor bezwaarschriften van 18 februari 2015.

Bij het bestreden besluit heeft het college overeenkomstig het advies van de adviescommissie het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college zijn de statuten van de stichting te algemeen en veelomvattend en is daarbij geen territoriale begrenzing aangebracht, terwijl niet is gebleken dat de feitelijk werkzaamheden van eiseres gericht zijn op het behartigen van het onderhavige belang in het bijzonder.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt.

3. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, Awb, is, voor zover hier van belang, de mogelijkheid om bezwaar te maken slechts voorbehouden aan belanghebbenden.

Blijkens artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

4. Alvorens toe te kunnen komen aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiseres, dient eerst (ambtshalve) te worden beoordeeld of het beroep ontvankelijk is. Een beroep is niet ontvankelijk, wanneer het procesbelang daarbij voor de eiser ontbreekt.

Volgens vaste jurisprudentie is slechts sprake van voldoende procesbelang, indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

Zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen in haar uitspraak van 22 januari 2015, is er in de bestaande afrastering aan de noordzijde van het bosperceel een doorgang gecreëerd, zodat niet kan worden gezegd dat het bosperceel na plaatsing van de vergunde omheining feitelijk niet meer toegankelijk is. De rechtbank acht desondanks voldoende gebleken van procesbelang bij het beroep, nu namens eiseres ter zitting is gesteld dat het beroep mede is ingesteld om te bewerkstelligen dat de homo-ontmoetingsplaats ook vanaf de kant van Goirle toegankelijk blijft.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Eiseres is een rechtspersoon. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Uit vaste jurisprudentie, zoals de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 oktober 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BF3911) volgt dat organisaties in het licht van algemene en collectieve belangen aan drie eisen dienen te voldoen om belanghebbende te zijn: zij moeten die belangen krachtens hun doelstellingen (1) en blijkens hun feitelijke werkzaamheden (2) in het bijzonder (3) behartigen. Het gaat hierbij om cumulatieve eisen.

Bij de eerste eis gaat het er om dat de behartiging van het belang in kwestie, dat wordt geraakt door het bestreden besluit, tot de doelstelling van de organisatie behoort. Daarbij is van belang of de doelstelling niet zo veelomvattend is, dat die onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de rechtspersoon rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken (verg. ECLI:NL:RVS:2008:BF3911).

Eiseres heeft in artikel 3 van haar statuten een aantal doelstellingen geformuleerd. Zo bepaalt het eerste lid dat de stichting ten doel heeft om te streven naar het opheffen van extremisme, intolerantie en discriminatie vanwege afkomst, geaardheid, sekse, handicap godsdienst en huidskleur en bepaalt het tweede lid dat de stichting ten doel heeft het waken over de verworven en opgebouwde rechten van minderheidsgroepen in het algemeen. Volgens eiseres zijn alle doelstellingen uiteindelijk te herleiden tot de doelstelling zoals geformuleerd in artikel 3, negende lid, van haar statuten. Daarin is bepaald dat de stichting ten doel heeft om te streven naar het open houden van homo-ontmoetingsplaatsen en de belangen behartigt van al de bezoekers van deze plaatsen. Het streven homo-ontmoetingsplaatsen open te houden wordt geraakt door het besluit tot vergunningverlening voor de plaatsing van een hekwerk rondom het bosperceel, aldus eiseres.

Nog los van de vraag of kan worden geoordeeld dat alle in eiseres’ statuten geformuleerde doelstellingen kunnen worden herleid tot het doel te streven naar het open houden van homo-ontmoetingsplaatsen en het doel de belangen te behartigen van al de bezoekers van deze plaatsen, is de rechtbank van oordeel dat artikel 3, negende lid, van de statuten op zichzelf onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van eiseres rechtstreeks bij het besluit tot vergunningverlening betrokken is. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het begrip homo-ontmoetingsplaats niet objectief begrensd is. Hoewel eiseres naar voren heeft gebracht dat enkel locaties die feitelijk als homo-ontmoetingsplaats in gebruik zijn door haar als homo-ontmoetingsplaats worden aangemerkt, is het uiteindelijk eiseres zelf die bepaalt of een locatie feitelijk als homo-ontmoetingsplaats wordt gebruikt. Dat eiseres heeft gesteld bij de beantwoording van de vraag of sprake is van feitelijk gebruik onder meer aansluiting te zoeken bij de Spartacus International Gay Guide 1979 en informatie op het internet doet daar niet aan af.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het eerste van de drie cumulatieve vereisten, zodat het college eiseres reeds daarom terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt en haar bezwaar terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.

Aan bespreking van de andere twee vereisten komt de rechtbank niet toe.

5. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2015. De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.