Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8331

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
AWB 15_3835
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:2770, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3835 WW

uitspraak van 15 december 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) van het UWV inzake de vaststelling van zijn dagloon inzake de Werkloosheidswet (WW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 6 november 2015. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 11 november 2013 heeft eiser zich ziek gemeld bij zijn werkgever, die de ziekmelding op 12 november 2013 middels een formulier heeft doorgegeven aan het UWV. De werkgever heeft hierbij het (verkeerde) kalenderjaar, namelijk 2012, ingevuld. Aan eiser is per 2 december 2013 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Op basis van de referteperiode van 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2012 is vervolgens het dagloon van eiser berekend op € 166,76.

Nadat de werkgever het kalenderjaar had gecorrigeerd, is door het UWV een herberekening gemaakt van het dagloon van eiser, met als resultaat een dagloon van € 82,00. Bij besluit van 3 januari 2014 is het dagloon van eiser echter vastgesteld op € 169,24.

Bij besluiten van 20 maart 2014, 23 april 2014 en 28 mei 2014 is bepaald dat een gedeelte van de inkomsten uit arbeid van eiser wordt gekort op zijn WW-uitkering.

Bij besluit van 23 oktober 2014 is de ZW-uitkering van eiser per 11 november 2014 beëindigd. Aan dit besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen.

Op 3 december 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering.

Bij besluit van 17 december 2014 (primair besluit) heeft het UWV aan eiser een WW-uitkering toegekend. Daarbij is het dagloon vastgesteld op € 82,96.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft aangevoerd dat het dagloon te laag is vastgesteld. In de ZW-uitkering werd een dagloon gehanteerd van € 169,24, zodat het vooralsnog niet begrijpelijk waarom het dagloon nu lager is vastgesteld.

3. In artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW is bepaald dat werkloos de werknemer is die in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek.

Artikel 45, eerste lid, van de WW bepaalt dat voor de berekening van de uitkering waarop op grond van dit hoofdstuk recht bestaat, als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden, docht ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Het tweede lid bepaalt dat, onder meer wanneer de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan zo nodig bij algemene maatregel van bestuur afwijkende regels worden gesteld.

Aan artikel 45, eerste lid, van de WW is invulling gegeven met het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit).

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Dagloonbesluit bepaalt dat onder aangiftetijdvak wordt verstaan het tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen betrekking heeft dan wel, indien de werkgever over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald van één maand of vier weken of herleid tot één maand of vier weken.

Het tweede lid bepaalt dat voor de toepassing van dit besluit maandag de eerste dag van de kalenderweek is en de eerste vijf dagen van de kalenderweek dagloondagen zijn.

Artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat onder refertejaar wordt verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte of het arbeidsverlies is ingetreden.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder loon in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), genoten in het refertejaar uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden.

Artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat voor de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

Artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat het dagloon voor uitkering op grond van de ZW de uitkomst is van de volgende berekening:

[(A - B) x 108/100 + C/D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in het refertejaar heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.

Het vierde lid bepaalt dat D, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden een of meer aangiftetijdvakken kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof, arbeidsongeschiktheid of ziekte, in afwijking van het eerste lid, voor het aantal dagloondagen van de aangiftetijdvakken staat waarin wel loon is genoten.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep met betrekking tot de berekening van het dagloon dezelfde gronden heeft ingediend als in de bezwaarfase. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV in het bestreden besluit voldoende en adequaat toegelicht hoe het dagloon is berekend. De rechtbank wil hierbij nog wel opmerken dat, zoals door het UWV ter zitting is toegelicht, het dagloon € 80,31 dient te zijn en niet € 82,96, dat is genoemd in het primaire besluit en het verweerschrift. Dat het dagloon van € 80,31 niet juist zou zijn berekend, is door eiser niet onderbouwd bestreden. Vanwege de omstandigheid dat eiser door het maken van bezwaar niet op het dagloon mag achteruit gaan, heeft het UWV bij de WW-uitkering het foutief berekende dagloon van € 82,96 gehandhaafd.

De rechtbank volgt het UWV in zijn toelichting dat de oorspronkelijke berekening van het dagloon van € 169,24 niet juist is geweest, omdat destijds ten onrechte is uitgegaan van een andere referteperiode vanwege de ziekmelding per november 2012, terwijl er sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid per 12 november 2013.

5. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. Roestenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.