Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8125

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
12-700175-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking door voormalig medewerkster van tandartspraktijk. Strafmaat. Proceshouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 12/700175-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. P.W. Bakkum, advocaat te Zierikzee.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 december 2015, waarbij de officier van justitie mr. R.C.P. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 31 januari 2008,

althans in elk geval in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met

31 januari 2008 te Sint Jansteen, gemeente Hulst, en/of (elders) in Nederland,

opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 56.931,62

EUR, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat/die geheel of ten dele

toebehoorde(n) aan tandartspraktijk [naam praktijk] en/of de maatschap

[naam maatschap] en/of [naam 1] en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar

persoonlijke dienstbetrekking van/als balieassistente/receptioniste/

administratief medewerkster, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich

had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door

met behulp van een bankpas - welke haar werkgever [naam 1] en/of [naam 2] aan

haar had gegeven/verstrekt - meermalen contant gelden op te nemen van de

bankrekeningnummers [nummer 1] van tandartsenpraktijk [naam praktijk] en/of

[nummer 2] van de maatschap [naam maatschap]

en/of

deze opgenomen contante gelden niet geheel in de kas van genoemde

tandartsenpraktijk en/of maatschap heeft gestort en/of (vervolgens)

(gedeeltelijk) contant op een aan haar, verdachte [en/of haar echtgenoot],

toebehorende bankrekening heeft gestort en/of

- ( een gedeelte van) die contante geldopnames in de administratie van haar

werkgever heeft verwerkt als zijnde privé uitgaven

en/of

- zonder toestemming van genoemde werkgever(s) extra salarisbetalingen aan

zichzelf heeft uitgekeerd en/of aan zichzelf een of meerdere loonsverhogingen

heeft toegekend.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in dienstbetrekking in de ten laste gelegde periode vele keren geld heeft verduisterd. Voor de hoogte van het verduisterde bedrag verwijst hij naar het bedrag dat is opgenomen in de ontnemingsrapportage.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van de tenlastegelegde feiten voor zover deze zien op de periode 1 januari 2003 tot en met eind 2005, alsmede van de ongeoorloofde extra salarisbetalingen en loonsverhogingen. Verdachte heeft gedurende haar gehele dienstverband bij [naam 1] (c.s.) gelden opgenomen voor haar werkgever. Deze hield geen deugdelijke kasadministratie bij. Het is niet aannemelijk dat verdachte na jaren nog een deugdelijke verklaring kan afleggen over geldelijke transacties. Daarom dienen haar verklaringen bij de politie over de feiten in de jaren 2003, 2004 en 2005 uit te worden gesloten van het bewijs.
De raadsman concludeert tot bewezenverklaring van verduistering in dienstbetrekking van 6.600 euro in de jaren 2006 en 2007.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bij de politie bekend dat zij gedurende haar dienstbetrekking bedragen heeft verduisterd. Deze verklaringen zijn door haar afgelegd nadat zij was geconfronteerd met de bankafschriften, waaruit opnamen van de rekening van maatschap [naam maatschap] en stortingen op haar eigen rekening blijken. Verdachte heeft deze transacties herkend en zij heeft erkend deze te hebben uitgevoerd. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om de afgelegde verklaringen van verdachte over de toegeëigende geldbedragen over de jaren 2003, 2004 en 2005 uit te sluiten van het bewijs. Verdachte heeft ook over deze jaren gedetailleerd verklaard. Het verweer wordt verworpen.

Verdachte was in de tenlastegelegde periode als balie-assistente, receptioniste en administratief medewerker werkzaam in de tandartsenpraktijk van [naam 1] , [naam 2] en de maatschap [naam maatschap] .1

[naam 1] heeft naar aanleiding van onderzoek door de accountant van de tandartsenpraktijk aangifte gedaan van verduistering van gelden door verdachte2.

