Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7972

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
02/306561 / HA RK 15-201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Breda

zaaknummer: 02/306561 / HA RK 15-201

Beslissing van 14 december 2015

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van

[naam verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker,

advocaat: mr. H.C.W. Geffroy.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juni 2015 van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende stukken, in welk vonnis een comparitie van partijen is gelast in de bodemprocedure tussen verzoeker en de curator in het faillissement van Bouwgroep Jochems B.V.;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen die op 26 oktober 2015 heeft plaatsgevonden;

  • -

    de brief van 27 oktober 2015 van verzoeker waarin hij de behandelend rechter wraakt;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek op 23 november 2015 ter zitting van de wrakingskamer, waarbij zijn verschenen: verzoeker, de advocaat van verzoeker, de curator, de advocaat van de curator alsmede de behandelend rechter;

  • -

    de pleitaantekeningen van de behandelend rechter;

  • -

    het memo van de curator.

1.2

De datum van de beslissing is bepaald op 7 december 2015. De beslissing is vervolgens aangehouden tot heden.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Hermans, handelsrechter, die belast is met de behandeling van de zaak met nummer C/02/297228 / HA ZA 15-214, betreffende een vordering die door de curator is ingesteld tegen verzoeker.

2.2.

De handelsrechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3 De feiten

3.1.

Verzoeker heeft op 13 januari 2014 met Bouwgroep Jochems B.V. een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de bouw van een woning aan de [adres] te [plaatsnaam] tegen een aanneemsom van € 1.165.000,- exclusief btw. De bouw zou moeten aanvangen op 27 januari 2014 en de woning zou op 28 november 2014 moeten worden opgeleverd. Indien de opleveringsdatum wordt overschreden dient Bouwgroep Jochems B.V. aan verzoeker een schadevergoeding te betalen. Tot meerdere zekerheid voor de juiste en volledige nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft Bouwgroep Jochems B.V. een door de Rabobank verstrekte bankgarantie gesteld.

In de aannemingsovereenkomst is verder nog opgenomen dat verzoeker het recht heeft de overeenkomst te ontbinden indien Bouwgroep Jochems B.V. in staat van faillissement wordt verklaard.

3.2.

Op 11 februari 2014 is de besloten vennootschap Bouwgroep Jochems B.V. in staat

van faillissement verklaard. Mr. B.F. Louwerier is benoemd tot curator.

3.3.

De curator heeft geregeld dat alle lopende opdrachten van Bouwgroep Jochems B.V. kunnen worden overgenomen door P.C. Soffers Aannemersbedrijf B.V. Verzoeker is met de directeur van dit aannemersbedrijf in overleg getreden over de uitvoering van zijn bouwplan. Zij hebben geen overeenstemming bereikt over de realisering van dit project.

Bij brief van 24 maart 2014 aan de curator heeft verzoeker de aannemingsovereenkomst met Bouwgroep Jochems B.V. buitengerechtelijk ontbonden.

3.4.

Op 16 april 2014 heeft verzoeker een overeenkomst van aanneming van werk gesloten met VHR Bouw B.V. met dezelfde inhoud als de overeenkomst met Bouwgroep Jochems B.V. maar tegen een hogere aanneemsom van € 1.287.652,- exclusief btw. De woning is op 1 mei 2015 opgeleverd.

3.5.

Op 26 januari 2015 heeft verzoeker jegens de Rabobank aanspraak gemaakt op uitbetaling van het volledige bedrag van de bankgarantie. Ondanks protesten van de curator heeft de bank op 11 februari 2015 een bedrag van € 174.750,- aan verzoeker uitgekeerd.

3.6.

De curator heeft verzoeker gedagvaard voor deze rechtbank. Hij vordert een verklaring voor recht dat verzoeker door het trekken van de bankgarantie onrechtmatig heeft gehandeld jegens de boedel van de gefailleerde Bouwgroep Jochems B.V. Tevens vordert de curator betaling van het door verzoeker ontvangen bedrag van € 174.750,-. Verzoeker voert gemotiveerd verweer.

