Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8040

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
4336151-CV-EXPL-15-5904
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de vraag of gedaagde buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, is niet alleen relevant of een zogenaamde 14-dagen brief is verzonden die aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldoet en of het in rekening gebrachte bedrag in overeenstemming is met het Besluit, maar ook of eiseres in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het treffen van incassomaatregelen, met de daaraan verbonden kosten. In dit verband verwijst de kantonrechter naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2014, gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2014:1405, rechtsoverwegingen 3.3 tot en met 3.5. Naar het oordeel van de kantonrechter had eiseres in de omstandigheden van dit geval in redelijkheid onvoldoende aanleiding tot het nemen van incassomaatregelen, zodat de vordering, die uitsluitend betrekking heeft op de buitengerechtelijke incassokosten, wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/78
Prg. 2016/39

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

kanton

Tilburg

zaaknummer 4336151-CV-15-5904

vonnis van 4 november 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap [eiseres],

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] te [woonplaats] ,

tegen

[gedaagde] ,

[adres] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna door de kantonrechter [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

1.1

de dagvaarding van 12 juni 2015 met producties;

1.2

de conclusie van antwoord met producties;

1.3

de conclusie van repliek met producties;

1.4

de conclusie van dupliek.

Hierna is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1

[eiseres] vordert om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 40,03, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 mei 2015 tot aan de dag van de volledige betaling en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3 De beoordeling

3.1

Als gesteld en niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de overgelegde producties, staan de volgende feiten in rechte tussen partijen vast:

  1. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een nota gestuurd van € 123,45 voor tandheelkundige zorg die door Tandartspraktijk Tilburg aan [gedaagde] is verleend. De nota, met het nummer 39.98924.018422808, is gedateerd 13 december 2014 en op de nota is vermeld dat betaling dient plaats te vinden voor 12 januari 2015.

  2. Op 4 januari 2015 heeft de echtgenoot van [gedaagde] een e-mail gestuurd naar het contactcenter van [eiseres] , met de volgende inhoud:
    “Ik ben zo vrij geweest om de nota van mijn vrouw t.w. 3998924018422808 in te plannen in drie gelijke termijnen per 26 januari, 26 februari & 26 maart. Er zal geen termijn gemist worden.
    Mijn excuses voor het ongemak, ik hoop u hiermee voldoende op de hoogte te hebben gebracht.”

  3. In antwoord daarop heeft [eiseres] op 5 januari 2015 een e-mail gestuurd waarin staat:
    “Het is niet mogelijk om per e-mail een betalingsregeling aan te vragen. Wij raden u aan om een betalingsregeling af te sluiten via http://www.notavanfamed.nl/. Het afsluiten van een betalingsregeling brengt extra kosten met zich mee. U betaalt 3% wettelijke rente op jaarbasis over de helft van de looptijd over het openstaande bedrag.
    U kunt ook telefonisch contact opnemen voor meer informatie of voor het afsluiten van een betalingsregeling. Wij zijn op werkdagen van 8:00 tot 18:00 uur bereikbaar.”

  4. [gedaagde] heeft door middel van periodieke overboekingen op 26 januari, 26 februari en 26 maart 2015 telkens een bedrag van € 41,15 aan [eiseres] betaald. In de omschrijving van de overboeking is steeds vermeld: “nota 3998924018422808, in drie termijnen per de 26e jan, febr & maart als bevestigd per e-mail aan contactcenterAfamed.nl op
    4 januari jl.”

  5. Gedagtekend 22 januari 2015 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een herinnering gestuurd, waarin zij wordt gemaand om binnen 7 dagen na dagtekening van de brief het bedrag van € 123,45 te voldoen. Daarbij is meegedeeld dat wanneer de betaling niet binnen de gestelde termijn is ontvangen, [gedaagde] daarna formeel in verzuim verkeert.

