Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:800

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
C/02/285059 / HA ZA 14-529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de in het arrest van de Hoge Raad “Ontvanger - Roelofsen” (NJ 2006/659) gegeven maatstaf, van het na ontbinding van de vennootschap achterwege laten van vereffening met als gevolg dat de vennootschap ophoudt te bestaan, aan de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt is te maken indien zij wisten of redelijkerwijze hadden behoren te weten dat de vennootschap, anders dan zij aan de Kamer van Koophandel opgaven, wel baten had. In dat geval bewerkstelligen zij immers door hun opgave dat de vennootschap zonder vereffening ophoudt te bestaan en de schuldeiser vervolgens zijn vordering niet op de vennootschap kan verhalen, al of niet na een faillissementsaanvraag. Zij overschrijden alsdan de in acht te nemen zorgvuldigheid c.q. zij veronachtzamen alsdan ten onrechte de belangen van de schuldeiser van de vennootschap. De omstandigheid dat die schuldeiser via een verzoek om (her)opening van de vereffening zou kunnen verzoeken of het faillissement van de vennootschap zou kunnen aanvragen, leidt er in dat geval niet toe dat moet worden geoordeeld dat het causaal verband tussen het achterwege laten van vereffening en het onverhaalbaar zijn van de vordering van de schuldeiser in zodanig verwijderd verband met elkaar staan, dat dit niet als een gevolg van dat handelen (nalaten) aan de bestuurders kan worden toegerekend. De directe, dominante oorzaak van het onverhaalbaar zijn blijft dan immers het niet vereffenen terwijl er wel baten zijn. De omstandigheid dat, indien er wel baten zijn, de schade van de schuldeiser ook haar oorzaak vindt in het achterwege laten van een verzoek om (her)opening van de vereffening of het aanvragen van een faillissement heeft als verder verwijderde oorzaak te gelden en doorbreekt alsdan het causaal verband tussen het achterwege laten van vereffening door de bestuurders en de schade van de schuldeiser niet.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 9
Burgerlijk Wetboek Boek 2 11
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 248
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/234
AR 2015/710
JONDR 2015/448
JOR 2015/103 met annotatie van mr. C.J. Scholten
OR-Updates.nl 2015-0092
INS-Updates.nl 2015-0066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/285059 / HA ZA 14-529

Vonnis van 11 februari 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HELION CHEMIE BV,

gevestigd te Honselersdijk,

eiseres,

advocaat mr. D.J.G. Timmermans,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVENT BUSINESS SOFTWARE BV,

gevestigd te Woensdrecht,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 2] [land gedaagde sub 2],

gedaagden,

advocaat mr. J.C. Debije.

Partijen zullen hierna Helion Chemie, Invent Business Software en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 oktober 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Helion Chemie vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Invent Business Software en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen om aan Helion Chemie te betalen een bedrag van € 51.858,-, vermeerderd met wettelijke rente, de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en de nakosten.

2.2.

Invent Business Software en [gedaagde sub 2] hebben de vordering weersproken.

3. De beoordeling

3.1.

De rechtbank stelt in deze zaak tussen partijen de volgende feiten vast.

3.1.1.

[gedaagde sub 2] is bestuurder van Invent Business Software. Invent Business Software was bestuurder van Valar Groep B.V. (hierna: Valar Groep).

3.1.2.

Helion Chemie heeft Valar Groep op 3 januari 2012 gedagvaard en daarbij van Valar Groep schadevergoeding gevorderd op grond van wanprestatie. De rechtbank Rotterdam heeft bij tussenvonnis van 29 augustus 2012 onder meer geoordeeld dat Valar Groep jegens Helion Chemie wanprestatie heeft gepleegd en dat Helion Chemie terecht de tussen partijen gesloten overeenkomst heeft ontbonden. Ter vaststelling van de omvang van de op Valar Groep rustende ongedaanmakingsverbintenis en de op Valar Groep rustende schadevergoedingsverbintenis heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze heeft geen doorgang gevonden omdat de advocaat van Valar Groep zich had onttrokken en zich geen nieuwe advocaat had gesteld. De rechtbank Rotterdam heeft vervolgens bij vonnis van 5 juni 2013 onder meer Valar Groep veroordeeld om aan Helion Chemie te betalen een bedrag van € 45.548,07, vermeerderd met wettelijke rente, en Valar Groep veroordeeld in de proceskosten. Ten tijde van de dagvaarding in de onderhavige zaak gaat het om een bedrag van € 51.858,-.

3.1.3.

