Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:827

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
13-02-2015
Zaaknummer
15/472
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting loods. Eén lokaliteit? Nee, geen functioneel te onderscheiden ruimtes. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/472 WET VV

uitspraak van 13 februari 2015 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

  1. [naam verzoeker1]., te [plaatsnaam], verzoekster I,

  2. [naam verzoeker2], te [plaatsnaam], verzoeker II,

  3. [naam verzoeker3], te [plaatsnaam], verzoeker III,

  4. [naam verzoeker4], te [plaatsnaam], verzoeker IV,

gezamenlijk verzoekers

gemachtigde: mr. drs. A.Ch. Osté,

en

de burgemeester van de gemeente Gilze en Rijen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 januari 2015 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van het bedrijfspand aan de [adres] te [plaatsnaam] voor de periode van 6 maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 februari 2015. Namens verzoekster I is [naam directeur] (directeur) verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster I is eigenaresse van een bedrijfspand gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam]. De bedrijfsloods is opgedeeld in meerdere ruimtes, die zij verhuurt. Verzoekers II en III huren ruimtes in dit bedrijfspand. Verzoeker IV is huurder van een ruimte aan de [adres], maar is voor de toegang tot zijn ruimte aangewezen op de toegangsdeuren van het bedrijfspand aan de [adres].

Op 12 december 2014 heeft de politie Zeeland-West-Brabant in één van de verhuurde ruimtes in de bedrijfsloods drie kartonnen dozen aangetroffen met, zoals later bleek, 265 hennepstekken.

Bij brief van 19 december 2014 heeft de burgemeester verzoekster I medegedeeld voornemens te zijn om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 13b van de Opiumwet en een last onder bestuursdwang aan verzoekster I op te leggen ertoe strekkende dat het bedrijfspand aan de [adres] in [plaatsnaam] moet worden gesloten en afgesloten moet worden gehouden voor een periode van een half jaar. De overige verzoekers zijn op 22 december 2014 schriftelijke geïnformeerd over dit voornemen van de burgemeester.

Verzoekster I en verzoeker IV hebben daartegen, ieder afzonderlijk, hun zienswijze kenbaar gemaakt. De burgemeester heeft in deze zienswijzen geen aanleiding gezien van zijn voornemen af te wijken. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekster I gelast om het pand aan de [adres] in [plaatsnaam] (kadastraal bekend [kadastrale gegevens] en [kadastrale gegevens]) te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van 6 maanden met ingang van uiterlijk 5 februari 2015, op straffe van het toepassen van bestuursdwang.

Bij brief van 27 januari 2015 hebben verzoekers hiertegen bezwaar gemaakt en gelijktijdig een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening heeft de burgemeester besloten de begunstigingstermijn te verlengen tot een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

2. Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat het bedrijfspand te verdelen is in compartimenten zodat niet de hele loods gesloten hoeft te worden en sprake is van strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. De burgemeester heeft nagelaten de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Daarnaast is sprake van een onnodig zware sanctie, zeker nu de burgemeester middels het inzetten van andere media ook zijn doel kan bereiken.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4.1

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

De rechtbank stelt vast dat verzoekers de overtreding niet betwisten. De burgemeester was derhalve bevoegd om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de sluiting van het lokaal te gelasten.

4.2

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de burgemeester in dit geval bevoegd was om het gehele bedrijfspand [adres] te sluiten. In dat kader speelt de vraag wat in dit geval als ‘lokaal’ in de zin van artikel 13b moet worden beschouwd. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of sprake is van functioneel te onderscheiden ruimtes in de bedrijfsloods. Verzoekers hebben daartoe aangevoerd dat de softdrugs is aangetroffen in een middels houten schotten van de rest van de loods afgescheiden ruimte, die beschikt over een aparte toegangsdeur.

Op grond van de overgelegde tekeningen en de toelichting daarop ter zitting, staat voor de voorzieningenrechter staat vast dat alle ruimtes met elkaar in verbinding staan. De verhuurde ruimte- waarin de hennepstekken zijn aangetroffen is weliswaar door middel van houten schotten en/of bouwhekken van de rest van de loods gescheiden , maar dat maakt de ruimte niet tot een zelfstandige lokaal. Ook het feit dat sprake was van een aparte toegangsdeur, maakt dit niet anders. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn alle ruimtes in de bedrijfsloods om die reden tezamen te beschouwen als lokaal in de zin van de Opiumwet. Nu in een gedeelte van dat lokaal een hoeveelheid softdrugs is aangetroffen, was de burgemeester bevoegd om op grond van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van het gehele bedrijfspand over te gaan.

5.1

Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet beschikt de burgemeester over beleidsvrijheid. De burgemeester heeft invulling gegeven aan die beleidsvrijheid, middels vaststelling van de beleidsregel “Damoclesbeleid gemeente Gilze en Rijen” (de beleidsregels). Hierin is bepaald dat – zakelijk weergegeven – na een eerste overtreding in een lokaal waarbij drugshandel ten aanzien van softdrugs wordt geconstateerd, het lokaal voor de duur van zes maanden wordt gesloten.

5.2

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:BN6187) de rechter sluitingsbevelen die zijn genomen krachtens artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet op terughoudende wijze dient te toetsen.

Met betrekking tot het gebruikmaken van zijn sluitingsbevoegdheid heeft de burgemeester aangegeven dat hij altijd overgaat tot sluiting van een bedrijfspand indien daar een handelshoeveelheid softdrugs wordt aangetroffen. Een feitelijke sluiting wordt door hem gezien als het meest geëigende middel om de beleidsdoelen te bereiken. Het alleen maar inzetten van andere media, zoals verzoekers aanvoeren, is in de ogen van de burgemeester hiervoor ontoereikend.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit in overeenstemming met de niet onredelijk te achten beleidsregels dat bij een eerste overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een bedrijfspand voor een periode van zes maanden gesloten zal worden.

5.2

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb dient de burgemeester als bestuursorgaan te handelen overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het op de weg van verzoekers ligt om te wijzen op gegevens waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van bijzondere omstandigheden en onevenredig zware gevolgen. Aan die bewijslast hebben verzoekers niet voldaan. Zij hebben slechts gewezen op de grote financiële gevolgen die deze maatregel voor hen heeft en het feit dat hen geen verwijt kan worden gemaakt.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de omstandigheid dat verzoekers door de sluiting van het bedrijfspand voor de duur van zes maanden financieel nadeel zullen leiden, inherent is aan de opgelegde maatregel en moet worden geacht bij de vaststelling van het beleid te zijn meegewogen.

Voor zover verzoekster I heeft gesteld dat haar geen verwijt kan worden gemaakt, omdat zij haar pand - overeenkomstig de uitlatingen van de burgemeester tijdens een informatiebijeenkomst- regelmatig heeft geïnspecteerd, overweegt de voorzieningenrechter dat de persoonlijke verwijtbaarheid van de verhuurder geen rol speelt bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van het bedrijfspand noopt. Het betreft immers geen persoonsgebonden maar objectgebonden besluit.

Ook de tot slot door verzoekers aangedragen omstandigheid dat verzoeker IV via deze maatregel de toegang tot zijn huurruimte aan de [adres] onmogelijk wordt gemaakt, is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat afgezien moet worden van toepassing van de beleidsregels

7. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om schorsing van het bestreden besluit moet worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.