Op 31 mei 2011, 1 juni 2011 en 2 juni 2011 is verdachte bij de politie gehoord.
Zij verklaarde dat er drie bankrekeningen waren, te weten van tandarts [naam 1] , van tandarts [naam 2] en van de maatschap [naam maatschap] , dat zij van elke bankrekening een pasje had en die gebruikte voor het verrichten van betalingen via telebankieren en voor het opnemen van kasgeld. Verdachte heeft toegegeven dat zij transacties deed die zij zelf benoemt als verduistering in dienstbetrekking3.

Verdachte beschikte over de bankrekeningen ING [nummer 3] en Rabobank [nummer 4]4.
Verdachte bevestigde de volgende transacties te hebben verricht waarbij zij zich wederrechtelijk geld toeëigende:

-Op 1 december 2006 om 16.21 uur bij de Rabobank te Hulst een opname van bankrekening [nummer 2] van maatschap [naam maatschap] van 800,00 euro. Nog diezelfde minuut een storting van 800,00 euro op Rabobankrekening [nummer 4] .

-Op 21 april 2006 om 15.09 uur bij de Rabobank te Hulst een opname van bankrekening [nummer 1] van tandarts [naam 1] van 750,00 euro. Op 21 april 2006 om 15.11 uur een storting van 600,00 euro op Rabobankrekening [nummer 4] . Verdachte verklaart dat zij de codering 1810 (opname privé) altijd op het bankafschrift vermelde5.

-Op 31 maart 2004 om 17.03 uur een storting van in totaal 2.400 euro op Rabobankrekening

[nummer 4] . Een bedrag van 1.000,00 euro daarvan werd contant opgenomen van

verdachtes ING rekening [nummer 3] . Er is dan nog een verschil van 1.400 euro dat als volgt

wordt verklaard:

Op 31 maart 2004 om 11.53 uur te Sint Jansteen een opname van bankrekening

[nummer 2] van de maatschap [naam maatschap] van 1.000 euro, en

op 31 maart 2004 om 11.55 uur te Sint Jansteen een opname van bankrekening [nummer 1]

van tandarts [naam 1] van 500,00 euro.

-Op 31 augustus 2006 om 15.33 uur te Hulst een opname van bankrekening [nummer 1]

van tandarts [naam 1] van 1.000,00 euro.

Op 31 augustus 2006 om 15.36 uur in Hulst een storting van 950,00 euro op

Rabobankrekening [nummer 4]6.

-Op 8 september 2005 om 14.46 uur te Hulst een opname van bankrekening 1507.46.083

van tandarts [naam 1] van 750,00 euro.

Op 8 september 2005 om 18.34 uur in Hulst een storting van 650,00 euro op

Rabobankrekening [nummer 4]7.

-Op 7 oktober 2005 om 13.05 uur in Sint Jansteen een opname van bankrekening

[nummer 2] van maatschap [naam maatschap] van 750,00 euro.

Op 7 oktober 2005 om 18.35 uur in Sint Jansteen een storting van 500,00 euro op

Rabobankrekening [nummer 4] .

-Op 3 maart 2006 om 15.36 uur in Hulst een opname van bankrekening [nummer 1] van tandarts [naam 1] van 600,00 euro.

Op 3 maart 2006 om 15.41 uur in Hulst een storting van 900,00 euro op Rabobankrekening [nummer 4] .
-Op 16 juni 2006 om 14.45 uur in Sint Jansteen een opname van bankrekening [nummer 1] van tandarts [naam 1] van 800,00 euro.

Op 16 juni 2006 om 18.34 uur in Sint Jansteen een storting van 600,00 euro op Rabobankrekening [nummer 4] .

-Op 1 november 2006 om 10.24 uur in Axel een opname van bankrekening [nummer 1] van tandarts [naam 1] van 750,00 euro.

Op 1 november 2006 om 18.35 uur een storting van 700,00 euro op Rabobankrekening [nummer 4] .

-Op 11 april 2007 om 15.13 uur in Hulst een opname van bankrekening [nummer 1] van tandarts [naam 1] van 750,00 euro.

Op 12 april 2007 een storting van 500,00 euro op Rabobankrekening [nummer 4] .

-Op 18 mei 2007 om 10.50 uur in Axel een opname van bankrekening [nummer 1] van tandarts [naam 1] van 750,00 euro.