De algemene vergadering van aandeelhouders van Valar Groep heeft op 31 januari 2013, derhalve na het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam en vóór het eindvonnis van die rechtbank, het besluit genomen tot ontbinding van Valar Groep. Invent Business Software heeft op 4 februari 2013 - in de persoon van [gedaagde sub 2] - als bestuurder van Valar Groep op grond van artikel 2:19 leden 3 en 4 BW aan het handelsregister van de Kamer van koophandel opgaaf gedaan van de ontbinding van Valar Groep en van de omstandigheid dat Valar Groep ten tijde van de ontbinding geen baten meer had. Er heeft derhalve geen vereffening van de ontbonden vennootschap Valar Groep plaatsgehad.

3.1.4.

Bij brief van 30 december 2013 heeft Helion Chemie Invent Business Software en [gedaagde sub 2] als (indirect) bestuurder van Valar Groep op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gesteld voor de schade die Helion Chemie lijdt - kort gezegd - doordat bij gebreke van vereffening van de ontbonden vennootschap Valar Groep voormeld door de rechtbank Rotterdam toegewezen bedrag onverhaalbaar is.

3.2.

Helion Chemie legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Invent Business Software en [gedaagde sub 2] hadden de Kamer van Koophandel op 4 februari 2013 niet mogen meedelen dat Valar Groep met ingang van 31 januari 2013 is ontbonden, onder vermelding dat Valar Groep op dat moment geen baten meer had. Invent Business Software en [gedaagde sub 2] waren op 4 februari 2013 op de hoogte van het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam en dienden er ernstig rekening mee te houden dat Valar Groep enig bedrag aan Helion Chemie zou moeten betalen. Bovendien had Valar Groep ten tijde van de procedure jegens haar ook een vordering op Helion Chemie, zij het dat de rechtbank Rotterdam die heeft verrekend met de vordering van Helion Chemie op Valar Groep. Zij hadden dan ook als bestuurder tot vereffening van Valar Groep moeten overgaan en, indien zou blijken dat Valar Groep geen (toereikende) baten had om haar schulden te voldoen, op grond van artikel 2:23a lid 4 BW aangifte tot faillietverklaring van Valar Groep moeten doen. Alsdan zouden Invent Business Software en [gedaagde sub 2] als (indirect) bestuurder van Valar Groep op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk zijn voor het gehele boedeltekort vanwege schending van de publicatieplicht ter zake van de jaarrekeningen van Valar Groep en zou Helion Chemie haar vordering voldaan krijgen. Door hun handelen hebben Invent Business Software en [gedaagde sub 2] bewerkstelligd dat Valar Groep geen verhaal voor de vordering van Helion Chemie biedt. Helion Chemie beroept zich ter ondersteuning van haar standpunt op een vonnis van de rechtbank Arnhem van 26 juli 2006 (JOR 2007/29).

3.3.

Invent Business Software en [gedaagde sub 2] voeren aan dat bij gebreke van baten ten tijde van het besluit tot ontbinding van Valar Groep vereffening niet aan de orde is. Indien wel tot vereffening zou zijn overgegaan zou deze met de vaststelling dat er geen baten waren om de schulden te voldoen, gelet op artikel 2:19 lid 6 BW, terstond eindigen. Door het verlies van haar softwarepakket, de belangrijkste actiefpost van Valar Groep, na uitwinning door een derde van een daarop rustend pandrecht, verdween de enige bate van Valar Groep. In een situatie van faillissement zou de uitkomst voor Helion Chemie bij gebreke van baten niet anders zijn geweest. Van onbehoorlijk bestuur is geen sprake; de oorzaak van het faillissement - indien aan de orde - is gelegen in het verlies van het softwarepakket van Valar Groep en het daaraan verbonden gevolg dat geen inkomsten meer konden worden gegenereerd. Bovendien komt alleen de curator namens de gezamenlijke schuldeisers in een faillissementssituatie een vordering op grond van artikel 2:248 BW toe en niet een individuele schuldeiser als Helion Chemie in de onderhavige procedure.

Met het achterwege laten van vereffening wijzigt een bestuurder niets aan de vermogenstoestand van een vennootschap. Crediteuren worden aldus niet benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden als gevolg van het achterwege laten van vereffening. Het achterwege laten van vereffening is dan niet te duiden als een persoonlijk ernstig verwijt aan een bestuurder, een vereiste om van onrechtmatige daad te kunnen spreken.