  6. Gedagtekend 2 februari 2015 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd om het op dat moment resterende notabedrag van € 82,30 te voldoen binnen 14 dagen, aanvangend twee dagen na dagtekening van de brief. In die brief is aangezegd dat incassokosten van € 40,00 in rekening gebracht zullen worden als niet voor 19 februari 2015 betaling is ontvangen.

  7. Op 26 februari 2015 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd voor het resterende notabedrag van € 82,30 plus € 40,00 incassokosten en € 0,18 rente, te betalen voor 5 maart 2015.

  8. Vervolgens heeft [eiseres] de resterende vordering van op dat moment nog € 41,15 ter incasso overgedragen aan [naam 1] . [naam 1] heeft [gedaagde] op 9 maart 2015 een aanmaning gestuurd om dat bedrag, vermeerderd met de incassokosten en rente, in totaal € 81,33 uiterlijk 19 maart 2015 te voldoen.

  9. Op 30 maart 2015 heeft [naam 1] [gedaagde] gesommeerd het op dat moment resterende bedrag van € 40,23 (gelijk aan incassokosten plus rente) uiterlijk 9 april 2015 te voldoen.

  10. Op 14 april 2015 heeft [naam 1] [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van € 40,26 uiterlijk 24 april 2015 te voldoen.

  11. Vervolgens is het incassotraject overgedragen aan [gemachtigde] , die [gedaagde] op 1 mei 2015 een aanmaning heeft gestuurd waarin wordt gerefereerd aan de nota van 13 december 2014 voor een bedrag van € 41,15 en [gedaagde] wordt gesommeerd om het verschuldigde bedrag van € 40,00 uiterlijk op 6 mei 2015 te voldoen.

3.2

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] het bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is geworden, omdat zij niet binnen de in de brief van 2 februari 2015 gestelde termijn het resterende factuurbedrag volledig heeft voldaan. Er is volgens [eiseres] geen betalingsregeling overeengekomen, omdat dit niet per
e-mail kan, zoals aan [gedaagde] is bericht, maar alleen telefonisch of via de website, wat [gedaagde] niet heeft gedaan. [eiseres] stelt dat [gedaagde] niet op de aanmaningen heeft gereageerd.

3.3

[gedaagde] betwist de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Zij stelt dat zij van begin af aan te kennen heeft gegeven aan [eiseres] dat zij de factuur zou betalen en dat zij een regeling heeft voorgesteld om dat in drie termijnen te doen, aan welke door haar voorgestelde regeling zij zich ook stipt heeft gehouden. Zij stelt dat zij geprobeerd heeft via de website van [eiseres] een betalingsregeling te treffen, zoals [eiseres] in haar e-mail heeft aangegeven, maar dat dit niet gelukt is. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [gedaagde] bij conclusie van antwoord een e-mail overgelegd van 4 januari 2015, afkomstig van [naam 2] waaruit blijkt dat de echtgenoot van [gedaagde] zich op die dag heeft aangemeld om een account aan te maken op de website. Verder heeft zij overgelegd een printscreen, volgens [gedaagde] gemaakt op 18 februari 2015, van de webpagina, waarop te zien is dat bij het aanklikken van de knop “Betalingsregeling” de volgende melding verschijnt: “Aanvragen. Op de geselecteerde nota kunt u geen betalingsregeling aanvragen, omdat er voor deze al een betaling is ontvangen.” Bij dupliek stelt [gedaagde] dat het noch op 4 januari noch op 18 februari mogelijk was via de website een betalingsregeling aan te vragen.

De kantonrechter oordeelt hierover het volgende.

3.4

Het verweer van [gedaagde] komt er in feite op neer dat zij vindt dat de incassokosten nodeloos zijn gemaakt.

3.5

[eiseres] baseert haar vordering op artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), waarin is bepaald dat als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen “redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte”.

