Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8376

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
AWB-15_4457
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:4335, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van politiefunctionaris tegen aanvankelijk weigering, later toekenning periodieken in verband met Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW). Artikelen 6:19 en 4:125 Awb. Aanpassen pensioengrondslag. Ingangsdatum wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4457 AW

uitspraak van 16 december 2015 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. N.D. Dane,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M.H.J. Gossen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 mei 2015 (bestreden besluit I) van de korpschef inzake periodieken in verband met Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW).

Naar aanleiding van het beroep heeft de korpschef bij besluit van 14 oktober 2015 (bestreden besluit II) aan eiser een vergoeding van wettelijke rente over de periode van 18 december 2014 tot het moment van uitbetaling toegekend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam bij de landelijke politie. In het kader van de invoering van het Landelijk functiegebouw nationale politie is eiser, die werkzaam was als wijkagent, met ingang van 1 januari 2012, overgegaan naar de functie ‘Senior GGP’, met salarisschaal 8.

Bij brief van 16 december 2014 (primair besluit I) heeft de korpschef aan eiser een uiteenzetting gegeven waaruit blijkt dat eiser geen aanspraak heeft op OVW-rechten.

Tegen de brief van 16 december 2014 en tegen de salarisspecificatie van december 2014 (primaire besluiten) heeft eiser bezwaar gemaakt. Hij meent in aanmerking te komen voor periodieken inzake OVW.

Bij bestreden besluit I heeft de korpschef het bezwaar gegrond verklaard. Overwogen is dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor het ontvangen van OVW-periodieken en hem is over de periode vanaf 1 januari 2012 een nabetaling van € 6.414,95 toegekend.

Bij bestreden besluit II heeft de korpschef aan eiser een aanspraak op wettelijke rente toegekend over de periode van 18 december 2014 tot 21 juni 2015.

2.1

Eiser heeft in beroep, samengevat, tegen bestreden besluit I aangevoerd dat verzuimd is inzichtelijk te maken op welke wijze het bedrag van € 6.414,95 tot stand is gekomen, dat ten onrechte is vastgesteld dat hij onvoldoende heeft gefunctioneerd, dat wettelijke rente dient te worden vergoed, dat zijn pensioengevend salaris dient te worden herzien en dat het Pensioenfonds ABP daarover dient te worden geïnformeerd.

2.2

Eiser heeft tegen bestreden besluit II aangevoerd dat ook wettelijke rente dient te worden vergoed over de periode van 1 januari 2012 tot 18 december 2014, nu aan artikel 9a van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) terugwerkende kracht is toegekend tot en met 1 januari 2012.

3. De rechtbank staat ambtshalve stil bij de vraag of eisers beroep mede betrekking heeft op bestreden besluit II. Anders dan de korpschef heeft overwogen, is bestreden besluit II geen besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bestreden besluit I wordt door bestreden besluit II immers niet ingetrokken, gewijzigd of vervangen. Toch heeft het beroep mede betrekking op bestreden besluit II nu dat besluit is aan te merken als een zogenoemde bijkomende beschikking als bedoeld in artikel 4:125 van de Awb.

4. Over de beroepsgrond dat verzuimd is inzichtelijk te maken op welke wijze het bedrag van de nabetaling van € 6.414,95 tot stand is gekomen overweegt de rechtbank dat de berekening van dat bedrag is overgelegd als gedingstuk 15 en dat in bestreden besluit II een samenvatting van die berekening is opgenomen, zodat de grond dat de berekening van de nabetaling niet inzichtelijk is gemaakt geen feitelijke grondslag heeft. Van het door eiser gestelde motiveringsgebrek is dan ook geen sprake.

Eiser heeft tegen de berekening als zodanig geen gronden aangevoerd.

5. Over de beroepsgrond dat ten onrechte is vastgesteld dat eiser onvoldoende functioneerde overweegt de rechtbank dat ter zitting namens de korpschef is verklaard dat in het primaire besluit ten onrechte is verondersteld dat sprake was van vastgesteld onvoldoende functioneren en dat van die vaststelling afstand is genomen omdat het oordeel over het functioneren niet was vastgelegd in een beoordeling.