3.7.

Bij tussenvonnis van 17 juni 2015 heeft de rechtbank bepaald dat er in deze zaak een comparitie van partijen zal plaatsvinden. De comparitie is vervolgens ingepland op maandag 26 oktober 2015. Op vrijdag 23 oktober 2015 omstreeks 16.33 uur heeft de curator nog een stuk toegezonden aan de rechtbank. Het betreft een telefoonnotitie van de advocaat van de curator van een gesprek met de directeur van P.C. Soffers Aannemersbedrijf B.V. waarin de directeur op acht punten ingaat op het verweer van verzoeker.

3.8.

Op de comparitie, gehouden op 26 oktober 2015, zijn de curator en de verzoeker, bijgestaan door mr. Geffroy, verschenen. Van de comparitie is vervolgens een proces-verbaal opgemaakt.

4 De gronden van het wrakingsverzoek en het standpunt van verzoeker

4.1.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de handelsrechter bij hem de schijn van partijdigheid heeft gewekt, door haar houding en haar vragen en opmerkingen ter comparitie. Ter onderbouwing voert hij aan dat de handelsrechter ter zitting een aantal ongepaste opmerkingen heeft gemaakt, vaak op een vervelende toon, alsmede dat zij onjuiste en ridicule standpunten heeft ingenomen. Na de zitting is gebleken dat de handelsrechter nauwe banden heeft met het advocatenkantoor van de curator en vriendschappelijk met dat kantoor omgaat. De nauwe banden blijken uit het feit dat de handelsrechter met enkele advocaten van het kantoor van de curator naar congressen is geweest en dat zij een keer samen een verslag van een congres hebben gepubliceerd. Verder heeft de handelsrechter een artikel geschreven voor het liber amicorum voor een advocaat van dat kantoor en daarin heeft zij zich opvallend lovend uitgelaten over die collega van de curator.

4.2.

Ter zitting van de wrakingskamer licht verzoeker toe dat het wrakingsverzoek berust op de twee voornoemde argumenten, die primair als zelfstandige gronden moeten worden beschouwd en subsidiair in verband met elkaar moeten worden bezien.

4.3.

De wrakingskamer zal bij de beoordeling nader ingaan op de door verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek gestelde feiten en omstandigheden.

5 Het standpunt van de handelsrechter

5.1.

De handelsrechter stelt zich op het standpunt dat de aangevoerde feiten en omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat zij jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert.

Zij bevestigt dat de comparitie vanaf vrij kort na aanvang is verlopen in een sfeer die zij als onbehaaglijk heeft ervaren, maar die te wijten is aan de houding van de advocaat van verzoeker. De advocaat gaf blijk van een achterdocht en wantrouwen die de handelsrechter niet kon plaatsen. De advocaat insinueerde in verschillende bewoordingen en op verschillende momenten dat de handelsrechter niet integer en niet onpartijdig was, maar ter zitting heeft hij ondanks vragen daartoe van de handelsrechter niet de punten naar voren gebracht waar het onderhavige wrakingsverzoek op is gebaseerd. De handelsrechter heeft de zitting twee keer geschorst, maar ondanks de mogelijkheid tot overleg hebben verzoeker en zijn advocaat niet besloten om een wrakingsverzoek te doen.

Inhoudelijk begrijpt de handelsrechter niet welke toon en welke houding haar nu worden verweten. Zij ontkent dat zij ter comparitie op amicale wijze is omgegaan met de curator. De professionele mening van de advocaat van verzoeker dat haar juridisch oordeel ridicuul is, heeft zij als beledigend ervaren.

De handelsrechter kent de curator en diens kantoorgenoten beroepsmatig en op congressen ontmoet zij ook andere mensen uit de rechtspraktijk. Die professionele contacten staan voor haar er niet aan in de weg om zaken te behandelen waarin die personen optreden. Het verslag van het congres in 2011 hebben zij en de advocaten van het kantoor van de curator elk afzonderlijk geschreven.

