Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8055

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
AWB-15_4641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Onvoldoende bestrijding van beslissing op bezwaar op de punten waarbij slechts is verwezen naar de bezwaargronden. Toekenning van extra punten aan een kenmerk in een andere functie om managementtechnische redenen levert geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4641 AW

uitspraak van 3 december 2015 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. [naam gemachtigde] ,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 juni 2015 (bestreden besluit) van de minister inzake functiewaardering.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 13 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] , bijgestaan door [naam vertegenwoordiger] , [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger] .

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd met drie weken.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam als mobiel verkeersleider bij de dienst Verkeer- en Watermanagement (VWM) van Rijkswaterstaat. Deze functie is gewaardeerd in hoofdgroep III, niveaugroep c, schaal 7. Bij besluit van 1 oktober 2011 is aan de medewerkers van Rijkswaterstaat meegedeeld op welke wijze hun functie is ingedeeld in het Functiegebouw Rijk (FGR). Een groot aantal medewerkers heeft bezwaar gemaakt tegen de indeling in het FGR. De bezwarenadviescommissie heeft geadviseerd om onder meer de functie van mobiel verkeersleider opnieuw te beschrijven en te waarderen. Dit advies is opgevolgd.

Een onafhankelijke derde partij van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft onder meer de functie van mobiel verkeersleider beschreven en gewaardeerd. Daarnaast is besloten om aan Overduin BV (Overduin) een second opinion te vragen. In het waarderingsadvies functiewaardering VWM van 3 oktober 2013 heeft Overduin geadviseerd om de functie van mobiel verkeersleider te waarderen in hoofdgroep III, niveaugroep c, schaal 7.

Op 10 april 2013 is de functiebeschrijving van mobiel verkeersleider definitief vastgesteld.

Bij brief van 4 juli 2014 heeft de Hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat VWM geadviseerd om de functie van mobiel verkeersleider in te delen in schaal 7.

Bij e-mailbericht van 24 juli 2014 zijn de medewerkers van Rijkswaterstaat geïnformeerd over de voortgang van het waarderingsonderzoek. In deze e-mail wordt opgemerkt dat de medewerkers op 22 april 2014 een plaatsingsbesluit hebben ontvangen, waarin de inschaling wordt weergegeven. Verder staat in de e-mail te lezen dat de uitkomsten van het waarderingsonderzoek en het besluit hierover niet tot een wijziging (van de inschaling) leiden.

Bij besluit van 21 augustus 2014 (primair besluit) heeft de minister het voornoemde advies van de Hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat VWM van 4 juli 2014 overgenomen. Dit betekent dat de functie van mobiel verkeersleider wordt ingedeeld in hoofdgroep III, niveaugroep c, schaal 7.

Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering (bezwaarcommissie).

2. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. De minister heeft ten onrechte een aantal bezwaargronden onbesproken gelaten. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel. Daarnaast heeft de minister ten onrechte niet gemotiveerd waarom voor sommige functies wel en voor de functie van mobiel verkeersleider niet is afgeweken van het advies van Overduin. Verder is de weging van de functie niet correct verlopen. De functie van mobiel verkeersleider dient gewaardeerd te worden op schaal 8. Ten slotte heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

3. Artikel 5, derde lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 luidt als volgt:

De zwaarte van de functie wordt bepaald binnen de in de bijlage B van dit besluit aangegeven indelingsstructuur, met inachtneming van het door of in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde normeringsstelsel.

4. De rechtbank ziet zich allereerst (ambtshalve) geplaatst voor de vraag of het primaire besluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen eiser nog rechtsmiddelen in kon stellen of dat sprake is van een herhaald besluit. Uit het e-mailbericht van 24 juli 2014 blijkt immers dat eiser al eerder een plaatsingsbesluit heeft ontvangen, waarin de inschaling is vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een besluit waartegen bezwaar open stond. Weliswaar heeft eiser al eerder een plaatsingsbesluit (met inschaling) ontvangen, maar op dat moment was het waarderingsonderzoek nog niet afgerond. Pas bij het primaire besluit zijn de medewerkers van Rijkswaterstaat op formele wijze definitief geïnformeerd over de beslissing om (onder meer) de functie van mobiel verkeersleider ongewijzigd in te delen in hoofdgroep III, niveaugroep c, schaal 7. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit is dan ook terecht ontvankelijk geacht.

