Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7917

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
AWB- 15_7149 VV en AWB- 15_7091
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad voor de duur van zes weken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er op 8 april 2015 om 15:16 uur een storing was aan de zijde van de RDW. Gelet op de door verzoekster aangedragen feiten is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat het feit dat het kenteken van de Polo op 8 april 2015 niet bij de RDW is geregistreerd, te wijten is aan een storing van het systeem van verzoekster of anderszins voor haar rekening dient te komen. Mede omdat het intrekken van de erkenning bedrijfsvoorraad een punitieve sanctie is, dient buiten twijfel te staan dat verzoekster een overtreding heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 15/7091 WVW en 15/7149 WVW VV

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekers], te [vestigingsplaats verzoekers], verzoekster,

gemachtigde: [naam gemachtigde]

en

de Algemeen Directeur van de RDW, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 oktober 2015 (bestreden besluit) inzake de intrekking erkenning bedrijfsvoorraad voor de duur van zes weken.

Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 3 december 2015. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur [naam directeur], [naam gemachtigde] en [naam gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigde] en [naam gemachtigde].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster handelt in gebruikte auto’s en exploiteert een slopersbedrijf aan de [adres bedrijf] te [vestigingsplaats bedrijf] Op verzoek van verzoekster heeft de RDW op 8 april 2015 om 15:12 uur een demontagecode verstrekt voor een Volkswagen Polo (hierna: de Polo) met [kenteken auto]. Vervolgens heeft verzoekster op 8 april 2015 om 15:16 uur een vrijwarings-bewijs afgegeven voor de Polo. Omdat de Polo voor de sloop bestemd was heeft verzoekster, naar zij heeft gesteld, dit voertuig tevens gemeld via On-line Registratie Auto Demontage (ORAD) op basis van de transactiecode ND/K7.

Op 11 mei 2015 werd verzoekster gebeld door de vorige eigenaar van de Polo met de mededeling dat het [kenteken auto] nog steeds op zijn naam stond geregistreerd. Daarop heeft verzoekster contact opgenomen met de RDW en kreeg zij van die zijde te horen dat de Polo bij de RDW niet ORAD-geregistreerd stond. Direct na dit telefoongesprek met de RDW heeft verzoekster de Polo, naar zij heeft gesteld wederom, ORAD-gemeld.

Verweerder heeft aangegeven dat de vorige eigenaar van de Polo zich ook tot de RDW had gewend met de melding dat de Polo nog steeds op zijn naam stond geregistreerd. Deze melding heeft ertoe geleid dat op 28 mei 2015 een controleur van de RDW een bezoek heeft gebracht aan het bedrijf van verzoekster. De controleur heeft geconstateerd dat de Polo door verzoekster is gekocht maar niet is aangemeld als bedrijfsvoorraad, waardoor de vorige eigenaar ten onrechte aansprakelijk is gebleven voor alle voertuigverplichtingen. Dit is door verweerder aangemerkt als een categorie III overtreding als bedoeld in de Toezicht-beleidsbrief Erkenninghouders RDW.

Bij het primaire besluit van 24 juni 2015 heeft verweerder conform dit beleid de erkenning bedrijfsvoorraad ingetrokken voor een periode van zes weken.

Hiertegen heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat zij ongeveer 100 mensen in dienst heeft, waarvan er vijf, die werkzaam zijn in de administratie, wekelijks ongeveer 600 voertuigen aan- en afmelden. Deze aan- en afmeldingen verlopen allemaal op dezelfde wijze en volgens dezelfde procedure. Zo ook de aanmelding van de Polo op 8 april 2015, aldus verzoekster. Na deze aanmelding is door de RDW de transactiecode ND/K7 afgegeven. Met deze transactiecode kon het vrijwaringsbewijs aangemaakt worden en was er geen reden te betwijfelen of de Polo wel in de bedrijfsvoorraad was opgenomen. Verzoekster heeft betoogd dat het ontbreken van de ORAD-registratie veroorzaakt kan zijn door een fout in het registratiesysteem van de RDW. Naar de mening van verzoekster getuigt de sanctie van willekeur en zijn de gevolgen voor haar onevenredig. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) kan de RDW aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen, waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

Ingevolge het vierde lid kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 64, eerste lid, zijn met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. (…) Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de bedrijfsvoorraad van degene aan wie de erkenning is verleend en van de ter zake van die bedrijfsvoorraad door deze gevoerde administratie.

Ingevolge artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat de RDW op 8 april 2015 om 15:12 uur aan verzoekster de demontagecode ‘0080852242’ heeft verstrekt voor de Polo. Voorts heeft verzoekster ter ondersteuning van haar stelling dat zij geen fout gemaakt heeft, op 28 mei 2015 aan de controleur een screen print van het zogeheten “Promasy”-systeem overgelegd waarop staat aangegeven dat de Polo op 8 april 2015 om 15:16 uur ORAD is afgemeld onder vermelding van transactiecode ND/K7. In het bijzijn van de controleur is op 28 mei 2015 telefonisch contact geweest met “Promasy” en met de serviceprovider VWE, maar die konden geen antwoord geven op het feit dat er een terugmelding was gedaan die nergens blijkt voor te komen. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er op 8 april 2015 om 15:16 uur een storing was aan de zijde van de RDW, maar gelet op de door verzoekster aangedragen feiten is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat het feit dat het kenteken van de Polo op 8 april 2015 niet bij de RDW is geregistreerd, te wijten is aan een storing van het systeem van verzoekster of anderszins voor haar rekening dient te komen. Mede omdat het intrekken van de erkenning bedrijfsvoorraad een punitieve sanctie is, dient buiten twijfel te staan dat verzoekster een overtreding heeft begaan. Aangezien naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet vaststaat dat verzoekster de overtreding heeft begaan, was verweerder niet bevoegd om tot intrekking over te gaan.

6. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden. De voorzieningenrechter ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit van 24 juni 2015 zal worden herroepen. Nu het beroep gegrond wordt verklaard en de zaak finaal wordt afgedaan, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Vanwege de uitkomst van deze zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

Voorts zal verweerder worden veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490, en wegingsfactor 1). Daarnaast heeft verzoekster recht op € 375,-- wegens verletkosten van haar directeur [naam directeur] (3 uren afwezigheid van het werk) alsmede € 25,-- reiskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 24 juni 2015;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van (in totaal) € 662,-- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.380,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2015.

P.H.M. Verdonschot, griffier C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.