Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8035

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
4262750-CV-EXPL-15-5150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de vraag of gedaagde buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, is niet alleen van belang dat een aanmaning is verzonden zoals in artikel 6:96 lid 6 BW vermeld en dat gedaagde niet binnen de daarin gestelde termijn het volledige bedrag heeft betaald, maar dient ook te worden beoordeeld of de kosten in dit geval in redelijkheid gemaakt zijn. In dit verband verwijst de kantonrechter naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2014, gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2014:1405, rechtsoverwegingen 3.3 tot en met 3.5. Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de kantonrechter van oordeel dat eiseres in redelijkheid onvoldoende aanleiding had het incassotraject voort te zetten en gedaagde daarvoor kosten in rekening te brengen. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2559
NJF 2016/77

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

kanton

Tilburg

zaaknummer: 4262750-CV-15-5150

vonnis van 28 oktober 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 1]

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres bij dagvaarding van 6 mei 2015,

gemachtigde: [gemachtigde] .,

tegen

[gedaagde] , [geboortedatum] ,

wonende te [adres] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

1 Het verloop van het geding

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

1.1

de dagvaarding van 6 mei 2015 met producties;

1.2

de conclusie van antwoord met producties;

1.3

de conclusie van repliek met producties;

1.4

de conclusie van dupliek met producties.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

Partijen worden hierna [eiseres 1] en [gedaagde] genoemd.

2 Het geschil

2.1

[eiseres 1] vordert om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 40,12, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening en veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

2.2

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3 De beoordeling

3.1

Als gesteld en niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de overgelegde producties, staan de volgende feiten in rechte tussen partijen vast:

  1. [gedaagde] heeft op 22 mei 2013 een boven en ondergebit laten maken bij [naam 2] . De vordering ter zake de daarvoor verschuldigde kosten is door cessie overgedragen aan [eiseres 1] . [eiseres 1] heeft d.d. 30 mei 2013 aan [gedaagde] een rekening gestuurd voor het niet door de zorgverzekeraar van [gedaagde] vergoede deel van de kosten, zijnde een bedrag van € 311,54. [gedaagde] heeft dat bedrag betaald op 14 augustus 2013. Het kenmerk van die factuur is 19.97105.010009265.

  2. Eén van de onderdelen van die factuur betrof een post Techniek/Materiaalkosten. Het totaal daarvoor in rekening gebrachte bedrag was € 690,00, waarvan € 517,50 werd vergoed, zodat € 172,50 resteerde als door [gedaagde] te betalen.

  3. In september 2014 heeft op initiatief van de zorgverzekeraar van [gedaagde] een correctie van voormelde post plaatsgevonden. Als gevolg daarvan is op 11 september 2014 door [eiseres 1] het bedrag van € 172,50 teruggestort naar de bankrekening van [gedaagde] .

  4. Twee maanden later, op 13 november 2014 heeft [eiseres 1] een nieuwe factuur aan [gedaagde] gestuurd voor de post Techniek/Materiaalkosten. Die factuur heeft een nieuw nummer, 99.97105.017838192. In die factuur is als totaal bedrag van de kosten vermeld een bedrag van € 676,30, waarvan € 507,22 is vergoed, zodat een bedrag van € 169,08 resteerde, dat voor rekening van [gedaagde] kwam. Op de factuur is vermeld dat betaling dient plaats te vinden voor 13 december 2014.

  5. Op 18 december 2014 heeft [eiseres 1] aan [gedaagde] een betalingsherinnering gestuurd, met het verzoek het bedrag van € 169,08 binnen 7 dagen te betalen, met de mededeling dat hij, bij niet betaling binnen die termijn formeel in verzuim verkeert.

  6. Op 29 december 2014 heeft [eiseres 1] aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd tot betaling van het bedrag van € 169,08 binnen een termijn van 14 dagen, aanvangend twee dagen na dagtekening van de brief, waarbij is meegedeeld dat bij niet-betaling vóór 15 januari 2015 een bedrag van € 40,00 ter zake incassokosten in rekening wordt gebracht.

  7. Op 9 januari 2015 heeft [gedaagde] telefonisch contact opgenomen met [eiseres 1] , om uitleg te vragen.

  8. Op 22 januari 2015 heeft [gedaagde] een e-mail naar [eiseres 1] gestuurd met de volgende inhoud:
    “U stuurt mij een aanmaning waar ik niets van af weet. Ik ken uw firma omdat ik daar op 14 augustus 2013 € 311,54 aan betaald heb i.v.m. een nieuw kunstgebit. Dit betreft nummer 1997105010009265.”

