Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7768

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
02-665456-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

"Verdachte, een rapper uit Breda, heeft op Youtube een muziekvideo geplaatst van zijn rapnummer. Er is een aantal keer aangifte gedaan tegen de rapper, omdat bepaalde delen van de tekst beledigend zouden zijn voor Joden of homoseksuelen. De rechtbank oordeelt dat de uitlating "flikkers geef ik geen hand" niet beledigend is, omdat in dit geval uit de tekst van het rapnummer niet blijkt dat daarmee homoseksuelen worden bedoeld. De uitlating "ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi's" is op zichzelf wel beledigend van aard. Omdat sprake is van een artistieke expressie valt deze tekst onder het recht op vrijheid van meningsuiting. Alleen als sprake is van onnodig grievende uitlatingen, zou verdachte een strafrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. De rechtbank oordeelt dat daarvan geen sprake is. Zij weegt daarbij mee dat verdachte in het rapnummer zijn eigen boosheid uit, dat de uitlating daarin maar één keer voorkomt en dat in rapnummers in het algemeen wel vaker grovere bewoordingen gebruikt worden, waarbij sprake is van een zekere mate van overdrijving. Verdachte wordt vrijgesproken."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/665456-15

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 december 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw: mr. Bovens, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2015, waarbij de officier van justitie, mr. Van Dam, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2014 tot en met 05 mei 2014 te Breda, althans in Nederland, zich in het openbaar, namelijk door middel van het plaatsen van een videoclip van/met een rap/songtekst op youtube, mondeling en/of bij afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten:

  • -

    homoseksuelen, wegens hun homoseksuele gerichtheid, door opzettelijk beledigend in die rap/songtekst de volgende woorden te gebruiken en/of de volgende woorden heeft uitgesproken in die videoclip op youtube: "Flikkers geef ik geen hand"; en/of

  • -

    joden, wegens hun ras en/of hun godsdienst en/of levensovertuiging, door opzettelijk beledigend in die rap/songtekst de volgende woorden te gebruiken en/of de volgende woorden heeft uitgesproken in die videoclip op youtube: "Ik haat die fucking joden nog maar dan de nazi's";

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2014 tot en met 15 mei 2014 te Breda, althans in Nederland, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uitlating, te weten een videoclip van/met een rap/songtekst openbaar heeft gemaakt die, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, voor een

groep mensen wegen hun ras en/of hun godsdienst en/of hun levensovertuiging en/of hun homoseksuele gerichtheid beledigend was, immers heeft verdachte in genoemde periode een videoclip op YouTube geplaatst van/met een rap/songtekst die beledigende uitlatingen bevatte over (een) groep(en) mensen, te weten over

  • -

    homoseksuelen, wegens hun homoseksuele gerichtheid, immers in de clip wordt gezegd: “Flikkers geef ik geen hand”; en/of over

  • -

    joden, wegens hun ras en/of hun godsdienst en/of levensovertuiging, immers in die rap/songtekst worden de volgende woorden gebruikt: “Ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s”.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie meent dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het primair aan verdachte ten laste gelegde feit. Hij heeft zich hierbij gebaseerd op de aangiftes van [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] , de gedane aangifte namens het Centrum Informatie en Documentatie Israël, de op www.youtube.com geplaatste videoclip “ [naam videoclip] ” en op de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en ter zitting. In genoemde videoclip doet verdachte de uitlatingen “Flikkers geef ik geen hand” en “Ik haat die fucking Joden nog meer dan de nazi’s”, welke uitlatingen aangemerkt kunnen worden als beledigend/discriminerend in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit, omdat – in haar visie – de door verdachte gedane uitlatingen niet als beledigend voor een groep zijn aan te merken en aldus niet binnen het bereik van artikel 137c of artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht vallen. In geval de rechtbank anders van oordeel is en de uitlatingen van verdachte wel als beledigend kwalificeren, dan geldt dat de uitlatingen zijn toegestaan op grond van het recht op vrijheid van meningsuiting, zoals dat is verankerd in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aldus de verdediging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is werkzaam als artiest; hij maakt rapmuziek. Op 28 april 2014 heeft verdachte onder zijn artiestennaam [artiestennaam] de muziekvideo “ [naam videoclip] ” uitgebracht en op www.youtube.com geplaatst. In genoemde muziekvideo is een rappende verdachte te zien, in welke rap hij één keer zegt “Ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s” en drie keer zegt “Flikkers geef ik geen hand”. Tegen deze uitlatingen van verdachte zijn vier aangiftes gedaan.

De vraag die thans ter beoordeling aan de rechtbank voorligt, is of voormelde uitlatingen onder de reikwijdte van de strafbepalingen van artikel 137c of 137e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vallen. De Hoge Raad heeft met betrekking tot deze strafbepalingen in zijn jurisprudentie een toetsingskader ontwikkeld om te kunnen beoordelen in hoeverre uitlatingen strafbaar zijn. In die jurisprudentie zijn drie stappen zijn te onderscheiden:

  • -

    is de uitlating op zichzelf beledigend voor een groep mensen?

  • -

    zo ja: is de uitlating gedaan in een bepaalde context en zo ja, welke en neemt die context het beledigende karakter van de uitlating weg?

  • -

    zo ja: is de uitlating toch onnodig grievend?

De rechtbank zal hierna de aan verdachte verweten uitlatingen aan de hand van voormeld toetsingskader bespreken.

