Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7623

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
01-12-2015
Zaaknummer
02/800279-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf en 42 maanden rijontzegging voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval waarbij een jongeman om het leven is gekomen. Verdachte is na het ongeval weggereden zonder stil te staan bij de ernst van de toestand waarin het slachtoffer verkeerde. Uit de bewijsstukken in het dossier leidt de rechtbank af dat de man is gaan rijden nadat hij meer alcohol had gedronken dan voor een bestuurder is toegestaan. Uit niets blijkt dat de man eerst heeft gekeken of hij veilig kon inhalen voordat hij naar links stuurde. Extra oplettendheid was op dat moment en op die plek zeker belangrijk gezien het nacht was en de straatverlichting op die plaats niet werkte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/800279-15

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 november 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in [verblijfplaats]

raadsman mr. P.C. Saris, advocaat te Eindhoven

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 november 2015, waarbij de officier van justitie, mr. Krijtenburg, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 05 april 2015 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende

over de weg, De Harendonkweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk

geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol (minimaal 0,5 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed) en/of

- te rijden met een (veel) te hoge snelheid, in elk geval met een hogere

snelheid dan ter plaatse is toegestaan en/of met een snelheid die gelet op de

verkeersomstandigheden te hoog was en/of

- een voor hem rijdend voertuig is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of

(daarbij) op de weghelft van het hem tegemoetkomende verkeer is terecht

gekomen en/of op de weghelft van het voor hem tegemoetkomende verkeer is

blijven rijden, terwijl er onvoldoende zicht en/of overzicht ter plaatse was,

waardoor een botsing heeft plaatsgevonden met een voor hem tegemoetkomende (en

verlichting voerende) bromfiets, waardoor de bestuurder van die bromfiets

(genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

terwijl hij

- verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van

de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel

gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van

genoemde wet en/of

- een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in

ernstige mate heeft overschreden en/of

- gevaarlijk heeft ingehaald;

2.

hij op of omstreeks 05 april 2015 te 's-Hertogenbosch,

als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto),

voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, zulks terwijl aan hem,

verdachte, sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een

rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste

afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden,

dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,

dat het alcoholgehalte van zijn adem bij onderzoek, als bedoeld in artikel

8, lid 3, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, minimaal 0,5 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 april 2015 te 's-Hertogenbosch als bestuurder van een

voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde

onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest

weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van

een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot

behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3.

hij op of omstreeks 5 april 2015 te 's-Hertogenbosch,

als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij

een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op/aan de Harendonkseweg, de

(voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat

ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten

[slachtoffer] ) is gedood, dan wel, terwijl aan die [slachtoffer] (ernstig)

letsel was toegebracht, die [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie acht feit 1 primair, het door schuld van verdachte veroorzaken van een dodelijk ongeval, bewezen in de vorm van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, waarbij verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden en gevaarlijk heeft ingehaald. De officier van justitie vraagt partiële vrijspraak van het overschrijden van de maximumsnelheid, nu niet vastgesteld is kunnen worden dat verdachte op het moment van het ongeval te hard reed. Dat verdachte te veel gedronken had, leidt de officier van justitie af uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden van café [naam café] worden beschreven, de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het rapport van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) d.d. 20 augustus 2015. De verklaring van verdachte ter zitting dat hij in café [naam café] slechts 5 glaasjes alcohol heeft gedronken, acht hij ongeloofwaardig, gelet op met name de camerabeelden, waarop te zien is dat hij rond 3 uur, derhalve kort voor het ongeluk, bijna niet meer op zijn benen kon staan.