  9. Eveneens op 22 januari 2015 heeft [eiseres 1] een aanmaning gestuurd voor een bedrag van €209,52, zijnde het notabedrag van € 169,08 verhoogd met € 40,00 incassokosten en wettelijke rente.

  10. Per e-mail van 23 januari 2015 heeft [eiseres 1] de e-mail van [gedaagde] beantwoord en daarin onder meer meegedeeld:
    “Op 30-5-2013 hebben wij u een nota 1997105010009265 verzonden. Op 11-09-2014 heeft een correctie plaatsgevonden van € 172,50. Ronde deze datum hebben wij dit bedrag ook terug gestort op uw IBAN nummer.
    Omdat er een correctie heeft plaatsgevonden hebben wij u op 13-11-2014 een nieuwe nota verstuurd. Op deze nota wordt het gecorrigeerde bedrag in rekening gebracht.
    Omdat wij geen betaling ontvingen, stuurden wij u op 18-12-2-14 een eerste herinneringsbrief. Op 29-12-2014 stuurden wij u nogmaals een herinneringsbrief om aan te geven dat u nog 14 dagen had om te betalen.
    Wij willen u vragen om het openstaande bedrag van € 209,52 voor 30-01-2015 over te maken op IBAN nummer NL97ABNA0627000800 onder vermelding van het notanummer.”

  11. Gedagtekend 2 februari 2015 heeft [gedaagde] een aanmaning van [naam 1] ontvangen voor het bedrag van € 209,52, waarin hij wordt gesommeerd dit uiterlijk op 12 februari 2015 te betalen.

  12. Naar aanleiding hiervan heeft [gedaagde] op of omstreeks 5 februari 2015 contact opgenomen met [naam 1] , waarna hem, op zijn verzoek, uitstel van betaling is verleend tot 5 maart 2015.

  13. Op 20 februari 2015 heeft [gedaagde] het bedrag van € 169,08 betaald.

  14. Gedagtekend 24 februari 2015 heeft [naam 1] [gedaagde] gesommeerd het resterende bedrag van € 40,62 uiterlijk 6 maart 2015 te betalen.

3.2

[eiseres 1] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] het bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is geworden, omdat hij niet binnen de in de brief van 29 december 2014 gestelde termijn het factuurbedrag van € 169,08 volledig heeft voldaan.

3.3

[gedaagde] betwist de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Hij stelt dat hem, toen hij 1,5 jaar nadat hij een nieuw kunstgebit had laten maken en had betaald, volstrekt niet duidelijk was waarop de nota van € 169,08 betrekking had. Pas naar aanleiding van diverse telefoontjes en een e-mail van hem aan [eiseres 1] is hem op 23 januari 2013 duidelijk geworden dat de door hem op 14 augustus 2013 betaalde nota ongeveer een jaar later is gecorrigeerd en dat in september 2014 een bedrag van € 172,50 aan hem is teruggestort. Hij heeft daar geen enkele mededeling over ontvangen en hij heeft de bijschrijving destijds niet opgemerkt. De correctie komt erop neer dat hij in 2013 per saldo 3,42 teveel had betaald. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiseres 1] had kunnen volstaan met terugbetaling aan hem van die € 3,42. In plaats daarvan heeft [eiseres 1] € 172,50 teruggestort en, nog weer veel later, opnieuw een factuur gestuurd voor € 169,08. [gedaagde] merkt op dat ook verwarrend is dat zijn kunstgebit is gemaakt door [naam 2] , terwijl op de facturen als zorgverlener staat vermeld [naam 3] .

[gedaagde] stelt dat hij begin februari 2015 heeft gebeld met mevrouw [naam 4] van [naam 1] . Hij heeft zich bereid verklaard het bedrag van € 169,08 alsnog te betalen, en mevrouw [naam 4] is daarmee akkoord gegaan, aldus [gedaagde] . [gedaagde] vindt het niet terecht dat hij nu incassokosten zou moeten betalen, terwijl hij zijn factuur in 2013 al heeft betaald, en [eiseres 1] zelf een probleem heeft gecreëerd door teveel terug te storten, zonder te communiceren.

3.4

Bij conclusies van re- en dupliek hebben partijen over en weer op elkaars stellingen gereageerd. Wat zij daarbij naar voren hebben gebracht zal, voor zover relevant hierna worden besproken.

De kantonrechter overweegt als volgt.

3.5

[eiseres 1] baseert haar vordering op artikel 6:96 lid 2 sub c BW, waarin is bepaald dat als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen “redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte”.