5.2.

De handelsrechter licht nog toe dat zij niet vindt dat het wrakingsverzoek tardief is gedaan. Zij is alleen verbaasd dat het verzoek pas na afloop van de zitting is gedaan. Zij begrijpt niet goed waar de door de advocaat van verzoeker veroorzaakte onbehaaglijke sfeer op de zitting vandaan kwam. Ze dacht dat ze werd uitgelokt om boos te worden, maar ze is rustig gebleven. Wel heeft ze om die reden de zitting een eerste keer geschorst. Ze voelde zich geschoffeerd door de advocaat van verzoeker, die zich naar haar mening klachtwaardig gedroeg. Het is de handelsrechter niet duidelijk of ze nu door verzoeker wordt gewraakt of door zijn advocaat. Haar professionele banden met het kantoor van de curator zijn voor haar werk nooit een probleem geweest; zij voelt zich vrij om de onderhavige zaak te behandelen.

6 Het standpunt van de curator

6.1.

De curator stelt dat de door verzoeker met betrekking tot de comparitiezitting aangevoerde feiten en omstandigheden grotendeels een persoonlijke lezing en beleving van die zitting zijn en dat hij zich niet overal in herkent.

Wat betreft zijn banden met de handelsrechter stelt hij dat de handelsrechter zich in haar periode als rechter-commissaris in faillissementen heeft toegelegd op het insolventierecht, dat hij als curator haar uit dien hoofde destijds regelmatig tegenkwam en dat zij – bij zijn weten – al sinds 2009 niet meer werkzaam en benoembaar is als rechter-commissaris in faillissementen. Vanwege haar expertise en toenmalige contacten met zijn kantoorgenoot Franken is de handelsrechter in 2013 gevraagd een bijdrage te schrijven voor het liber amicorum voor Franken. Dat geldt voor ieder die heeft bijgedragen aan die bundel. Ook zijn alle bijdragen gepubliceerd op de website van het kantoor.

De curator stelt dat hij de handelsrechter, net als andere insolventierechters en rechters-commissarissen in faillissementen, een aantal keren op congressen heeft ontmoet. Op de bij het wrakingsverzoek overgelegde foto’s van het congres in 2013 in Amsterdam staat niet hijzelf maar zijn kantoorgenoot Smetsers afgebeeld, zittend naast de handelsrechter. Van het congres in 2011 in Venetië heeft elke schrijver afzonderlijk een verslag geschreven. Het is geen gezamenlijk product, zoals ook blijkt uit het artikel zelf.

6.2.

De curator refereert zich aan het oordeel van de wrakingskamer.

7 De beoordeling

7.1.

Volgens artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

7.2.

De wrakingskamer constateert dat het verzoek tijdig is ingediend en dat verzoeker in zijn verzoek kan worden ontvangen.

7.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid neemt de wrakingskamer als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd.

7.4.

Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn zakelijke contacten van een rechter met advocaten uit het eigen arrondissement op zichzelf geen reden om vooringenomenheid van de rechter of een schijn van partijdigheid bij de rechter aan te nemen. Verzoeker heeft na de comparitie van partijen ontdekt dat de handelsrechter gedurende een aantal jaren rechter-commissaris in faillissementszaken is geweest en als zodanig veelvuldig contact zal hebben gehad met de curator en diens kantoorgenoten. Verder is hem gebleken dat de handelsrechter in de afgelopen jaren dezelfde congressen heeft bezocht als de curator en diens kantoorgenoten. Dat is echter objectief te verklaren omdat zij allen werkzaam zijn in hetzelfde rechtsgebied. Dit geeft de wrakingskamer geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van een meer persoonlijke relatie van de handelsrechter met (leden van het kantoor van) de curator.

Dat geldt ook voor de constatering dat de handelsrechter in 2013 tijdens zo’n congres naast een kantoorgenoot van de curator heeft gezeten.