Feit 2, het rijden onder invloed van te veel alcohol, acht de officier van justitie bewezen gezien de bij feit 1 gebruikte bewijsmiddelen. Feit 3 acht hij bewezen op grond van de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 hooguit tot een bewezenverklaring kan komen van de laagste graad van schuld: het aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijden. Voor de uitgeschreven feitelijkheden bestaat onvoldoende bewijs, met uitzondering van het verwijt dat verdachte is gaan inhalen terwijl er onvoldoende zicht was. De verdediging wijst daarbij op de omstandigheid dat het niet aan verdachte is te wijten dat die nacht 4 straatlantaarns niet brandden en dat niet is vast te stellen dat verdachte te hard heeft gereden. Evenmin valt volgens de verdediging vast te stellen dat verdachte te veel alcohol had gedronken. Verdachte heeft ter zitting openheid van zaken gegeven en heeft bekend dat hij 5 à 6 glazen alcohol op had. Deze hoeveelheid alcohol was echter afgebroken op het moment dat hij is gaan rijden. Op grond van de camerabeelden en de getuigenverklaringen kan niet worden vastgesteld dat de glazen die verdachte na 00.00 uur heeft gedronken alcohol bevatten; volgens verdachte voelde hij zich niet lekker en heeft hij na 00.00 uur alleen frisdrank gedronken. Evenmin acht de verdediging het weigeren van een ademanalyse of bloedonderzoek wettig en overtuigend bewezen nu een gewoon zogenoemd artikel 8 WVW proces-verbaal in het dossier ontbreekt.

De verdediging vraagt dan ook vrijspraak van feit 2. Voor feit 3 is wel voldoende wettig en overtuigend bewijs, gezien ook de bekennende verklaring van verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 5 april 2015 omstreeks 4 uur ‘s nachts vond op de Harendonkweg te ’s‑Hertogenbosch een verkeersongeval plaats tussen een bromfiets, bestuurd door [slachtoffer] en een personenauto met kenteken [kenteken]1. De bestuurder van deze personenauto naderde een op de Harendonkweg rijdende auto van de huisartsenpost snel en stuurde naar het midden van de rijbaan om de auto van de huisartsenpost in te halen. Uit tegengestelde richting naderde een scooter. Op het moment dat de scooter de auto van de huisartsenpost passeerde, reed de inhalende auto op de linker rijbaan en kwam frontaal in botsing met de scooter. De auto was erg gehavend en reed zonder te stoppen onmiddellijk door2.

Het ongeval vond plaats binnen de bebouwde kom, ongeveer 58 meter na een rotonde. Tussen de rotonde en de plaats van het ongeval waren 4 straatlantaarns buiten werking. De verlichting van de bromfiets brandde ten tijde van het ongeval3.

De personenauto met kenteken [kenteken] , een zwarte Ford Focus op naam van verdachte, wordt zwaar beschadigd aangetroffen in de Marienkoorn4. De bestuurder is uit de auto gestapt, heeft de auto op slot gedaan en is weggerend5. Verdachte wordt op 5 april 2015 om 12.15 uur slapend aangetroffen in de woning van zijn vriendin en aangehouden6. Verdachte bekent dat hij de bestuurder van de Ford Focus met kenteken [kenteken] was, de auto van de huisartsenpost heeft ingehaald, een klap en een flits heeft gehoord/gezien en na de aanrijding is doorgereden7. De vriendin van verdachte, [getuige 4] , verklaart dat zij op de Harendonkweg reden toen verdachte een ambulance auto wilde inhalen. Zij riep nog: Niet doen! Vervolgens hoorden ze een harde knal en begon alles te roken. Zij riep nog dat verdachte moest stoppen, maar dat deed hij niet8.