3.6

Met ingang van 1 juli 2012 is de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het bijbehorende Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit) in werking getreden. Aan artikel 6:96 BW zijn een aantal leden toegevoegd, waaronder lid 6, dat bepaalt – kort gezegd – dat een consument pas buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, nadat hij, na het intreden van verzuim, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na de aanmaning, waarbij in de aanmaning tevens dient te worden vermeld wat de gevolgen zijn van het niet betalen binnen de gestelde termijn en het bedrag van de incassokosten dat dan verschuldigd wordt.

3.7

[eiseres 1] stelt dat zij met de brief van 29 december 2014 aan die in 6:96 lid 6 BW gestelde voorwaarden heeft voldaan en dat [gedaagde] niet binnen de in die brief gestelde termijn het volledige factuurbedrag heeft voldaan. Daardoor is hij volgens [eiseres 1] de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden.

3.8

[eiseres 1] lijkt aldus te miskennen dat voor de vraag of [gedaagde] incassokosten aan haar verschuldigd is, ook dient te worden beoordeeld of die kosten in dit geval in redelijkheid gemaakt zijn. In dit verband verwijst de kantonrechter naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2014, gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2014:1405, rechtsoverwegingen 3.3 tot en met 3.5:

3.3

“De vraag houdt verband met de toepassing van de leden 5-7 van art. 6:96 BW, die met ingang van 1 juli 2012 van kracht zijn geworden, tezamen met het in lid 5 bedoelde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, Stb. 2012, 141 (hierna: het Besluit).

Met deze nieuwe regelgeving heeft de wetgever beoogd ter zake van de incasso van, kort gezegd, contractuele geldschulden (als omschreven in art. 1 Besluit) houvast te bieden omtrent de hoogte van de in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW genoemde redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Laatstgenoemde bepaling behelst een ‘dubbele redelijkheidstoets’ die inhoudt, kort gezegd, dat zowel het maken van de kosten als de hoogte van de kosten redelijk moet zijn (vgl. HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740, NJ 1999/196). Op grond van art. 6:96 lid 5 BW is daartoe in het Besluit de (maximale) hoogte van de vergoeding van deze kosten vastgesteld op een forfaitair percentage van de verschuldigde hoofdsom (art. 2 Besluit). Lid 5 bepaalt voorts dat van deze regels niet ten nadele van een consument-schuldenaar kan worden afgeweken. Ingevolge lid 6 is een consument-schuldenaar de kosten pas verschuldigd indien hij, na het intreden van zijn verzuim, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling (waaronder de vergoeding overeenkomstig het Besluit) vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen. De in lid 6 bedoelde aanmaning wordt hierna, in navolging van het vonnis van de kantonrechter en de literatuur, ook wel aangeduid als de veertiendagenbrief.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze nieuwe regels, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.15-3.17, blijkt dat de wetgever hiermee met name de ‘tweede redelijkheidstoets’ (de hoogte van de kosten) heeft willen normeren. Deze normering geschiedt aan de hand van een forfaitair percentage dat uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom. Hiermee is beoogd voor beide partijen duidelijkheid en rechtszekerheid te scheppen over de hoogte van de verschuldigde kosten, zodat daarover conflicten en een eventuele gang naar de rechter worden voorkomen.

Met de normering van de hoogte van de verschuldigde incassokosten is niet beoogd ook de ‘eerste redelijkheidstoets’ (de vraag of het redelijk is dat kosten zijn gemaakt) in te vullen.

(………….)

Niet beoogd is recht te geven op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, wanneer in redelijkheid onvoldoende aanleiding bestond incassohandelingen te verrichten.”

3.9

Voor het oordeel over de vraag of hier aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan, is de voorgeschiedenis, zoals weergegeven in alinea 3.1, relevant. [eiseres 1] stelt zich, zo begrijpt de kantonrechter haar reactie in de conclusie van repliek op het verweer van [gedaagde] , op het standpunt dat de factuur van 30 mei 2013, met het nummer 19.97105.010009265, niets te maken heeft met de onderhavige zaak en met de nieuwe factuur van 13 november 2014, nummer 99.97105.017838192. Zulks ten onrechte, naar het oordeel van de kantonrechter, nu de tweede factuur in feite een correctie is van de eerste. Kort gezegd komt het erop neer dat door de zorgverzekeraar de post Techniek/Materiaalkosten op de eerste factuur is gecorrigeerd, waardoor [gedaagde] daar per saldo € 3,42 teveel voor heeft betaald. [gedaagde] stelt dat [eiseres 1] simpelweg had kunnen volstaan met terugbetaling van dat bedrag. In reactie daarop stelt [eiseres 1] bij repliek het volgende: ”Alvorens het vrijgekomen bedrag ad € 172,50 op 11 september 2014 is teruggestort, heeft [eiseres 1] ex artikel 6:43 lid 2 BW onderzocht of op dat moment andere openstaande facturen stonden waarmee het bedrag eventueel kon worden verrekend. Dit was niet het geval waardoor de restitutie van het bedrag heeft plaatsgevonden. Onderhavige factuur dateert van 13 november 2014 (..) Op de dag van de restitutie d.d. 11 september 2014 was onderhavige factuur nog niet aangemaakt en verzonden. Derhalve kon van [eiseres 1] de verrekening niet gevergd worden, omdat er op het moment van restitutie geen andere openstaande facturen waren.”