3.6

Met ingang van 1 juli 2012 is de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het bijbehorende Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit) in werking getreden. Aan artikel 6:96 BW zijn een aantal leden toegevoegd, waaronder lid 6, dat bepaalt – kort gezegd – dat een consument pas buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, nadat hij, na het intreden van verzuim, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na de aanmaning, waarbij in de aanmaning tevens dient te worden vermeld wat de gevolgen zijn van het niet betalen binnen de gestelde termijn en het bedrag van de incassokosten dat dan verschuldigd wordt.

3.7

[eiseres] stelt dat zij met de brief van 2 februari 2015 aan die in 6:96 lid 6 BW gestelde voorwaarden heeft voldaan en dat [gedaagde] niet binnen de in die brief gestelde termijn het volledige resterende factuurbedrag heeft voldaan. Daardoor is zij volgens [eiseres] de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden.

3.8

Naar het oordeel van de kantonrechter miskent [eiseres] aldus dat voor de vraag of [gedaagde] die kosten verschuldigd is niet alleen relevant is of een zogenaamde 14-dagen brief is verzonden die aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldoet en of het in rekening gebrachte bedrag in overeenstemming is met het Besluit, maar ook of [eiseres] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het treffen van incassomaatregelen, met de daaraan verbonden kosten. In dit verband verwijst de kantonrechter naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2014, gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2014:1405, rechtsoverwegingen 3.3 tot en met 3.5:

3.3

“De vraag houdt verband met de toepassing van de leden 5-7 van art. 6:96 BW, die met ingang van 1 juli 2012 van kracht zijn geworden, tezamen met het in lid 5 bedoelde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, Stb. 2012, 141 (hierna: het Besluit).

Met deze nieuwe regelgeving heeft de wetgever beoogd ter zake van de incasso van, kort gezegd, contractuele geldschulden (als omschreven in art. 1 Besluit) houvast te bieden omtrent de hoogte van de in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW genoemde redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Laatstgenoemde bepaling behelst een ‘dubbele redelijkheidstoets’ die inhoudt, kort gezegd, dat zowel het maken van de kosten als de hoogte van de kosten redelijk moet zijn (vgl. HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740, NJ 1999/196). Op grond van art. 6:96 lid 5 BW is daartoe in het Besluit de (maximale) hoogte van de vergoeding van deze kosten vastgesteld op een forfaitair percentage van de verschuldigde hoofdsom (art. 2 Besluit). Lid 5 bepaalt voorts dat van deze regels niet ten nadele van een consument-schuldenaar kan worden afgeweken. Ingevolge lid 6 is een consument-schuldenaar de kosten pas verschuldigd indien hij, na het intreden van zijn verzuim, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling (waaronder de vergoeding overeenkomstig het Besluit) vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen. De in lid 6 bedoelde aanmaning wordt hierna, in navolging van het vonnis van de kantonrechter en de literatuur, ook wel aangeduid als de veertiendagenbrief.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze nieuwe regels, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.15-3.17, blijkt dat de wetgever hiermee met name de ‘tweede redelijkheidstoets’ (de hoogte van de kosten) heeft willen normeren. Deze normering geschiedt aan de hand van een forfaitair percentage dat uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom. Hiermee is beoogd voor beide partijen duidelijkheid en rechtszekerheid te scheppen over de hoogte van de verschuldigde kosten, zodat daarover conflicten en een eventuele gang naar de rechter worden voorkomen.

Met de normering van de hoogte van de verschuldigde incassokosten is niet beoogd ook de ‘eerste redelijkheidstoets’ (de vraag of het redelijk is dat kosten zijn gemaakt) in te vullen.

(………….)

Niet beoogd is recht te geven op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, wanneer in redelijkheid onvoldoende aanleiding bestond incassohandelingen te verrichten.”