Verdachte is op 4 april 2014 vanaf 22.10 uur in café [naam café] geweest. In dit café heeft hij glazen alcohol, wodka 7-up en bier, gedronken9. Verdachte en zijn vriend hebben bij barvrouw [getuige 2] rondjes wodka met 7-up en whisky met cola besteld. Soms maakten ze er een dubbele van. Ongeveer 5 keer hebben ze een bestelling mixdrankjes gedaan, ongeveer 4 keer hebben ze daar een fluitje bier per man bij gedaan. Toen de rekening ongeveer 70 euro was, hebben ze afgerekend. Direct daarna bestelden ze nog een rondje, wodka met 7-up en whisky met cola en twee fluitjes bier. Later op die avond, ongeveer 01.00 uur, kwam verdachte weer naar de bar. Hij was toen met twee meisjes Verdachte bestelde toen een rondje van een wodka met 7-up en twee bacardi met cola. De barvrouw heeft verdachte de bestelde drankjes die voor hem waren bedoeld ook daadwerkelijk op zien drinken10.

Op de camerabeelden van café [naam café] zien verbalisanten dat verdachte samen met [naam vriend] , zijn vriend, in het café is en op de volgende tijdstippen de volgende consumpties bestelt:

22.14.35

uur 4 glazen, waarvan 2 vermoedelijk bier 00.09.23 uur 2 glazen

22.33.51

uur 2 glazen, vermoedelijk bier 00.21.51 uur 3 glazen

22.53.40

uur 4 glazen, waarvan 2 vermoedelijk bier 00.36.12 uur 3 glazen

23.09.50

uur 4 glazen, waarvan 2 vermoedelijk bier 01.35.09 uur 1 glas

23.28.40

uur 2 glazen, vermoedelijk bier 02.56.43 uur 1 glas

23.55.10

uur 2 glazen

23.56.10

uur 2 glazen, vermoedelijk bier

Verdachte kijkt om 00.48.10 uur op zijn telefoon en uit het niets valt hij bijna om. [naam vriend] vangt hem op en pakt hem om zijn nek11.

Verbalisant leidt uit deze beelden af dat verdachte een minimum aantal van 15 glazen alcoholhoudende drank heeft genuttigd12. Het NFI heeft, uitgaande van 8 fluitjes en 6 mixdrankjes, geconcludeerd dat de alcoholconcentratie in het bloed na inname van deze hoeveelheid alcohol kan worden geschat op 1,9 mg/ml (promille). Rekening houdend met de afname van de concentratie van ethanol in het bloed door tijdsverloop wordt de alcoholconcentratie in het bloed ten tijde van het voorval geschat tussen 0.5 mg/ml en 1,3 mg/ml 13.

Bewijsoverwegingen

Op grond van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte bestuurder is geweest van een auto en bij een inhaalmanoeuvre een hem tegemoetkomende bromfiets frontaal heeft geraakt, waardoor de bestuurder van deze bromfiets, [slachtoffer] , is overleden. Verdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Derhalve is feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

Voor de beoordeling of feit 1 eveneens wettig en overtuigend bewezen is, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

Of er sprake is van een dergelijke schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst ervan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van roekeloos rijgedrag. De vraag is of zijn rijgedrag gekwalificeerd dient te worden als zeer onvoorzichtig en onoplettend, zoals door de officier van justitie is betoogd, of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, zoals door de verdediging is bepleit. In dit verband zijn verdachte een drietal gedragingen ten laste gelegd. De rechtbank zal deze achtereenvolgens bespreken.

Rijden met een te hoge snelheid

De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat dit onderdeel niet wettig en overtuigend bewezen is. Weliswaar verklaren verdachte en zijn vriendin [getuige 4] bij de politie dat zij 60 à 70 km/u – en derhalve harder dan de toegestane 50 km/u – hebben gereden, maar de rechtbank acht deze verklaringen in dit geval onvoldoende om een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging te kunnen dragen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de snelheid niet objectief vastgesteld is kunnen worden. Wel moet uit het voertuig volgsysteem van de auto van de huisartsenpost worden afgeleid dat deze auto kort voor het ongeval circa 15 km/u reed. De bestuurster van deze auto verklaart dat de auto van verdachte haar snel naderde. Echter, dit is onder deze omstandigheden onvoldoende om uit af te kunnen leiden dat dit sneller was dan ter plaatse was toegestaan of een snelheid die gelet op de verkeersomstandigheden te hoog was. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het schatten van snelheid onder omstandigheden als deze vaak moeilijk is.