7.5.

Uit de publicatie van het verslag van het congres in 2011 blijkt genoegzaam dat de handelsrechter, de curator en twee van diens kantoorgenoten het over het congres geschreven artikel niet tezamen hebben geschreven maar dat elk van hen verslag heeft gedaan van een onderdeel van het congres dat de andere auteurs niet hebben bijgewoond. Die deelverslagen kunnen zij niet samen hebben geschreven.

De wrakingskamer begrijpt dat de handelsrechter is gevraagd om een artikel te schrijven voor het liber amicorum voor advocaat Franken. Het is gebruikelijk dat de auteurs zich in zo’n bijdrage in positieve zin uitlaten over de betreffende jubilaris. Het schrijven van een dergelijk artikel impliceert op zichzelf niet een zodanig persoonlijke band van de handelsrechter met de curator, kantoorgenoot van de jubilaris, dat zij moet worden verondersteld vooringenomen te zijn in het voordeel van de curator. Een dienaangaande vrees bij verzoeker is objectief ook niet gerechtvaardigd.

7.6.

De overige argumenten van verzoeker zien op hetgeen is voorgevallen bij de behandeling van zijn zaak op de comparitie van 26 oktober 2015.

Verzoeker verwijt de handelsrechter in de eerste plaats een bepaalde toon, maar hij specificeert niet om wat voor een toon het precies gaat, zodat de wrakingskamer zich hierover geen oordeel kan vormen.

Wat betreft haar houding betwist de handelsrechter dat zij zich jegens de curator welwillend of amicaal zou hebben opgesteld, bijvoorbeeld met een instemmende knik na een opmerking van de curator. De curator stelt dat hij een dergelijke bejegening niet heeft opgemerkt. Daardoor staat niet vast dat de handelsrechter zich jegens de curator welwillend of amicaal heeft gedragen.

Wel staat vast dat de handelsrechter bij het opstellen van het proces-verbaal op een aantal wijzigingsvoorstellen van verzoeker heeft gereageerd met de opmerking dat dit door hem niet zo zou zijn gezegd. Dit kan en mag de handelsrechter constateren en zegt op zichzelf niets over een vooringenomenheid van de rechter, ook niet als zij op dit punt geen gelijk zou hebben.

Ook staat vast dat de handelsrechter wijzigingsvoorstellen van verzoeker wel heeft opgenomen in het proces-verbaal, en dat dat soms gepaard is gegaan met een zucht. Zo’n zucht vat de wrakingskamer op als een blijk van ongenoegen over de gang van zaken, niet als een blijk van vooringenomenheid.

7.7.

Als voorbeelden van onnodige en/of ongepaste opmerkingen van de handelsrechter noemt verzoeker: de kwalificatie van de door hem gebouwde woning als ‘een kapitale villa’, de vraag aan zijn advocaat ‘vanaf welk moment bent u bij de zaak betrokken geraakt’ en – toen bleek dat de advocaat van verzoeker vanwege een lang weekend vrij geen kennis had kunnen nemen van de door de curator op de vrijdagmiddag voor de comparitie ingezonden productie – de opmerking van de handelsrechter dat zij dit ‘niet handig’ vond. Naar het oordeel van de wrakingskamer gaat het hier om opmerkingen die beter achterwege hadden kunnen worden gelaten, maar op zichzelf onvoldoende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren.

7.8.