Op 18 mei 2007 om 10.51 uur in Axel een storting van 500,00 op Rabobankrekening [nummer 4] .8

-Op 30 juni 2007 om 11.33 uur in Hulst een opname van bankrekening [nummer 1] van tandarts [naam 1] van 1.000,00 euro.

Op 30 juni 2007 om 11.34 uur in Hulst een storting van 1.000,00 euro op Rabobankrekening [nummer 4]9

-Op 11 september 2007 een opname van bankrekening [nummer 1] van tandarts [naam 1] van 1.250,00 euro. Een storting op 11 september 2007 van 4000,00 euro op Rabobankrekening [nummer 4] . terwijl daarvoor van de ING rekening [nummer 3] van verdachte een bedrag van 2.750,00 euro is opgenomen10

De rechtbank acht met bovenstaande, door verdachte erkende en uitgevoerde transacties bewezen dat verdachte binnen de tenlastegelegde periode vanaf 31 maart 2004 in dienstbetrekking een bedrag van 10.350,00 euro heeft verduisterd. Daarbij gaat de rechtbank uit van de door verdachte op haar bankrekening gestorte bedragen. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte méér dan het hiervoor genoemde bedrag heeft verduisterd. Uit het dossier en de behandeling ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat ten behoeve van de praktijk diverse betalingen met contant geld uit de kas werden gedaan. Bovendien is het niet onaannemelijk dat aangever – hoewel hij dat tegenover de politie ontkent – privéopnamen uit de kas deed, alleen al gezien het feit dat hij regelmatig contant geld uit de kas nam om zijn kapper te betalen. Het feit dat van de kas kennelijk geen adequate boekhouding werd bijgehouden kan er niet toe leiden dat de daarin niet verantwoorde bedragen geacht moeten worden door verdachte te zijn verduisterd. Voorts acht de rechtbank evenmin bewezen dat verdachte zichzelf zonder toestemming van haar werkgever(s) extra salarisbetalingen en loonsverhogingen heeft gegeven. Naast de niet onderbouwde aangifte bevindt zich daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier.

De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 31 maart 2004 tot en met 31 januari 2008,

althans in elk geval in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met

31 januari 2008 te Sint Jansteen, gemeente Hulst, en/of (elders) in Nederland,

opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 56.931,62

10.350,00 EUR, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat/die geheel of ten dele

toebehoorde(n) aan tandartspraktijk [naam praktijk] en/of de maatschap

[naam maatschap] en/of [naam 1] en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar

persoonlijke dienstbetrekking van/als balieassistente/receptioniste/

administratief medewerkster, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich

had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door

met behulp van een bankpas - welke haar werkgever [naam 1] en/of [naam 2] aan

haar had gegeven/verstrekt - meermalen contant gelden op te nemen van de

bankrekeningnummers [nummer 1] van tandartsenpraktijk [naam 1] en/of

[nummer 2] van de maatschap [naam maatschap]

en/of

deze opgenomen contante gelden niet geheel in de kas van genoemde

tandartsenpraktijk en/of maatschap heeft gestort en/of (vervolgens)

(gedeeltelijk) contant op een aan haar, verdachte [en/of haar echtgenoot],

toebehorende bankrekening heeft gestort en/of

- ( een gedeelte van) die contante geldopnames in de administratie van haar

werkgever heeft verwerkt als zijnde privé uitgaven

en/of

- zonder toestemming van genoemde werkgever(s) extra salarisbetalingen aan

zichzelf heeft uitgekeerd en/of aan zichzelf een of meerdere loonsverhogingen

heeft toegekend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 1 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak van een deel van de tenlastegelegde feiten, het blanco strafblad van zijn cliënte en het tijdsverloop, concludeert de raadsman tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke (werk)straf met een proeftijd van één jaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende enkele jaren meermalen schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen die aan haar werkgever toebehoorden. Zij heeft daarmee haar werkgever niet alleen benadeeld, maar ook het in haar gestelde vertrouwen beschaamd. Verdachte kwam een grote verantwoordelijkheid toe nu zij als enige de beschikking had over de bankpassen van de bankrekeningen van haar werkgever. De werkgever had een groot vertrouwen in verdachte. Dat vertrouwen is op ernstige wijze geschaad. Daar komt bij dat verdachte de benodigde gegevens niet aan de accountant heeft verstrekt en digitale gegevens heeft laten verdwijnen omdat zij de opnamen van de bankrekeningen niet kon verantwoorden. Daarmee heeft zij de ontdekking van de door haar gepleegde verduistering willen voorkomen.