Het rijden met een te hoge snelheid kan derhalve niet meewegen bij de vraag of sprake is van zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Gevaarlijk inhalen

Uit de verklaring van verdachte en zijn vriendin leidt de rechtbank af dat verdachte heeft ingehaald zonder dat hij zich ervan heeft vergewist dat er geen tegenligger aankwam. Immers, uit niets blijkt dat verdachte eerst (goed) heeft gekeken of hij veilig kon inhalen alvorens naar links te sturen. Integendeel, uit de verklaring van getuige [getuige 3] leidt de rechtbank af dat verdachte met een aanmerkelijke snelheid op de auto van de huisartsenpost kwam afgereden. Dat hij vervolgens op een onveilige manier is gaan inhalen, wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 4] dat zij nog heeft geroepen dat verdachte het niet moest doen. Dit klemt te meer nu inhalen een, , bijzondere verrichting is, die pas dient te worden ingezet indien het veilig is, terwijl niet is gebleken dat er op dat moment enige noodzaak was om in te halen. De rechtbank gaat ervan uit dat de voor hem rijdende auto van de huisartsenpost – een Volkswagen Touran – het zicht van verdachte op tegemoetkomend verkeer tenminste gedeeltelijk heeft belemmerd op het moment dat verdachte de voor hem rijdende Touran dicht was genaderd. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte bij voldoende oplettendheid had kunnen zien dat hem een bromfiets tegemoet kwam gereden, nu vast staat dat het voorlicht van de bromfiets op dat moment brandde en de bestuurster van de Touran de bromfiets wel heeft zien aankomen. Extra oplettendheid was op dat moment en op die plek te meer geboden nu het nacht was en de straatverlichting ter plaatse niet werkte. Het onder deze omstandigheden onverhoeds inhalen zonder eerst goed te kijken, kwalificeert de rechtbank als gevaarlijk inhalen.

Rijden onder invloed

Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte is gaan rijden nadat hij meer alcohol had gedronken dan voor een bestuurder van een motorrijtuig is toegestaan. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij geen middelen heeft gebruikt. Aan een blaastest dan wel bloedonderzoek heeft hij niet meegewerkt. Eerst ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij wel alcohol heeft gedronken, maar dat dit niet meer dan 5 à 6 glazen is geweest, dat hij zijn laatste alocholische drankje heeft genuttigd om 23.55 uur en dat hij daarna is overgestapt op frisdrank. Volgens verdachte was de alcohol die hij aan het begin van de avond had gedronken zodoende reeds door zijn lichaam afgebroken op het moment dat hij in de auto stapte. Deze verklaring stelt de rechtbank als ongeloofwaardig ter zijde. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na middernacht geen alcohol meer heeft gedronken. Dit strookt echter niet met de verklaring van getuige [getuige 2] dat zij verdachte ook rond 01.00 uur nog – onder andere – een wodka met 7‑up heeft geserveerd. Gezien het drinkgedrag van verdachte voor dit tijdstip en gezien deze verklaring acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat de glazen die verdachte blijkens de camerabeelden na 01.00 uur nog heeft genuttigd slechts frisdrank bevatten.

De bewezenverklaarde gedragingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door met te veel alcohol op te gaan rijden en in te gaan halen op een plaats waar dit zonder extra voorzichtigheid en oplettendheid – welke verdachte niet heeft betracht – gevaarlijk was, welbewust het onaanvaardbare risico heeft genomen dat hem tijdens de inhaalmanoeuvre een tegenligger tegemoet zou komen met alle ernstige gevolgen van dien. Verdachte heeft derhalve in hoge mate onvoorzichtig en onoplettend gehandeld waardoor er een aanrijding heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan een jonge man is overleden. De rechtbank acht derhalve feit 1 in deze zin bewezen. Het verweer van de verdediging dat slechts de laagste graad van schuld bewezen kan worden verklaard, wordt derhalve verworpen.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen omtrent het alcoholgebruik van verdachte acht de rechtbank feit 2 subsidiair – het rijden onder zodanige invloed van alcohol dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat was – eveneens wettig en overtuigend bewezen. Van het onder feit 2 primair ten laste gelegde dient verdachte te worden vrijgesproken nu er geen onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW heeft plaatsgevonden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 05 april 2015 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende

