Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8226

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4266
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

‘Gebruik’ in de zin van de Experimentenwet BI-zones

Het enkel (ver)huren van een onroerende zaak is, gelet op de wetsgeschiedenis en de ter zake geldende jurisprudentie, onvoldoende om te worden aangemerkt als ‘gebruik’ in de zin van artikel 1, vierde lid, van de Experimentenwet BI-zones en de daarop gebaseerde Verordening.

Anders dan belanghebbende heeft betoogd, kan degene die de onroerende zaak van belanghebbende huurt dan ook niet als belastingplichtige voor de BIZ-bijdrage worden aangemerkt. De BIZ-bijdrage is derhalve terecht van belanghebbende als eigenaar geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0672
V-N Vandaag 2016/535
V-N 2016/22.18.27
Belastingblad 2016/157 met annotatie van J.P. Kruimel
mr. H. de Jong annotatie in NTFR 2016/1188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 15/4266

uitspraak van 17 december 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 16 juni 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag BIZ-bijdrage van de gemeente Bergen op Zoom voor het kalenderjaar 2014 (hierna: de aanslag BIZ).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2015.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] en namens de heffingsambtenaar, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats Y] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak heeft een horecabestemming en wordt sinds 1994 door belanghebbende verhuurd aan [A BV] (hierna: [A BV]). [A BV] verhuurt de onroerende zaak onder aan derden die in de onroerende zaak een horecaonderneming exploiteren.

2.2.

De aanslag BIZ is met dagtekening 31 december 2014 aan belanghebbende opgelegd en bedraagt € 475. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag BIZ gehandhaafd.

2.3.

In geschil is of de aanslag BIZ terecht aan belanghebbende is opgelegd.

2.4.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Experimentenwet BI-zones (wettekst 2014, hierna: de Wet BIZ) kan de gemeenteraad onder de naam BIZ-bijdrage een heffing instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (de zogenoemde BI-zone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de BIZ-bijdrage een belasting is die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt de BIZ-bijdrage geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken. In het vierde lid van artikel 1 van de Wet BIZ is bepaald: “De verordening kan bepalen dat indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, de desbetreffende BIZ-bijdrage wordt geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft”. Deze bepaling is bij amendement in de Wet BIZ gevoegd (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 430, nr. 10) en dat amendement is als volgt toegelicht: “In sommige gevallen is er, als gevolg van leegstand, geen sprake van een gebruiker in de zin van de wet. Volgens deze wijziging kan de eigenaar in die situatie voor de BGV-heffing worden aangeslagen. Deze krijgt dan eenzelfde positie (dus ook qua draagvlakmeting en dergelijke) als een gewone gebruiker bij het wetsvoorstel. Dat is redelijk, omdat eigenaren die hun eigendom niet gebruiken doorgaans meeprofiteren van de investeringen van gebruikers in leefbaarheid, veiligheid en andere publieke belangen.”

2.5.

De gemeenteraad van [plaats Y] heeft op 21 december 2010 de ‘Verordening BI-zone centrum [plaats Y] 2011’ vastgesteld (hierna: de Verordening). Deze Verordening is gebaseerd op de Wet BIZ. In artikel 4, vierde lid, van de Verordening is bepaald: “ Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, wordt de BIZ-bijdrage geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is”.

2.6.

De heffingsambtenaar stelt dat de aanslag BIZ op grond van artikel 4, vierde lid, van de Verordening terecht aan belanghebbende als eigenaar is opgelegd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik was omdat de onroerende zaak toen niet door [A BV] was (onder)verhuurd. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag BIZ ten onrechte aan haar is opgelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de onroerende zaak op 1 januari 2014 was verhuurd aan [A BV], zodat de onroerende zaak door [A BV] werd gebruikt en [A BV] moet worden aangemerkt als belastingplichtige voor de BIZ-bijdrage. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.6.1.

In artikel 1, vijfde lid, van de Wet BIZ is artikel 220b, eerste lid, van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing verklaard. In deze laatste bepaling wordt verwezen naar het begrip ‘gebruik’ in de zin van artikel 220, onderdeel a, van de Gemeentewet. Dit betekent dat voor de uitleg van het begrip ‘gebruik’ in de zin van de Wet BIZ moet worden aangesloten bij hetzelfde begrip uit de Gemeentewet.

Ter zake van ‘gebruik’ in de zin van de Gemeentewet is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3.) opgemerkt - voor zover hier van belang -:

“(…) De wijziging van de term 'feitelijk gebruiken' in 'gebruiken' betekent overigens niet, dat de gebruikersbelasting ook kan worden geheven ter zake van leegstaande objecten. Een leegstaand object, dat wil zeggen een object dat echt leeg staat, en dat dus geen meubilair en

dergelijke bevat, wordt ook niet gebruikt in de zin van artikel 219, onderdeel a. Dit is slechts anders indien een genothebbende krachtens een zakelijk recht zijn object bewust leeg laat staan met de bedoeling het voor bepaalde doeleinden voor zichzelf ter beschikking te houden. Een voorbeeld wordt gevormd door opslagplaatsen die door de Staat beschikbaar worden gehouden voor gebruik in oorlogstijd (Hof Amsterdam 24 januari 1983, nr. 3212/81, Belastingblad 1983, p. 272). Ondanks die leegstand kan niet worden gesteld dat dergelijke objecten niet worden gebruikt. (…)”.

De Hoge Raad heeft in onderdeel 3.3 van zijn arrest van 6 januari 2012, nr. 10/02780 (ECLI:NL:HR:2012:BV0250, BNB 2012/60) geoordeeld: “Als gebruiker van een onroerende zaak in de zin van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet kan worden aangemerkt degene die de zaak metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften (vgl. HR 7 oktober 1998, nr. 33767, LJN AA2318, BNB 1999/5). Daarvan is geen sprake in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende sedert de verwerving van percelen bouwgrond op of aan de onroerende zaak zelf nog in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht en deze slechts aanhoudt in afwachting van het definitief vaststaan van de voor de voorgenomen bouwactiviteiten vereiste vergunningen. De enkele omstandigheid dat de onroerende zaak intussen aan belanghebbende ter beschikking stond is op zichzelf onvoldoende om belanghebbende als gebruiker in voormelde zin te kunnen aanmerken (vgl. HR 22 juli 1985, nr. 22649, BNB 1985/258).”

2.6.2.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het enkel (ver)huren van een onroerende zaak onvoldoende is om te worden aangemerkt als ‘gebruik’ in de zin van de Gemeentewet, en dus ook in de zin van de Verordening. Anders dan belanghebbende heeft betoogd, kan [A BV] dan ook niet als belastingplichtige voor de BIZ-bijdrage worden aangemerkt.

2.6.3.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de onroerende zaak op 1 januari 2014 niet door [A BV] was onderverhuurd en dat op die datum geen (horeca)onderneming werd gedreven in de onroerende zaak. De rechtbank acht dat, gelet op de door de heffingsambtenaar overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel, aannemelijk. Nu ook anderszins niet is gesteld of is gebleken dat de onroerende zaak op

1 januari 2014 feitelijk werd gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat de onroerende zaak op die datum niet in gebruik was. Dit betekent dat, nu vast staat dat belanghebbende op

1 januari 2014 eigenaar was van de onroerende zaak, de aanslag op grond van artikel 4, vierde lid, van de Verordening terecht aan haar is opgelegd.

2.7.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.8.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2015 door mr. J.W.M. Tijnagel, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.