Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7685

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
AWB- 15_7331 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend aan het COA voor het gebruik van het pand Kruisvaardersstraat 40 te Tilburg voor de opvang van 400 asielzoekers. Het college was niet gehouden in de omgevingsvergunning een maximum aan het aantal vluchtelingen te verbinden dat in het voormalige woonzorgcentrum opgevangen mag worden. De verleende afwijking van het bestemmingsplan ziet enkel op het gebruik van het gebouw, waardoor het maximum wordt gevormd door de bestaande mogelijkheden van dit gebouw. Volgens verweerder zal worden aangesloten op het voormalige gebruik van het woonzorgcentrum voor de huisvesting van bejaarden en is het daarom verantwoord om ter plaatse ongeveer 400 vluchtelingen op te vangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/7331 WABO

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: [naam gemachtigde]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen vergunninghouder

[naam vergunninghouder] [naam vergunninghouder]

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, lid 11, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) omgevingsvergunning verleend aan [naam vergunninghouder] voor het gebruik van het pand [adres object] te [plaats object] in strijd met het bestemmingsplan.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij op 16 november 2015 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [naam gemachtigde] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigde] . Het bestuur van [naam vergunninghouder] is gehoord bij monde van [naam gemachtigde] .

Overwegingen

1. [naam vergunninghouder] heeft op 5 november 2015 verzocht om een omgevingsvergunning om het pand [adres object] te [plaats object] gedurende drie jaar te mogen gebruiken voor de opvang van asielzoekers. In dit pand was tot 2011 [naam object] gevestigd, maar deze maatschappelijke bestemming is in het ter plaatse geldende bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] gewijzigd in de bestemming “Wonen-Gestapeld”. De eigenaar van het pand, [naam eigenaar] , wil de onderhavige locatie herontwikkelen, maar omdat de desbetreffende plannen nog niet van de grond zijn gekomen wordt een tijdelijke huisvesting van asielzoekers voor maximaal drie jaar als zeer wenselijk gezien.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend.

2. Verzoeker woont in de nabijheid van [naam object] . Hij heeft er op gewezen dat het bestreden besluit niet aangeeft hoeveel vluchtelingen er zullen worden opgevangen. Er is sprake van 400 vluchtelingen maar het gebouw is volgens verzoeker niet geschikt voor de opvang van zoveel mensen. Zij zullen het terrein verlaten en er is meer kans op ruzies en vechtpartijen waardoor de openbare orde aangetast kan worden, aldus verzoeker. Voorts heeft verzoeker betoogd dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen zijn voor de hulpverleners en het ondersteunend personeel. Naar de mening van verzoeker kunnen de vluchtelingen beter buiten de bebouwde kom opgevangen worden.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorts stelt de voorzieningenrechter voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voor zover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Deze algemene maatregel van bestuur is het Bor.

Artikel 4, lid 11, van Bijlage II bij het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevings-vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komt: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldaan aan de criteria voor toepassing van vorenbedoelde kruimelafwijking. Daarbij is in aanmerking genomen dat blijkens het bestreden besluit begin 2016 een procesvoorstel aan de gemeenteraad van Tilburg zal worden voorgelegd teneinde in 2018 te komen tot de realisatie van een regulier, tijdelijk, asielzoekerscentrum elders in Tilburg. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat [naam vergunninghouder] zich in het verleden steeds heeft gehouden aan de termijn van de tijdelijke huisvesting.

Daarom is aannemelijk dat het door verzoeker gewraakte gebruik van het onderhavige pand na drie jaar beëindigd zal zijn.

6. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder niet gehouden was aan de omgevingsvergunning een maximum te verbinden aan het aantal vluchtelingen dat in het [naam object] opgevangen mag worden. De verleende afwijking ziet enkel op het gebruik van het gebouw, waardoor het maximum wordt gevormd door de bestaande mogelijkheden van dit gebouw. Volgens verweerder zal worden aangesloten op het voormalige gebruik van [naam object] voor de huisvesting van bejaarden en is het daarom verantwoord om ter plaatse ongeveer 400 vluchtelingen op te vangen. In het verlengde hiervan heeft verweerder aangegeven dat de vrees voor aantasting van de openbare orde ongegrond is omdat er geen aanleiding is te veronderstellen dat op en rond de [adres object] te [plaats object] eerder en vaker gevochten zal worden dan in vergelijkbare andere straten van Tilburg en dat niet aannemelijk is dat door de opvang een grotere behoefte aan parkeerplaatsen zal ontstaan. De voorzieningenrechter kan hiermee instemmen en tekent daarbij aan dat verweerder eerst door het bezwaarschrift van verzoeker is geconfronteerd met de stelling dat niet zeker is dat de parkeerdruk op en rond de locatie [adres object] te [plaats object] niet zal toenemen door het gewijzigde gebruik. Verweerder zal bij zijn beslissing op bezwaar hier nader op in dienen te gaan, maar de voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om, bij afweging van de betrokken belangen, het bestreden besluit te schorsen.

7. Het verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Gelet hierop is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.

P.H.M. Verdonschot, griffier T. Peters, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.