3.9

De kantonrechter stelt vast dat in dit geval [gedaagde] al op 4 januari 2015, dus ruimschoots voor afloop van de eerste betalingstermijn van de nota, aan [eiseres] , door middel van de e-mail van 4 januari 2015 duidelijk had gemaakt dat zij de nota zou betalen en dat zij dat zou doen in drie maandelijkse termijnen, zodat op 26 maart 2015 de volledige nota betaald zou zijn. Vervolgens heeft [gedaagde] op 26 januari 2015, ná de eerste herinnering, maar vóór de 14-dagenbrief, overeenkomstig de door haar voorgestelde regeling de eerste termijn betaald.

3.10

[eiseres] heeft [gedaagde] erop gewezen dat een betalingsregeling uitsluitend via de website kon worden aangevraagd. Uit wat [gedaagde] bij dupliek stelt begrijpt de kantonrechter dat zij, althans haar echtgenoot, dit al op 4 januari 2015 heeft geprobeerd maar dat dit niet lukte. In de mail die haar echtgenoot diezelfde dag heeft gestuurd naar [eiseres] vermeldt hij niet dat hij tevergeefs heeft geprobeerd via de website een betalingsregeling aan te vragen en [eiseres] heeft op het gestelde in de conclusie van dupliek niet meer kunnen reageren. [eiseres] heeft echter bij repliek ook niet gereageerd naar aanleiding van de bij conclusie van antwoord overgelegde printscreen waaruit blijkt dat [gedaagde] , kennelijk na
26 februari 2015, nogmaals heeft geprobeerd een betalingsregeling te treffen, maar dat dit op dat moment niet meer mogelijk was omdat al een deelbetaling was gedaan. In die mededeling op de website wordt niet vermeld of, nadat een deelbetaling is gedaan, bijvoorbeeld nog wel telefonisch een regeling kan worden getroffen voor het restant.

3.11

Aan [eiseres] kan worden toegegeven dat voor het treffen van een betalingsregeling ingevolge het bepaalde in artikel 6:29 BW haar toestemming vereist was en dat die in dit geval niet is gegeven. [eiseres] stelt echter niet dat zij, als de regeling op de door haar voorgeschreven wijze was aangevraagd, die toestemming niet zou hebben gegeven. De door [gedaagde] voorgestelde en nagekomen regeling is naar het oordeel van de kantonrechter niet onredelijk, zodat de kantonrechter geen reden heeft om aan te nemen dat [eiseres] met een dergelijke regeling niet zou hebben ingestemd. Op grond van de bij antwoord overgelegde printscreen, die blijkens de daarin vermelde gegevens moet zijn gemaakt ná 26 januari 2015 en vóór 19 februari 2015, staat vast dat het aanvragen van een betalingsregeling via de website in elk geval op dat moment niet meer mogelijk was, terwijl daar niet wordt gewezen op een andere manier om dat te doen. Enerzijds kan gezegd worden dat [gedaagde] er verstandig aan had gedaan voor de zekerheid telefonisch contact op te nemen met [eiseres] , maar anderzijds had [eiseres] ook, wetende dat [gedaagde] een regeling wenste te treffen en dat dit, na het doen van een deelbetaling niet meer via de website kon, zich minder formeel kunnen opstellen en per mail of telefonisch kunnen reageren op de door [gedaagde] voorgestelde regeling. Waar vaststaat dat [gedaagde] , zowel door middel van de e-mail van
4 januari 2015, als door middel van de omschrijving bij elke betaling, volstrekt duidelijk heeft gemaakt aan [eiseres] dat zij een regeling wenste te treffen en dat zij zich daar ook aan hield, bestond er naar het oordeel van de kantonrechter voor [eiseres] in dit geval in redelijkheid onvoldoende aanleiding tot het treffen van de incassomaatregelen, met alle daarmee gepaard gaande extra kosten. De vordering zal dus worden afgewezen.

4 De kosten

[eiseres] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . Nu [gedaagde] echter in persoon heeft geprocedeerd worden haar kosten begroot op € 0,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot op heden begroot op € 0,00;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 4 november 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.