De rechtbank overweegt dat de in het bestreden besluit gemaakte opmerkingen over het functioneren geen rechtsoordeel bevatten en zonder gevolgen blijven voor eisers aanspraken.

De beroepsgrond met betrekking tot de overwegingen over het functioneren slaagt dan ook niet.

6. Over de beroepsgrond dat het pensioengevend salaris dient te worden herzien en dat het Pensioenfonds ABP daarover dient te worden geïnformeerd volgt de rechtbank de opvatting van de korpschef, die hij ontleent aan de uitspraak van de CRvB van 23 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO9324), dat de weigering de pensioengrondslag aan te passen geen publiekrechtelijke rechtshandeling is. Dat is niet anders bij het al dan niet informeren van het Pensioenfonds ABP.

7. Ten aanzien van eisers standpunt over de ingangsdatum van de wettelijke rente overweegt de rechtbank dat de korpschef de wettelijke rente heeft doen ingaan op, wat hij genoemd heeft, het startmoment van de rechtspositionele aanspraak, 18 december 2014. Eiser stelt dat hij recht heeft op wettelijke rente vanaf 1 juni 2012 of een andere datum vóór 18 december 2014 omdat aan het recht op OVW-periodieken terugwerkende kracht is toegekend.

In artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

De rechtbank overweegt dat de wijziging van artikel 9a van het Bbp op 8 februari 2014 in werking is getreden. Weliswaar is aan die bepaling terugwerkende kracht toegekend, maar niet kan worden gezegd dat de korpschef eerder dan 8 februari 2014 OVW-periodieken had moeten toekennen en dat hij daarin in verzuim was.

Ten aanzien van de vraag vanaf welke datum de korpschef in verzuim was knoopt de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals de uitspraak van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012: BV1958). In die uitspraak wordt overwogen dat met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente in geval van periodiek te betalen uitkeringen of salaris met betrekking tot het tijdstip waarop deze periodieke betalingen moeten worden verricht tot uitgangspunt wordt genomen dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft.

Dit leidt tot de conclusie dat vanaf 1 maart 2014, zijnde de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de maand waarop de aanspraak op de periodieke betaling ontstond, wettelijke rente verschuldigd is.

Het betoog van de korpschef dat de invoering van het LFNP én de inwerkingtreding van de OVW-regeling zoveel werkzaamheden met zich brachten dat, rekening houdend met een redelijke termijn, niet eerder dan in december 2014 tot betaling kon worden overgegaan, is geen reden om van bovengenoemd uitgangspunt af te wijken.

De beroepsgrond met betrekking tot wettelijke rente slaagt. De korpschef dient aan eiser wettelijke rente te vergoeden over de periode die begint op 1 maart 2014. Zoals de CRvB in de uitspraak van 25 januari 2012 heeft overwogen is over iedere verdere termijn de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daarop volgende kalendermaand. Bij de berekening moet worden uitgegaan van het brutobedrag van de betrokken termijn. Tevens dient, voor iedere termijn afzonderlijk, telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De aldus berekende wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

8. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond dient te worden verklaard, en dat het beroep tegen bestreden besluit II gegrond dient te worden verklaard. Bestreden besluit II dient te worden vernietigd voor zover bij dat besluit de ingangsdatum van de vergoeding van wettelijke rente is vastgesteld op 18 december 2014. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, aldus dat de ingangsdatum van de vergoeding van wettelijke rente wordt vastgesteld op 1 maart 2014.

9. Met betrekking tot eisers verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van andere schade dan de schade die vergoed wordt door de wettelijke rente. Er is daarom geen aanleiding tot een verdergaande veroordeling tot schadevergoeding.

10. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

11. De rechtbank zal de korpschef veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit II voor zover bij dat besluit de ingangsdatum van de wettelijke rente is vastgesteld op 18 december 2014;

  • -

    stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op 1 maart 2014;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit II;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

  • -

    draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. E.S.M. van Bergen en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.