Verdachte heeft zich niet bekommerd om de schade die zij aanrichtte, maar daarentegen het vervullen van haar eigen behoeften voorop gesteld en dit gedurende bijna vier jaar.

In het reclasseringsrapport van 16 augustus 2013 geeft de reclassering aan dat zij zich van een advies onthoudt omdat verdachte de feiten ontkent.

Verdachte heeft op zitting, zo is de rechtbank gebleken, een berekenende houding aangenomen. Zij heeft enerzijds wel negatief verklaard over haar voormalig werkgever, maar heeft, ook na daartoe herhaaldelijk te zijn uitgenodigd, geweigerd om iets te verklaren over de verdenkingen en haar beweegredenen, waardoor de rechtbank weinig inzicht heeft verkregen in de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. Door het ontbreken van dat inzicht kan herhalingsgevaar niet worden uitgesloten. Dit is voor de strafmaat van betekenis aangezien verdachte momenteel werkzaam is op een accountantskantoor en volgens het reclasseringsrapport hogerop wil in de accountancy.

Gelet op het vorenstaande en gelet op de tijdsduur en de mate waarin de feiten zijn gepleegd is de rechtbank van oordeel dat naast een onvoorwaardelijke werkstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur noodzakelijk is om recht te doen aan de ernst van de feiten. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt de rechtbank recidive te voorkomen.

Uit het uittreksel van het justitiële documentatieregister blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld en dat zij ook na het onderhavige delict niet meer met politie en/of justitie in aanraking is geweest. Daarmee houdt de rechtbank rekening in het voordeel van verdachte.

De rechtbank overweegt dat bij de toetsing van de (on)redelijkheid van de termijn van de behandeling van een strafzaak als startpunt van die termijn geldt het moment dat vanwege de staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het OM een strafvervolging tegen hem zal instellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de start van die termijn, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is deze termijn gaan lopen op 30 mei 2011, de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de onderhavige zaak, die pas na ruim twee jaar en zes maanden op zitting is aangebracht, de redelijke termijn is geschonden.
Compensatie voor de overschrijding van deze termijn dient gezocht te worden in de vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden en leidt, overeenkomstig de vaste jurisprudentie, in deze zaak tot strafvermindering met 10%, nu de redelijke termijn met 6 tot 12 maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat voor de gepleegde feiten een werkstraf van 90 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien weken passend zou zijn geweest.

Rekening houdend met de hiervoor overwogen strafvermindering zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank gaat daar door het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke werkstraf uit boven de eis van de officier van justitie. Dit vindt zijn rechtvaardiging in de vergelijking met straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, de lange periode waarin deze feiten zijn gepleegd, de hiervoor benoemde houding van verdachte en het feit dat verdachte nog steeds in de financiële sector werkzaam is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 27, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Verduistering, meermalen gepleegd, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden vooraarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. R.A. Borm, rechters, in tegenwoordigheid van A.S. Heberlein-Guiran, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 december 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar het proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het onderdeel van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL193E 2010066865 van Regiopolitie Zeeland Divisie Recherche Recherche Team 3 ZVL van 14 maart 2012, doorlopend genummerd van 1 t/m 962. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 december 2015

2 Proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , dossier-pagina’s 169 en 170

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossier-pagina’s 40, 46 en 47

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossier-pagina 38

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossier-pagina 73

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossier-pagina 74

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossier-pagina 87

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossier-pagina 88

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossier-pagina 89

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossier-pagina 90