Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8502

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-12-2015
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
AWB 15_3907
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3907 AW

uitspraak van 28 december 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) van de minister inzake de terugvordering van haar bezoldiging.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 25 november 2015. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Zij is vanaf december 2010 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt.

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft de minister de doorbetaling van de bezoldiging stopgezet per 1 mei 2013, omdat eiseres onvoldoende meewerkt aan het noodzakelijk contact en het maken van goede afspraken in het kader van haar re-integratie. Bij besluit van 19 augustus 2013 heeft de minister aan eiseres met onmiddellijke ingang ontslag verleend. Eiseres heeft rechtsmiddelen ingesteld tegen deze besluiten, waarna de zaken uiteindelijk zijn voorgelegd aan de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

Bij besluit van 23 september 2014 (primair besluit I) heeft de minister aan eiseres laten weten dat de stopzetting van de bezoldiging en het ontslag te laat zijn verwerkt in het salarissysteem. Hierdoor heeft eiseres volgens de minister te veel salaris ontvangen. De minister vordert daarom een bedrag van € 3.459,42 van eiseres terug.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit I.

Bij besluit van 6 februari 2015 (primair besluit II) heeft de minister het terugvorderingsbedrag gewijzigd naar € 3.047,42. Gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het bezwaarschrift van eiseres tegen het primaire besluit I mede betrekking op het primaire besluit II.

Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften.

2. De minister stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. De aanspraak op bezoldiging is bij besluit van 8 mei 2013 stopgezet. Eiseres heeft daarna echter nog bezoldiging ontvangen. Dit had voor eiseres een aanwijzing moeten zijn dat zij hier geen recht op had en dat er dus onverschuldigd aan haar werd betaald. De minister was daarom bevoegd om een bedrag van € 3.045,42 van eiseres terug te vorderen.

3. Eiseres voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Er is geen sprake van onverschuldigde betaling. Daarnaast heeft de minister ten onrechte overwogen dat eiseres had moeten weten dat zij geen recht had op de bezoldiging die na 8 mei 2013 is betaald.

4. Artikel 116a van de Ambtenarenwet luidt als volgt:

Door de Staat of de openbare lichamen onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat er een discrepantie is tussen het terugvorderingsbedrag dat is genoemd in het primaire besluit II (€ 3.047,42) en het bedrag dat is genoemd in het bestreden besluit (€ 3.045,42). De rechtbank toetst het bestreden besluit. De rechtbank zal dan ook beoordelen of de minister in redelijkheid een bedrag van € 3.045,42 van eiseres heeft kunnen terugvorderen.

6. Indien de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, kan een bestuursorgaan in beginsel het onverschuldigd betaalde bedrag gedurende twee jaar na de dag van uitbetaling terugvorderen.

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft de minister de doorbetaling van de bezoldiging stopgezet per 1 mei 2013. Dit is pas later verwerkt in het salarissysteem, waardoor eiseres na 8 mei 2013 toch nog bezoldiging heeft ontvangen. Door het besluit van 8 mei 2013 wist eiseres of had zij redelijkerwijs kunnen weten dat zij te veel bezoldiging had ontvangen. De minister was dus bevoegd om het onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen.

7. Bij uitspraak van 10 september 2015 heeft de CRvB geoordeeld dat de minister bevoegd was om de doorbetaling van de bezoldiging stop te zetten per 1 mei 2013, en dat de minister in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De CRvB heeft verder geoordeeld dat het ontslag prematuur is geweest, zodat het ontslagbesluit moet worden vernietigd. Ter voorlichting aan partijen heeft de CRvB nog opgemerkt dat het in de rede ligt om aan het besluit tot stopzetting van de doorbetaling van de bezoldiging slechts betekenis toe te kennen tot aan de ontslagdatum van 19 augustus 2013.

Het gevolg van deze uitspraak is dat de minister bevoegd was om de onverschuldigd betaalde bezoldiging over de periode van 1 mei 2013 tot 19 augustus 2013 van eiseres terug te vorderen. Het college heeft bij brief van 11 november 2015 gesteld dat het terugvorderingsbedrag van € 3.045,42 ziet op die periode.

8. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de minister niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft mogen maken. Daarnaast heeft eiseres geen gronden ingediend die zien op de hoogte van het terugvorderingsbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook in redelijkheid een bedrag van € 3.045,42 van eiseres kunnen terugvorderen.

9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.