5. De rechtbank overweegt ten aanzien van het door eiser gestelde motiveringsgebrek als volgt.

Eiser heeft in bezwaar een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De bezwaar-commissie heeft in haar advies expliciet opgenomen dat zij alleen een advies geeft over functiewaarderingstechnische aangelegenheden, en dat de minister in de beslissing op bezwaar nog aandacht dient te besteden aan de niet-functiewaarderingstechnische bezwaren. De minister heeft echter in het bestreden besluit slechts volstaan met een verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie.

Naar het oordeel van de rechtbank is de minister in bezwaar ten onrechte niet ingegaan op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het bestreden besluit lijdt op dit punt aan een motiveringsgebrek. De minister heeft ter zitting alsnog een standpunt ingenomen ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel zal onder rechtsoverweging 10 (en verder) worden besproken. De rechtbank zal daarbij bespreken welke consequenties voornoemd motiveringsgebrek heeft voor het bestreden besluit en een eventuele proceskostenveroordeling.

6. Een functiewaarderingsbesluit wordt door de rechtbank terughoudend getoetst. De rechtbank moet beoordelen of de waardering op onvoldoende gronden berust. Dit betekent dat pas tot vernietiging van de bestreden waardering wordt overgegaan als deze als onhoudbaar wordt aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is. Voor zover er echter sprake is van een vaststelling van de feiten, dient de rechtbank deze vol te toetsen.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser het niet eens is met de scores die aan enkele kenmerken zijn toebedeeld. Eiser heeft voor een motivering van de onjuistheid van die scores grotendeels verwezen naar wat hij daarover in bezwaar heeft aangevoerd. Alleen voor wat betreft de toegekende scores voor de kenmerken ‘kennis en inzicht’ (kenmerk 11) en ‘doel van de contacten’ (kenmerk 14) heeft eiser in beroep (aanvullende) gronden ingediend.

De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft gereageerd op eisers bezwaargronden ten aanzien van de functiewaardering, en meer in het bijzonder de toegekende scores. Het ligt dan op de weg van eiser om gemotiveerd te betogen dat, waarom en op welke punten het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Nu eiser grotendeels heeft volstaan met een verwijzing naar het bezwaarschrift, is de rechtbank van oordeel dat eiser het bestreden besluit op die punten onvoldoende heeft bestreden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit ten aanzien van die punten onjuist te achten.

8. Kenmerk 11 ‘Kennis en inzicht’

8.1

Volgens Overduin is vaktechnische kennis (Mbo-niveau met aanvullende cursussen en training) nodig voor het uitoefenen van de functie. Overduin komt daarom voor kenmerk 11 tot een score 2.

Volgens de minister meet dit kenmerk de door opleiding of ervaring verkregen kennis en inzicht (werk- en denkniveau) die nodig zijn om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. De mobiel verkeersleider heeft volgens de minister:

  • -

    Kennis van relevante delen van de verkeers- en milieuwetgeving, reglementen, procedures en instructies;

  • -

    Kennis van scheepsbediening en beheersing;

  • -

    Kennis en inzicht in het verkeersgedrag van deelnemers;

  • -

    Kennis van en vaardigheid in het toezicht, het opsporen en het verbaliserend optreden;

  • -

    Kennis van het areaal, van diverse geautomatiseerde systemen;

  • -

    Kennis van Incident Management, EHBO en reanimatie inclusief AED.

Volgens de minister gaat het om vaktechnische kennis op Mbo-niveau met aanvullende cursussen en trainingen, zoals omschreven bij score 2.

Voor een score 3 geldt dat algemeen theoretische, praktisch gerichte kennis van het vakgebied nodig is, waarbij inzicht is vereist in organisatorische, tactisch operationele, sociale, financiële, technische, economische of juridische samenhangen in relatie tot het eigen werkterrein. Hiervan is de minister niet gebleken, wel dat het veeleer gaat om vaktechnische kennis met enig inzicht in de functionele en organisatorische verhoudingen.

8.2

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat er aan de mobiele verkeersleider Westerschelde verdergaande functie-eisen worden gesteld dan aan andere mobiele verkeersleiders. Zo gelden voor eiser de functie-eisen voor zowel zoetwater als zoutwater, dient hij te beschikken over diverse zeevaartdiploma’s, heeft hij te maken met vier verschillende vaarreglementen, heeft hij voor de dagelijkse werkzaamheden regelmatig contact met kapiteins en bemanningsleden van buitenlandse afkomst, en dient eiser het Quincy peilprogramma te beheersen.