over de weg, De Harendonkweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk

geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol (minimaal 0,5 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed) en/of

- te rijden met een (veel) te hoge snelheid, in elk geval met een hogere

snelheid dan ter plaatse is toegestaan en/of met een snelheid die gelet op de

verkeersomstandigheden te hoog was en/of

- een voor hem rijdend voertuig is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of

(daarbij) op de weghelft van het hem tegemoetkomende verkeer is terecht

gekomen en/of op de weghelft van het voor hem tegemoetkomende verkeer is

blijven rijden, terwijl er onvoldoende zicht en/of overzicht ter plaatse was,

waardoor een botsing heeft plaatsgevonden met een voor hem tegemoetkomende (en

verlichting voerende) bromfiets, waardoor de bestuurder van die bromfiets

(genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

terwijl hij

- verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van

de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel

gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van

genoemde wet en/of

- een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in

ernstige mate heeft overschreden en/of

- gevaarlijk heeft ingehaald;

2.

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 april 2015 te 's-Hertogenbosch als bestuurder van een

voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde

onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest

weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van

een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot

behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3.

hij op of omstreeks 5 april 2015 te 's-Hertogenbosch,

als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij

een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op/aan de Harendonkseweg, de

(voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat

ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten

[slachtoffer] ) is gedood, dan wel, terwijl aan die [slachtoffer] (ernstig)

letsel was toegebracht, die [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd waarin verdachte zijn rijbewijs reeds heeft ingeleverd, op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt voorop dat verdachte anders had moeten handelen, maar deze gevolgen zeker niet heeft gewild. Verdachte heeft uiteindelijk ter zitting zijn verantwoordelijkheid genomen. Welke straf ook wordt opgelegd, uiteindelijk komt de zoon, broer en vriend van de nabestaanden daar niet mee terug. Nu volgens de verdediging hooguit onvoorzichtig rijgedrag bewezen kan worden verklaard, dient geen langere straf te worden opgelegd dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Met het oog hierop vraagt de verdediging dan ook opheffing van de voorlopige hechtenis.

De verdediging vraagt de rechtbank voorts rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, de omstandigheid dat hij na 2011 geen strafbare feiten meer heeft gepleegd en met de gevoelens van schuld waaronder verdachte zeker ook lijdt. Hij heeft ter zitting weliswaar een defensieve houding, maar daar dient door heen te worden geprikt. In dat verband verwijst de verdediging naar een schrijven van de gevangenispsycholoog M. van den Nieuwenhuizen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 5 april 2015 als bestuurder van een personenauto in hoge mate onachtzaam en onvoorzichtig gedragen. Als gevolg daarvan is hij met de door hem bestuurde auto in aanrijding gekomen met een tegemoetkomende brommer van het slachtoffer. Ten gevolge van deze aanrijding is [slachtoffer] , op 26-jarige leeftijd komen te overlijden. Verdachte is na het ongeval zonder zijn identiteit bekend te hebben gemaakt weggereden.

Door het ongeval is een groot verdriet en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, hetgeen ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen die de moeder van [slachtoffer] en zijn zus hebben voorgedragen ter terechtzitting. Hieruit komt naar voren dat de nabestaanden een enorm gemis en pijn ervaren, waardoor hun leven ingrijpend is veranderd. [slachtoffer] is in de bloei van zijn leven, na het vieren van zijn verjaardagsfeest, overleden door de gedragingen van verdachte.

