Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7765

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2830
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolgingskosten bij verzoek bijstand invordering van andere lidstaat.

Door een andere lidstaat is een verzoek gedaan tot inning van belastingschulden van belanghebbende. Als gevolg van dit verzoek is een akte van betekening aan belanghebbende uitgereikt. Hierbij zijn vervolgingskosten in rekening gebracht. Conform artikel 12 van de Wet wederzijdse bijstand kan Nederland bijstand verlenen bij de invordering van schuldvorderingen waarvoor een titel voor het nemen van executiemaatregelen bestaat in de verzoekende lidstaat.

De ontvanger mag er volgens de rechtbank van uitgaan dat een dergelijk verzoek om executie eerst wordt gedaan indien het recht op executie in die andere lidstaat bestaat. Door de ontvanger is dit aannemelijk gemaakt. De ontvanger kan dan direct tot invordering overgaan en hoeft, anders dan belanghebbende meent, de belastingschuldige niet vooraf op de hoogte te stellen van de invorderingsmaatregelen of nogmaals daaraan te herinneren of te manen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0648
V-N Vandaag 2016/559
V-N 2016/21.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 14/2830

uitspraak van 27 november 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de ontvanger van 26 maart 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de in rekening gebrachte vervolgingskosten met betrekking tot de Duitse schuldvordering waarop Richtlijn 2010/24/EU van toepassing is (aanslagnummer [aanslagnummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Utrecht, en namens ontvanger,

[verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Op 15 april 2013 is door het Finanzamt Kleve in Duitsland een verzoek gedaan tot wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden van belanghebbende. Als gevolg van dit verzoek is op 16 december 2013 een akte van betekening aan belanghebbende uitgereikt. De betekeningskosten van deze akte (hierna: de vervolgingskosten) bedragen € 2.435.

2.2.

Belanghebbende is het niet eens met de vervolgingskosten en heeft hier op

18 december 2013 bezwaar tegen gemaakt. In dit bezwaar is ook om uitstel van betaling verzocht. Het bezwaar is door de ontvanger afgewezen.

2.3.

Tussen partijen is in geschil of terecht vervolgingskosten aan belanghebbende in rekening zijn gebracht en of terecht van het horen in bezwaar is afgezien.

2.4.

Op basis van de op 16 maart 2010 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L84) zijn regels gesteld voor de bijstandverlening tussen de lidstaten ten behoeve van invordering van onder meer belastingschulden die zijn ontstaan in andere lidstaten. In Nederland is op 1 januari 2012 de Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012 (hierna: Wet wederzijdse bijstand) in werking getreden. Hierbij is de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing verklaard, met uitzondering van de artikelen 7, 20, 21, 22, derde lid, 22a, 23, 23a, 25, derde tot en met eenentwintigste lid, 26 en 32 tot en met 57 van die wet.

2.5.

Op grond van de in 2.4. genoemde Richtlijn is door het Finanzamt Kleve een verzoek tot bijstand inzake de invordering van diverse belastingschulden van belanghebbende gedaan aan de Belastingdienst.

2.6.

Conform artikel 12 van de Wet wederzijdse bijstand kan Nederland bijstand verlenen bij de invordering van schuldvorderingen waarvoor een titel voor het nemen van executiemaatregelen bestaat in de verzoekende lidstaat. Door de ontvanger is gedocumenteerd en onweersproken gesteld dat een dergelijke titel voor de onderhavige schuldvorderingen bestaat en dateert uit 2012. De ontvanger kan dan direct tot invordering overgaan en hoeft, anders dan belanghebbende meent, de belastingschuldige niet vooraf op de hoogte te stellen van de invorderingsmaatregelen of nogmaals daaraan te herinneren of te manen.

2.7.

Door belanghebbende is gesteld dat er ten tijde van de invordering in Duitsland een procedure liep over de betreffende schuldvorderingen. Nu belanghebbende zich op een uitzonderingssituatie beroept ten aanzien van bovenstaande regeling is het aan belanghebbende zijn stellingen bij betwisting aannemelijk te maken. De stelling wordt onderbouwd met een overgelegd afschrift van een “Erörterungstermin” van het Finanzgericht Düsseldorf van 1 april 2014. Ter zitting is door de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat belanghebbende het Finanzamt Kleve heeft verzocht om uitstel van betaling. Schriftelijke bewijsstukken hiervan zijn niet overgelegd. Door de ontvanger is ter zitting aangevoerd dat is gecontroleerd of er in Duitsland uitstel van betaling is verleend. Dit bleek volgens hem niet het geval.

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger in het onderhavige geval er terecht van uit is gegaan dat in Duitsland geen uitstel van betaling is verleend. Daarvan is geen bewijs overgelegd en er is geen melding gemaakt van een dergelijk uitstel bij het verzoek om bijstand. Het wel overgelegde afschrift is van latere datum zodat ook dat niet als bewijs van een eerder verleend uitstel van betaling kan dienen.

2.9.

Voorzover belanghebbende bedoelt dat het verzoek om uitstel is gedaan bij het bezwaar verwerpt de rechtbank die stelling. In dat geval is immers het verzoek om uitstel van betaling gedaan nadat met de invordering op grond van het verzoek om bijstand is gestart. Een dergelijk verzoek kan niet leiden tot het oordeel dat de eerder in rekening gebrachte vervolgingskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de vervolgingskosten terecht in rekening zijn gebracht.

Schending van de hoorplicht?

2.10.

Op grond van artikel 7:3, aanhef en onderdeel b van de Awb kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Artikel 7:17 van de Awb heeft dezelfde strekking voor het administratief beroep. Een beroep is kennelijk ongegrond indien het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat het beroep ongegrond is.

2.11.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het horen als volgt. De vervolgingskosten zijn in rekening gebracht in het kader van een verzoek om bijstand bij het innen van een onbetaald gebleven belastingschuld uit een andere EU-lidstaat. In het bezwaar tegen die vervolgingskosten wordt een niet gedocumenteerde stellingname opgeworpen die niet strookt met de uitgangspunten voor de bijstandverlening bij het innen van dergelijke belastingschulden. De ontvanger mag er immers van uitgaan dat een dergelijk verzoek om executie eerst wordt gedaan indien het recht op executie in die andere lidstaat bestaat. De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger zich bij het doen van de uitspraak op bezwaar in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. In dat geval is belanghebbende terecht niet in bezwaar gehoord.

2.12.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 27 november 2015 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.