8.3

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze door eiser aangevoerde functie-eisen worden geschaard onder de vaktechnische kennis zoals is omschreven bij score 2, zodat de toekenning van score 2 niet onhoudbaar wordt geacht. Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

9. Kenmerk 14 ‘Doel van de contacten’

9.1

Volgens Overduin is bij de contacten sprake van informatie-uitwisseling met hulpdiensten, verkeerscentrale en met vaarweggebruikers. Bij het geven van aanwijzingen aan vaarweggebruikers en meer nog bij het uitoefenen van de BOA-taken komen regelmatig situaties voor waarbij met agressie en emoties moet worden omgegaan. Overduin komt daarom voor kenmerk 14 tot een score 2.

9.2

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de uitleg van Overduin de toekenning van score 2 in beginsel niet onhoudbaar wordt geacht.

10. Gelijkheidsbeginsel

Eiser heeft ten aanzien van kenmerk 14 er in beroep opgewezen dat de verkeersleider (nat) voor nagenoeg dezelfde onderbouwing dezelfde score (2) krijgt. Door de Hoofdingenieur-directeur is evenwel in zijn advies van 4 juli 2014 voorgesteld om desondanks aan de verkeersleider (nat) een hogere score toe te kennen (score 3), alhoewel dit op functiewaarderingstechnische gronden niet mogelijk is. Dit advies is door de minister overgenomen. Eiser is van mening dat hem ook een hogere score moet worden toegekend.

Naar het oordeel van de rechtbank doet eiser hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond zal hieronder worden besproken.

10.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel op twee punten heeft ingestoken.

10.2.

Ten eerste heeft eiser zijn situatie vergeleken met de functie van mobiel verkeersleider Waddenzee. Volgens eiser houdt hij zich – net als de mobiel verkeersleider Waddenzee – bezig met zoetwater en zoutwater. Zijn functie is echter ingedeeld in schaal 7, terwijl de functie mobiel verkeersleider Waddenzee is ingedeeld in schaal 8.

Ter zitting heeft de minister het standpunt ingenomen dat dit een historische achtergrond heeft. Volgens de minister waren de diensten tot 2013 redelijk autonoom en was het daardoor mogelijk dat mobiel verkeersleiders Waddenzee waren ingedeeld in schaal 8. Nu is er echter sprake van een standaardisering, waarbij alle functies van mobiel verkeersleider worden gelijkgetrokken. Er zijn geen mobiel verkeersleiders meer die een waardering op functie hebben op schaal 8, aldus de minister.

Gelet op de door de minister gegeven toelichting ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat eiser op dit punt geen geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel. Er wordt immers geen onderscheid meer gemaakt tussen mobiel verkeersleiders, zodat er geen sprake is van medewerkers in gelijke situaties die anders worden behandeld. De omstandigheid dat er mobiel verkeersleiders Waddenzee zijn die, op basis van verworven rechten, nog steeds een bezoldiging op het niveau van schaal 8 ontvangen, maakt dit niet anders.

10.3.

Ten tweede heeft eiser zijn situatie vergeleken met de functie van verkeersleider (nat), ten aanzien van de score voor kenmerk 14.

De rechtbank stelt vast dat uit het advies van de Hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat VWM van 4 juli 2014 blijkt dat er om managementtechnische redenen voor gekozen is om meer punten toe te kennen aan de functie van verkeersleider (nat). Dit is gedaan om een verschil tot uitdrukking te brengen met de functie van wegverkeersleider (droog), aangezien in de interne verhoudingen binnen Rijkswaterstaat het ‘natte deel’ op dit aandachtsgebied als zwaarder wordt gezien.

De toekenning van een hogere score op dit punt aan de verkeersleider (nat) heeft dus geen functiewaarderingstechnische achtergrond. Het betreft daarbij ook een andere functie. In zoverre is er dan ook geen sprake van gelijke gevallen. Het beroep van eiser kan op dit punt evenmin slagen.

10.4

De rechtbank ziet in het licht van het vorengaande aanleiding om het in overweging 5 geconstateerde motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet in het motiveringsgebrek wel aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de door eiser gemaakte proceskosten.

11. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

12. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 10.4 is overwogen, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

13. De rechtbank zal de minister veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, om redenen zoals hiervoor reeds besproken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. W. Toekoen en mr. F.P.J. Schoonen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.