Er bestaat geen causaal verband tussen het achterwege laten van vereffening en de schade van Helion Chemie. Die schade wordt veroorzaakt doordat Valar Groep geen baten heeft en niet doordat geen vereffening heeft plaatsgehad. Ook indien er nog wel baten zouden zijn bestaat er geen causaal verband tussen het achterwege laten van vereffening en de schade van Helion Chemie. In dat geval is immers Valar Groep niet ontbonden, maar bestaat zij nog. Helion Chemie kan in dat geval beslag leggen onder baten van Valar Groep. Ook kan zij in dat geval de rechtbank om opening van de vereffening verzoeken of het faillissement van Valar Groep aanvragen. Indien de baten van Valar Groep in die gevallen ontoereikend blijken, vindt de schade die Helion Chemie alsdan lijdt wederom zijn oorzaak in het ontoereikend zijn van de baten van Valar Groep en niet in het achterwege laten van vereffening, aldus Invent Business Software en [gedaagde sub 2].

3.4.

Voor de rechtbank ligt de vraag voor of Invent Business Software en, via artikel 2:11 BW, [gedaagde sub 2] jegens Helion Chemie aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad. Helion Chemie verwijt Invent Business Software en [gedaagde sub 2] onrechtmatig te hebben gehandeld in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder van Valar Groep. Bij de beoordeling geldt dan het volgende.

Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap, Helion Chemie, door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering op grond van het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke verplichtingen, in dit geval in het kader van de vereffening, niet nakomt. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan is sprake indien het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

3.5.

Voormelde maatstaf in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat Invent Business Software en [gedaagde sub 2] bij het achterwege laten van vereffening op de hoogte waren, althans behoorden te zijn, van de vordering van Helion Chemie op Valar Groep niet als persoonlijk ernstig verwijt is aan te merken. Artikel 2:19 lid 4 BW verbiedt het onder deze omstandigheden achterwege laten van vereffening naar haar bewoordingen niet. Omdat toepassing van dit artikel in situaties waarin een vennootschap geen baten, maar alleen schulden heeft een gangbare praktijk is, ziet de rechtbank geen aanleiding ambtshalve, bij gebreke van debat tussen partijen, te onderzoeken of artikel 2:19 lid 4 BW, ondanks haar bewoordingen, aldus moet worden uitgelegd dat het alleen toepassing mag vinden indien een vennootschap geen baten en ook geen schulden heeft.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat van het achterwege laten van vereffening met als gevolg dat Valar Groep ophoudt te bestaan aan Invent Business Software en [gedaagde sub 2] een persoonlijk ernstig verwijt is te maken indien zij wisten of redelijkerwijze hadden behoren te weten dat Valar Groep, anders dan zij aan de Kamer van Koophandel opgaven, wel baten had. In dat geval bewerkstelligen zij immers door hun opgave dat Valar Groep zonder vereffening ophoudt te bestaan en Helion Chemie vervolgens haar vordering niet op Valar Groep kan verhalen, al of niet na een faillissementsaanvraag. Zij overschrijden alsdan de in acht te nemen zorgvuldigheid c.q. zij veronachtzamen alsdan ten onrechte de belangen van Helion Chemie, als schuldeiser van Valar Groep. De omstandigheid dat Helion Chemie via een verzoek om (her)opening van de vereffening zou kunnen verzoeken of het faillissement van Valar Groep zou kunnen aanvragen leidt er in dat geval niet toe dat moet worden geoordeeld dat het causaal verband tussen het achterwege laten van vereffening en het onverhaalbaar zijn van de vordering van Helion Chemie in zodanig verwijderd verband met elkaar staan, dat dit niet als een gevolg van dat handelen (nalaten) aan Invent Business Software en [gedaagde sub 2] kan worden toegerekend. De directe, dominante oorzaak van het onverhaalbaar zijn blijft dan immers het niet vereffenen terwijl er wel baten zijn. De omstandigheid dat, indien er wel baten zijn, de schade van Helion Chemie ook haar oorzaak vindt in het achterwege laten van een verzoek om (her)opening van de vereffening of het aanvragen van een faillissement heeft als verder verwijderde oorzaak te gelden en doorbreekt alsdan het causaal verband tussen het achterwege laten van vereffening door Invent Business Software en [gedaagde sub 2] en de schade van Helion Chemie niet.

3.7.

Op Helion Chemie rusten stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat Invent Business Software en [gedaagde sub 2] wisten of redelijkerwijze hadden behoren te weten dat Valar Groep, anders dan zij aan de Kamer van Koophandel opgaven, wel baten had.

3.8.

Helion Chemie heeft gewezen op de op de balans van Valar Groep in 2012 nog opgenomen post vlottende activa van € 187.168,- en meegedeeld dat het vragen oproept dat deze post in 2013 niet meer op de balans van Valar Groep voor komt. Invent Business Software en [gedaagde sub 2] hebben gemotiveerd toegelicht dat deze actiefpost is verdwenen als gevolg van een door een derde uitgeoefend pandrecht. Zonder nadere toelichting van Helion Chemie, die ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze bate bij Valar Groep ten tijde van de mededeling van haar ontbinding aan de Kamer van Koophandel nog aanwezig was. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, in de hypothetische situatie dat Invent Business Software en [gedaagde sub 2] een dergelijk bedrag zouden hebben weggemaakt of aan Valar Groep zouden hebben onttrokken, Helion Chemie hen op die grond zou kunnen aanspreken. Causaal verband tussen de schade van Helion Chemie en het achterwege laten van vereffening is dan niet aanwezig.