De uitlating “Flikkers geef ik geen hand”

Om te beoordelen of een uitlating beledigend is voor een groep mensen, dient een objectieve toets plaats te vinden, waarbij van belang is of een uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is. Hierbij moet worden gekeken naar de feitelijke bewoordingen zelf en naar de samenhang met de rest van de tekst. De rechtbank is van oordeel dat de zin “flikkers geef ik geen hand” op zichzelf beschouwd beledigend zou kunnen zijn voor homoseksuelen, nu het woord flikker in het algemeen spraakgebruik wordt gebruikt als scheldwoord en als minachtende benaming voor homoseksuelen. Door te zeggen “flikkers geef ik geen hand” krijgt het geheel een extra negatieve lading. Volgens in Nederland heersende opvattingen betekent immers het niet willen geven van een hand aan een ander, dat die betreffende persoon niet wordt gerespecteerd, wordt geminacht of zelfs vies wordt gevonden.

Echter, wanneer de zin “flikkers geef ik geen hand” wordt bezien in samenhang met de rest van de raptekst en de titel van de rap (“ [naam videoclip] ”), wordt voldoende duidelijk dat met de term “flikkers” in dit geval geen homoseksuelen worden bedoeld. De rechtbank overweegt daartoe dat de rap blijkens de tekst gaat over alles zelf kunnen bereiken, over rijk worden en dat je je niets door anderen in de weg moet laten leggen. Dat met “flikkers” in dit geval, zoals verdachte heeft uitgelegd, mensen worden bedoeld die je “flashen”, zijnde mensen die achter je rug om iets doen, is, gelet op de tekst van de rap, aannemelijk geworden. Daarbij speelt een doorslaggevende rol dat in de raptekst op geen enkele wijze ondersteuning wordt gevonden dat met “flikkers” toch homoseksuelen worden bedoeld. De tekst sluit veel meer aan bij de door verdachte gegeven uitleg.

Het vorenstaande in ogenschouw nemend, is de rechtbank van oordeel dat de uitlating “flikkers geef ik geen hand” niet als beledigend voor een groep mensen kan worden aangemerkt en dat dus niet aan de eerste stap van het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader is voldaan. Van een strafbare belediging in de zin van artikel 137c of 137e Sr is aldus geen sprake.

De uitlating “Ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s”

De rechtbank stelt vast dat verdachte in één zin spreekt over zowel joden als nazi’s en daarbij aangeeft de joden nog meer te haten dan de nazi’s. Door dit te doen, legt verdachte een relatie met de historische werkelijkheid van de Holocaust. Duidelijke referenties aan die historische werkelijkheid impliceren al snel het goedkeuren daarvan en zijn reeds daardoor beledigend voor mensen van het joodse ras. Gelet hierop en op de bewoordingen zelf, is de rechtbank van oordeel dat de uitlating “Ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s” op zichzelf beschouwd beledigend is voor joodse mensen.

Het betoog van verdachte dat hij bewust spreekt over “die joden” en dat hij daarmee alleen de Zionistische joden bedoelt, wordt terzijde geschoven. Uit het woord “die” blijkt niet dat hij met zijn uitlating alleen de Zionistische joden bedoelt. Uit het geheel van de tekst blijkt evenmin dat verdachte met zijn gedane uitlating enkel de Zionisten heeft willen raken. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de eerste stap van het toetsingskader.

De volgende vraag is of de uitlating is gedaan in een bepaalde context en zo ja, welke. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de context het beledigende karakter van de uitlating wegnemen, indien de uitlating een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of aan een artistieke expressie.

De reikwijdte van de context wordt gevormd door verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM. Volgens het Europese Hof voor de rechten van de mens moet sprake zijn van een “pressing social need” om een meningsuiting te beperken via de strafwet. De Hoge Raad heeft aan dit criterium een verdere invulling gegeven door aan te geven dat uitlatingen niet onnodig grievend mogen zijn, zijnde de derde stap van zijn toetsingskader.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de uitlating heeft gedaan in een rap, zijnde een muziekstijl, zodat de gedane uitlating kan worden geschaard onder de paraplu van de artistieke expressie. Uitgangspunt is dan dat de uitlating in beginsel valt onder het recht van vrije meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM. Of sprake is van een onnodig grievende uitlating hangt af van de omstandigheden van het geval. Het behoeft geen betoog dat de bescherming van artistieke expressie op gespannen voet kan staan met andere rechtsbelangen; kunst kan immers uitdagend en choquerend zijn wat al snel kan raken aan kwetsen, beledigen of discrimineren. In dit licht bezien, overweegt de rechtbank dat voor een rap kenmerkend is dat grove bewoordingen worden gebruikt en dat vaak sprake is van een zekere mate van overdrijving. Daar komt bij dat verdachte in zijn rapnummer “ [naam videoclip] ” zijn eigen boosheid en frustraties ten gehore brengt en dat de uitlating “Ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s” slechts één keer in het nummer voorkomt en volledig op zichzelf lijkt te staan. In die zin krijgt de uitlating daarom ook minder betekenis. Een en ander tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een onnodig grievende uitlating en dat aldus de grens van artikel 10 EVRM niet is overschreden door de gedane uitlating. Van een belediging in de zin van artikel 137c of 137e Sr is dus ook hier geen sprake.

Conclusie

Gelet op dat wat hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het uiten van strafbare beledigingen in de zin van artikel 137c of 137e Sr, zodat verdachte integraal zal worden vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair aan hem ten laste gelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers, voorzitter, mr. Ebben en mr. Hindriks-Roose, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 december 2015.