Met betrekking tot de door de curator op vrijdagmiddag ingezonden productie begrijpt de wrakingskamer dat verzoeker ter zitting op maandagochtend niet de gelegenheid heeft gekregen de inhoud daarvan te lezen en met zijn advocaat te bespreken maar dat de handelsrechter de inhoud van die productie gedeeltelijk aan hem heeft voorgelezen en hem vervolgens om een inhoudelijke reactie heeft gevraagd. Deze gang van zaken impliceert dat de handelsrechter heeft besloten om de, in strijd met het procesreglement te laat ingezonden, productie toe te laten tot het geding en in haar beoordeling te willen betrekken, wetende dat verzoeker en zijn advocaat nog geen kennis hebben genomen van de volledige inhoud van dat stuk. Deze gang van zaken is in beginsel in strijd met de uitgangspunten van een eerlijk proces en een gelijke behandeling van partijen. Zo’n discutabele procesbeslissing kan echter alleen een grond voor wraking opleveren wanneer deze beslissing zozeer onbegrijpelijk is dat zij door vooringenomenheid moet zijn ingegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daar niet van gebleken en dat wordt door verzoeker ook niet gesteld.

7.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de handelsrechter er een aantal keren blijk van heeft gegeven dat ze een juridisch argument van verzoeker niet correct vond. Verder heeft ze een aantal voorlopige juridische oordelen gegeven die verzoeker aanmerkt als onjuist. Dat de rechter een zaak juridisch anders beoordeelt dan een partij en misschien zelfs onjuist beoordeelt, betekent niet, in ieder geval niet zonder meer dat die rechter jegens die partij vooringenomen is.

7.10.

Resumerend is de wrakingskamer van oordeel dat al hetgeen ter comparitie is voorgevallen op zichzelf geen reden is om de handelsrechter vooringenomen te achten. De wrakingskamer acht de handelsrechter in staat om in alle objectiviteit een oordeel te kunnen vellen over de in deze zaak aangevoerde argumenten van de curator en van verzoeker.

7.11.

Dat neemt niet weg dat deze reeks van gebeurtenissen ter comparitie bij verzoeker de schijn heeft kunnen wekken dat de handelsrechter partijdig is. De wrakingskamer staat voor de vraag of die vrees objectief gerechtvaardigd is.

In dat kader merkt de wrakingskamer allereerst op dat de handelsrechter, doordat zij de in beginsel te laat ingezonden productie van de curator heeft toegelaten tot het geding zonder verzoeker in de gelegenheid te stellen om integraal kennis te nemen van dat stuk en zich daarover met zijn advocaat te beraden, verzoeker in ieder geval in procedureel opzicht heeft benadeeld en in zijn verdediging heeft beperkt. Dat is in strijd met de uitgangspunten van een eerlijk proces en een gelijke behandeling van partijen. De daarbij door de handelsrechter gemaakte opmerking dat het niet handig was dat de advocaat het weekend gelegen tussen het moment van ontvangst van het stuk en de comparitie weg was, kan bij verzoeker de indruk wekken op achterstand te staan. Ook erkent de handelsrechter dat zij, bij het opstellen van het proces-verbaal, tekstvoorstellen van verzoeker soms zuchtend heeft opgenomen. Hoewel de wrakingskamer meent dat de handelsrechter met dit zuchten slechts uiting heeft gegeven aan haar ongenoegen over het verloop van de zitting en niet aan een vooringenomenheid, vindt de wrakingskamer het niet onbegrijpelijk dat verzoeker dit zuchten opvat als een negatieve waardering van hem of van zijn tekstvoorstellen. De wrakingskamer concludeert dan ook dat al direct bij aanvang van de zitting – namelijk bij het toelaten van eerdergenoemd stuk en de daarbij gemaakte opmerking – een sfeer is ontstaan van wrevel, die gaandeweg is ontaard in een zeker machtsvertoon over en weer. Niet relevant is of de handelsrechter hiertoe door de advocaat van verzoeker werd uitgelokt. Door het verloop van de zitting kan bij verzoeker objectief gerechtvaardigd de schijn zijn ontstaan dat de handelsrechter jegens hem niet meer onpartijdig was.

Om die reden zal het wrakingsverzoek worden toegewezen.

8 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven op 14 december 2015 door mrs. Peters, Van der Lende - Mulder Smit en Eijssen - Vruwink, in tegenwoordigheid van mr. De Baar als griffier, en in het openbaar uitgesproken.