3.10

Die redenering snijdt naar het oordeel van de kantonrechter geen hout. De enige reden dat [eiseres 1] een en ander niet kon verrekenen is, omdat zij in plaats van de oorspronkelijke nota te corrigeren met het nieuwe verschuldigde bedrag, van de correctie een aparte nota met een nieuw nummer heeft gemaakt en dat dan ook nog eens ruim twee maanden later. Door die wijze van administratieve verwerking heeft zij voor zichzelf verrekening onmogelijk gemaakt. Wellicht zijn er systeemtechnische redenen voor [eiseres 1] om dit op deze manier te verwerken, maar daarvan hoeft [gedaagde] niet de dupe te worden. Door dan bovendien een bedrag op de rekening van [gedaagde] terug te storten zonder hem daarover schriftelijk of per e-mail te informeren en uit te leggen wat de reden van deze terug storting is, creëert [eiseres 1] zelf de situatie dat voor [gedaagde] volstrekt onduidelijk is waarom hij 1,5 jaar nadat hij zijn nieuwe kunstgebit heeft gekregen en betaald, opeens alsnog een rekening krijgt. De kantonrechter onderschrijft ook de opmerking van [gedaagde] dat de verwarring wordt versterkt door het feit dat in de nota’s [naam 3] te Boxtel als zorgverlener is vermeld terwijl [gedaagde] alleen te maken heeft gehad met [naam 2] , terwijl de connectie tussen die bedrijven nergens uit blijkt. De kantonrechter is van oordeel dat van [eiseres 1] had mogen worden verwacht dat zij alleen het teveel betaalde bedrag van € 3,42 had teruggestort, waarmee de zaak afgedaan was geweest. Als dat om technische redenen niet mogelijk was, had [eiseres 1] in elk geval over de terug storting van het bedrag van € 172,50 met [gedaagde] moeten communiceren. Dan had hij meteen het gecorrigeerde bedrag van € 169,08 opnieuw kunnen betalen en was duidelijk geweest waarom en waarvoor dit verschuldigd was.

3.11

Vaststaat dat [gedaagde] op 9 januari 2015, derhalve vóór het aflopen van de in de brief van 29 december 2015 gestelde termijn, telefonisch contact heeft opgenomen met [eiseres 1] om opheldering te vragen. Nog afgezien van het feit dat de hiervoor geschetste voorgeschiedenis voor [eiseres 1] op zichzelf al reden had kunnen zijn geen buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen, was er in elk geval na dat telefoontje voor haar alle reden het incassotraject “on hold” te zetten, [gedaagde] helder uiteen te zetten wat de situatie was en hem vervolgens een redelijke termijn te gunnen het bedrag van € 169,08 alsnog opnieuw te betalen. Die duidelijkheid is er voor [gedaagde] pas op 23 januari 2015 gekomen. Vervolgens heeft hij op 20 februari 2015 het bedrag betaald.

3.12

Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres 1] in redelijkheid onvoldoende aanleiding had het incassotraject voort te zetten en [gedaagde] daarvoor kosten in rekening te brengen. De vordering zal dus worden afgewezen.

4 De kosten

[eiseres 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen. [gedaagde] heeft gesteld dat hij 18 uur heeft moeten besteden aan de onderhavige zaak. Hij rekent een uurtarief van € 25,00, stellende dat dat het bedrag is dat hij per uur betaalt aan zijn werkgever voor extra verlofuren. Artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet echter niet in de mogelijkheid van het toekennen van een vergoeding voor alle tijd die [gedaagde] aan zijn zaak heeft besteed. Slechts de reiskosten en de verletkosten voor het bijwonen van de (rol)zitting kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter begroot deze kosten in totaal op € 50,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres 1] tot betaling van de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot op heden begroot op € 50,00 voor reis- en verletkosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Rouwen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 28 oktober 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.