Het wordt verdachte aangerekend dat hij door te handelen zoals hij heeft gedaan op geen enkele wijze zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid van medeweggebruikers in acht heeft genomen. Sterker, door de plaats van het ongeval te verlaten en niet stil te staan bij de ernst van de toestand waarin het slachtoffer verkeerde, heeft verdachte nog meer blijk gegeven van gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef als verkeersdeelnemer.

De rechtbank gaat bij het bepalen van de strafmaat uit van de door het NFI hoogst vastgestelde alcoholwaarde, nu het aan verdachte zelf te wijten is dat het exacte promillage niet kon worden vastgesteld nu hij én de plaats van het ongeval heeft verlaten, waardoor hij op dat moment niet kon blazen én hij ook, nadat hij was aangehouden, niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de hoeveelheid alcohol in adem of bloed.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de psychomedische informatie zoals overgelegd ter zitting over verdachte alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter zitting is gebleken.

Hoewel het nooit het diepgaande leed kan raken zoals de nabestaanden dat moeten ervaren, lijdt ook verdachte onder de gevolgen van het ongeval. Hij zal zijn verdere leven de last van de wetenschap dat door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen met zich mee moeten dragen. Dat heeft hij verwoord in zijn brief aan de nabestaanden die hij bij wijze van laatste woord ter zitting heeft voorgedragen en waarin hij ook zijn medeleven richting de nabestaanden heeft geuit.

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dergelijk onverantwoord rijgedrag als beginnend bestuurder, alcoholgebruik en het verlaten van de plaats van het ongeval zwaar bestraft moet worden. Daarbij is de rechtbank zich heel wel bewust van het feit dat geen enkele straf het leed van de nabestaanden kan wegnemen en recht doet aan de ernstige gevolgen van dit feit.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook geen andere danwel lichtere sanctie van toepassing dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf alsmede ter bescherming van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Bij het bepalen van de duur van de straffen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, die als richtlijn dienen voor het bepalen van een strafmaat ten aanzien van overtreding van artikel 6 WVW, waarbij sprake is van een grove verkeersfout, onder invloed is gereden en een slachtoffer is overleden. Volgens deze oriëntatiepunten is de richtlijn in een geval als dit indien sprake is van een alcoholpromillage lager dan 570 ug/l (ongeveer 1,3 promille) een gevangenisstraf van 12 maanden en 3 jaar rijontzegging. Indien het promillage hoger is dan 570 ug/l, is het uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden en 4 jaar rijontzegging. De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Voorgaande brengt met zich dat aan verdachte een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een kortere ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd dan ter zitting is gevorderd.

Al hetgeen in het bovenstaande is overwogen leidt ertoe dat als passende sanctie aan verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Gelet hierop zal de rechtbank de voorlopige hechtenis niet opheffen, zoals is verzocht door de verdediging. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 42 maanden.

7 Het beslag

7.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 6, 7, 8, 175, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van feit 2 primair;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl

het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en

terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8,

eerste lid, van deze wet en gevaarlijk heeft ingehaald;

feit 2 subsidiair: Overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet

1994;

feit 3: Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet

1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straf

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 42 maanden;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 9.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Dekker en mr. De Weert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting

op 30 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2015074376 van politie Oost-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 201. Het proces-verbaal van bevindingen, p.66-67.

2 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 3] , p.127-128.

3 De verklaring van deskundige R.T.M. Huijsmans, afgelegd ter terechtzitting van 16 november 2015.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p.18.

5 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 5] , p.131.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p.23.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p.33.

8 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 4] , p.121-122.

9 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 november 2015.

10 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 2] , p.146-147.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p.170-173.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, p.11.

13 Het geschrift, het losbladig rapport NFI Herberekening van het alcoholgehalte van 20 augustus 2015, opgemaakt door drs. R. van der Hulst.