Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8155

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
AWB 15_3861
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:3872, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit) van het UWV inzake haar aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3861 ZW

uitspraak van 9 december 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Brosius,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit) van het UWV inzake haar aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 28 oktober 2015, tegelijkertijd met dat in de beroepszaak van eiseres met zaaknummer 15/3901. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is werkzaam geweest als medewerker montage/inpak gedurende 25 uur per week in WSW-verband. Voor dat werk is zij op 2 januari 2013 (gedeeltelijk) uitgevallen vanwege buik- en rugklachten. Met ingang van 1 januari 2014 zijn de werkzaamheden van eiseres beëindigd.

Het UWV heeft aan eiseres een ZW-uitkering toegekend. Bij besluit van 20 januari 2014 heeft het UWV eiseres hersteld verklaard en de ZW-uitkering beëindigd met ingang van

21 januari 2014. Het hiertegen gerichte bezwaar heeft het UWV op 3 maart 2014 ongegrond verklaard. Het hiertegen gerichte beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 10 oktober 2014 ongegrond verklaard (procedurenummer 14/1885). Eiseres heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld.

Op 17 februari 2014 is eiseres opnieuw uitgevallen vanwege maag/darmproblemen. Hiervoor is zij op 22 februari 2014 geopereerd.

Bij besluit van 22 januari 2015 (primair besluit) heeft het UWV de ZW-uitkering van eiseres met ingang van 9 januari 2015 beëindigd, omdat zij weer arbeidsgeschikt wordt geacht.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. In geschil is of het UWV terecht de ZW-uitkering van eiseres heeft

beëindigd per 9 januari 2015.

3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder stelt eiseres dat ten onrechte de laatste arbeid als maatgevende arbeid is aangemerkt. Eiseres heeft in die arbeid heel veel verzuimd en deze WSW-arbeid bestaat ook niet meer. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met de lichamelijke en psychische beperkingen. De rapporten van de behandelend artsen zijn volgens eiseres onvoldoende betrokken.

4. De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Ingevolge artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

5. De rechtbank stelt vast dat het werk als medewerker montage/inpak als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt.

De rechtbank ziet in dit geval geen reden om niet uit te gaan van de medewerker montage/inpak als laatst verrichte arbeid. Dat eiseres tijdens haar dienstverband van 1,5 jaar maar twee maanden werkzaam is geweest, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank is niet gebleken dat deze arbeid reeds bij aanvang ongeschikt was voor eiseres.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat WSW-arbeid niet meer beschikbaar is overweegt de rechtbank dat dat naar haar oordeel niet relevant is. Het gaat immers om geschiktheid voor de laatstelijk verrichte arbeid. De vraag of deze arbeid na de hersteldverklaring ook weer feitelijk kan worden verkregen, is niet van belang voor het antwoord op de vraag of eiseres arbeidsgeschikt is.

6. Het bestreden besluit is gebaseerd op een onderzoek door een verzekeringsarts, een arbeidsdeskundige, een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige.

De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur en het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er geen ernstige pathologie te objectiveren is. Er is wel een consistent verhaal over de pijn in de buikwand. Hierdoor acht de verzekeringsarts het aannemelijk dat eiseres geen handelingen meer kan verrichten waarbij de buikwand spanning oploopt. Eiseres is daardoor aangewezen op licht werk waarbij ze niet zwaar hoeft te tillen of dragen, geen schokken of zware trillingen in de buik heeft en niet diep hoeft te bukken. De verzekeringsarts heeft op 12 november 2014 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.

De arbeidsdeskundige concludeert op basis van de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen dat eiseres geschikt is voor de maatgevende arbeid als productiemedewerker in WSW-verband. Haar belastbaarheid past binnen de belasting van de functie. Het betreft fysiek licht, zittend werk; eiseres kan regelmatig vertreden en de in te pakken of te monteren materialen worden door anderen aangeleverd, waardoor ze niet meer dan 5 kg hoeft te tillen/dragen. Er komen geen zware trillingen op de buik of buikwand voor. Er is geen sprake van een medische urenbeperking.

In zijn rapportage van 12 januari 2015 geeft de verzekeringsarts aan dat eiseres na zijn eerdere beoordeling is opgenomen in het ziekenhuis. Volgens de verzekeringsarts is er slechts sprake van een tijdelijke terugval, als gevolg van een laag HB-gehalte/anemie, geweest. Volgens de verzekeringsarts is de FML van 12 november 2014 nog steeds juist.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts de beschikbare medische gegevens, waaronder de door eiseres ingebrachte informatie van [zorginstelling] en met betrekking tot de WSW-arbeid/indicatie, bestudeerd. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts eiseres gezien op de hoorzitting. De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat uit de stukken blijkt dat eiseres naast lichamelijke klachten ook psychische klachten heeft. Er is sinds 7 januari 2015 sprake van dagbehandeling voor psychische klachten, één dag per week. Op grond van de klachten, de bevindingen bij onderzoek en de gestelde diagnose zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts de volgende beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren van toepassing te achten: werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, omgaan met conflicten is beperkt en een urenbeperking is aan de orde, omdat eiseres verminderd beschikbaar is vanwege behandeling (één dag per week). Daarnaast ziet de bezwaarverzekeringsarts aanleiding om de eerder door het UWV in het kader van de WSW-indicatie gestelde beperkingen te volgen: vaste, bekende werkwijzen (routineafhankelijk), rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of intensieve begeleiding. Wat betreft de fysieke belastbaarheid ziet de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts te herzien. Eiseres heeft geen nieuwe medische feiten aangedragen die bij de verzekeringsarts nog niet bekend waren. De fysieke belastbaarheid werd zorgvuldig en adequaat vastgesteld. De verzekeringsarts heeft eiseres op het spreekuur gezien, de ervaren klachten en beperkingen in kaart gebracht en eigen onderzoek verricht. Daarnaast werd informatie van de behandelaars in de beoordeling meegewogen. De verzekeringsarts had een volledig beeld van de medische feiten en de gevolgen daarvan op het functioneren van eiseres en heeft de geclaimde fysieke beperkingen volgens de bezwaarverzekeringsarts op juiste wijze ten opzichte van de onderliggende medische feiten gewogen. De bezwaarverzekeringsarts stelt op 25 maart 2015 een gewijzigde FML vast.

De bezwaararbeidsdeskundige komt met inachtneming van de gewijzigde FML tot de conclusie dat de maatgevende arbeid geschikt is voor eiseres.

7. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Eiseres heeft aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar lichamelijke en psychische beperkingen en dat de rapporten van de behandelend artsen onvoldoende zijn betrokken. Eiseres heeft in beroep echter niet geëxpliciteerd noch met (medische) stukken onderbouwd in wat voor zin onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen en die rapporten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in ieder geval de door eiseres gestelde klachten ten aanzien van maag, darm, buik en psyche bij zijn beoordeling betrokken. Voorts heeft hij informatie van de specialisten inclusief die van [zorginstelling] betrokken en de beperkingen die in het kader van de WSW-indicatie zijn gesteld, meegenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen met inachtneming van de conclusies van de verzekeringsartsen afdoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat eiseres geschikt is om haar eigen arbeid te verrichten. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiseres heeft beëindigd per 9 januari 2015.

8. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

9. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.