Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:8020

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-12-2015
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
AWB 15_3987
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3987 PW

uitspraak van 3 december 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.M. de Jong,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Tilburg op 27 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Moren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L.B. van Mierlo.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt sinds 2012 een bijstandsuitkering. Hij woonde eerst nog thuis bij zijn moeder, maar hij heeft in februari 2015 de sleutel gekregen van zijn eigen woning.

Eiser heeft in februari 2015 gevraagd om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Bij besluit van 23 februari 2015 (primair besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Het college stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Eiser is verhuisd van zijn ouderlijk huis naar een zelfstandige woning. Er is sprake van een eerste woninginrichting. Dit dient in beginsel betaald te worden uit het eigen inkomen. In dit geval zijn er ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de regelgeving.

3. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Er zijn bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan eiser bijzondere bijstand toegekend had moeten worden. Daarnaast is er sprake van schending van het motiveringsbeginsel.

4. Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet luidt als volgt:

Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten voor woninginrichting zich voordoen en dat deze kosten in het individuele geval van eiser noodzakelijk zijn. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.

6. De rechtbank stelt voorop dat bij een aanvraag om bijzondere bijstand het aan de aanvrager is om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.

Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij het ouderlijk huis moest verlaten, omdat hij ruzie had met zijn moeder en hij al geruime tijd niet kon opschieten met zijn drie broertjes. Daarnaast heeft eiser niet kunnen reserveren, wat volgens eiser in dit geval ook een bijzondere omstandigheid oplevert.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een noodzaak tot verhuizing. De enkele stelling dat hij ruzie had met zijn moeder en niet kon opschieten met zijn broertjes, is daartoe onvoldoende. Pas ter zitting heeft eiser gesteld dat zowel hij als zijn broertjes in het verleden onder toezicht zijn gesteld. Ook dit is niet nader onderbouwd. De enkele stelling dat eiser in het verleden onder toezicht zou zijn gesteld, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser in februari 2015 moest verhuizen.

Daarnaast blijkt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat het niet kunnen reserveren geen bijzondere omstandigheid oplevert. Ook niet als – zoals bij eiser – er sprake is van een schuld.

Eiser heeft gewezen op een rapportage van het college waarin staat dat er wel sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank overweegt hierover dat deze rapportage is opgemaakt in het kader van een andere aanvraag, namelijk eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor de eerste huur en waarborg. Weliswaar staat in die rapportage dat er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat dit berust op een kennelijke verschrijving. Die aanvraag om bijzondere bijstand is namelijk (ook) afgewezen, waarbij het college zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om van de regelgeving af te wijken.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Van strijd met het motiveringsbeginsel is dan ook geen sprake.

9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.