3.9.

Wat betreft de door Helion Chemie genoemde bate, bestaande uit een vordering van Valar Groep in de procedure bij de rechtbank Rotterdam geldt dat Invent Business Software en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd dat deze ten gevolge van het beroep van Helion Chemie op verrekening (rechtbank: in het proces-verbaal van 28 november 2014 is ten onrechte vermeld dat Valar Groep een beroep op verrekening heeft gedaan) van die vordering met de vordering van Helion Chemie op het moment van dat beroep teniet was gegaan. Uit rov 2.7. van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2013 blijkt dat Helion Chemie dit beroep op verrekening bij brief van 27 februari 2009 heeft gedaan. Wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, gaan beide verbintenissen op dat moment tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. Dat is slechts anders indien naderhand komt vast te staan dat niet aan alle eisen van artikel 6:127 BW is voldaan. Dat is niet aan de orde. Dat betekent dat de rechtbank niet tot de vaststelling komt dat deze bate bij Valar Groep ten tijde van de mededeling van haar ontbinding aan de Kamer van Koophandel nog aanwezig was.

3.10.

Helion Chemie heeft tot slot aangevoerd dat van een bate sprake was omdat er op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW van Invent Business Software en [gedaagde sub 2] baten ten behoeve van Valar Groep zouden ontstaan. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het in rov 3.6. overwogene, voor toewijzing van de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad is vereist dat in deze procedure op grond van een volle, en niet een terughoudende of summiere toets, komt vast te staan dat Invent Business Software en [gedaagde sub 2] Valar Groep onbehoorlijk hebben bestuurd en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement van Valar Groep zou zijn geweest wanneer het faillissement van Valar Groep zou zijn uitgesproken. Indien dat komt vast te staan moet worden geoordeeld dat het bestuur, in aanmerking genomen het door hen te dienen belang van de vennootschap Valar Groep, het verkrijgen van zo veel mogelijk activa ook in een faillissementssituatie, tot vereffening en vervolgens aangifte tot faillietverklaring had behoren over te gaan. Het is dan ook aan Helion Chemie om in deze procedure voldoende concrete feiten te stellen die de rechtbank tot het oordeel kunnen brengen dat van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW sprake is. Wanneer wordt voorbijgegaan aan de onzekerheid of een curator wel een vordering op grond van artikel 2:248 BW zal willen instellen en of een rechter-commissaris daar vervolgens toestemming voor zal geven, geldt in deze zaak het volgende. Helion Chemie heeft onweersproken gesteld dat Invent Business Software en [gedaagde sub 2] zijn tekortgeschoten in hun verplichting alle jaarrekeningen van Valar Groep tijdig openbaar te maken. Dat brengt mee dat het bestuur van Valar Groep haar taak onbehoorlijk heeft uitgeoefend en dat wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakuitoefening een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Invent Business Software en [gedaagde sub 2] hebben echter gemotiveerd uiteengezet dat het faillissement - indien aan de orde - is veroorzaakt door het verlies van de actiefpost, te weten een softwarepakket, met als gevolg dat Valar Groep geen inkomsten meer kon genereren. Helion Chemie heeft dit vervolgens niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Invent Business Software en [gedaagde sub 2] hebben daarmee voormeld vermoeden weerlegd. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure niet tot het oordeel komt dat Valar Groep ten tijde van de mededeling van ontbinding een bate had, bestaande uit een (toekomstige) vordering (van de curator in een faillissement van Valar Groep) op Invent Business Software en [gedaagde sub 2] op grond van artikel 2:248 BW.

3.11.

Het vorenstaande betekent dat aan de in rov 3.6. vermelde voorwaarden om van een onrechtmatige daad van Invent Business Software en [gedaagde sub 2] te kunnen spreken niet is voldaan. De vordering van Helion Chemie behoort te worden afgewezen. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Invent Business Software en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld en, zoals gevorderd in de nakosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt Helion Chemie in de proceskosten, aan de zijde van Invent Business Software en [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 3.680,-, waarin begrepen € 1.788,- voor salaris advocaat;

4.3.

veroordeelt Helion Chemie in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Helion Chemie niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

4.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven, Van den Heuvel en [voorl.]Combee en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.