Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8124

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
AWB-15_3741
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van politiefunctionaris tegen weigering periodieken in verband met Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW). Eiser, voorheen Medewerker BPF-C, werd in 2003 benoemd in de functie van Medewerker BPF-B, met de functionele schaal 7, waarbij eiser is bezoldigd naar de feitelijke schaal 8. In het aanstellingsbesluit is toegezegd dat de salarisontwikkelingen ten aanzien van het niveau Medewerker BPF-C, voorvloeiende uit CAO-wijzigingen, onverkort van toepassing blijven. Door de invoering van het LFNP bestaat de functie van Medewerker BPF-C niet meer. Dat betekent dat die salarisontwikkelingen zich niet meer voordoen. Eiser kan daarom aan de toezegging geen aanspraken meer ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3741 AW

uitspraak van 8 december 2015 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J.K. van Scheppingen,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M.H.J. Gossen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit) van de korpschef inzake het niet-toekennen van periodieken in verband met Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is vanaf 1994 werkzaam geweest bij [naam werkgever] in de functie van Medewerker BPF-C, een functie met de functionele schaal 8. Bij besluit van 25 juli 2003 van een rechtsvoorganger van de korpschef is eiser met ingang van 1 juli 2003 benoemd in de functie van Medewerker BPF-B, een functie met de functionele schaal 7, waarbij eiser is bezoldigd naar de feitelijke schaal 8. In het aanstellingsbesluit is opgemerkt: “de salarisontwikkelingen ten aanzien van het niveau medewerker BPF-C, voorvloeiende uit CAO-wijzigingen, blijven onverkort op eiser van toepassing.”

In een brief van 16 december 2014 (primair besluit) heeft de korpschef aan eiser mededelingen gedaan over de OVW en het Landelijk functiegebouw nationale politie (LFNP). Onder meer is meegedeeld dat eiser, als hij niet eerder via een e-mail of de salarisstrook is geïnformeerd over de OVW-periodieken, dat inhoudt dat hij geen recht heeft op OVW-periodieken, of dat die periodieken nog niet worden uitbetaald.

Uit eisers salarisspecificatie over de maand december 2014 blijkt niet van OVW-betalingen.

Bij het bestreden besluit heeft de korpschef eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de functie Medewerker BPF-C is gematcht met de LFNP-functie Senior GGP, schaal 8. Dit is een OVW-waardige functie die daarom uitloop biedt naar schaal 9, mits de desbetreffende medeweker in het maximum van zijn functieschaal zit. De OVW-periodieken zijn in de CAO 2012-2014 afgesproken en eiser heeft daarom aanspraak op OVW-periodieken naar schaal 9. Volgens eiser geeft de korpschef zich geen rekenschap van de afspraken die in 2003 zijn gemaakt. Er is expliciet bepaald dat de salarisontwikkelingen volgend uit CAO-aanspraken geldend voor de oude functie Medewerker BPF-C op hem van toepassing worden verklaard. Er is geen zorgvuldige belangenafweging gemaakt. Eiser zou niet akkoord zijn gegaan met de afspraak in 2003 als hij toen al zou hebben geweten dat deze afspraak geen gestand zou worden gedaan. Eiser heeft de rechtbank gevraagd te bepalen dat de korpschef de OVW-periodieken naar schaal 9 dient uit te betalen.

3. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie (2012-2014) is onder meer overeengekomen dat voor diegenen die op het maximum van de schaal behorende bij hun functie zitten én een functie vervullen waaraan door het nieuwe functiewaarderingssysteem ten minste 24 punten voor OVW zijn toegekend vanaf 1 januari 2012 het uitzicht ontstaat op OVW-periodieken.

In een circulaire van 18 december 2012 heeft de minister van Veiligheid en Justitie beschreven op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan dat onderdeel van het Akkoord.

4. De korpschef heeft het standpunt ingenomen dat eiser aan het enkele feit dat hem een persoonlijke schaal is toegekend toen hij is benoemd in de functie van Medewerker BPF-B geen aanspraak kan ontlenen op OVW-periodieken. Dat standpunt, dat door eiser niet is betwist, komt de rechtbank juist voor.

5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser aanspraak op OVW-periodieken kan ontlenen aan de opmerking die is toegevoegd aan het aanstellingsbesluit van 25 juli 2003.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Tussen partijen staat vast dat de korpschef en zijn rechtsvoorganger de uit de opmerking voortkomende aanspraken tot 1 januari 2012 hebben gehonoreerd, maar dat door de invoering van het LFNP de functie van Medewerker BPF-C, waarop de opmerking betrekking heeft, niet meer bestaat. Dat betekent dat “de salarisontwikkelingen ten aanzien van het niveau medewerker BPF-C” zich niet meer voordoen. Eiser kan daarom aan de opmerking geen aanspraken meer ontlenen.

Ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiser zich zeer gegriefd voelt door het besluit van de korpschef. De rechtbank wijst eiser erop dat hij jarenlang is bezoldigd naar een hoger niveau dan het niveau van de door hem vervulde functie, en dat hij er door het bestreden besluit financieel niet op achteruit gaat, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft erkend.

6. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.