Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7534

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
C/02/306224 / KG ZA 15-678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

bevoegdheid deelgenoot om onverdeeld eigendomsaandeel in gemeenschappelijk perceel te vervreemden artikel 3:175 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2016/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/306224 / KG ZA 15-678

Vonnis in kort geding van 27 november 2015

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [plaatsnaam X] ,

eiser,

advocaat mr. ing. A. van Weverwijk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [plaatsnaam Y] ,

advocaat mr. N.R. Huiskamp,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [plaatsnaam Y] ,

advocaat mr. N.R. Huiskamp,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [plaatsnaam X] ,

advocaat mr. H. Memelink,

4. [gedaagde 4],

wonende te [plaatsnaam X] ,

advocaat mr. H. Memelink,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [plaatsnaam X] ,

advocaat mr. H. Memelink,

gedaagden.

Eiser zal hierna [naam eiser] worden genoemd. Gedaagden sub 1 en 2 zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en gezamenlijk [gedaagde sub 1] (vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd. Gedaagden sub 3 tot en met 5 zullen hierna gezamenlijk [namen gedaagden sub 3 t/m 5] (mannelijk enkelvoud) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 oktober 2015, met producties genummerd 1 tot en met 20;

  • -

    het faxbericht van 11 november 2015 van de zijde van [naam eiser] , met

producties genummerd 21 tot en met 25;

- de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde sub 1] , met producties genummerd

1 tot en met 5;

- de brief van 12 november 2015 van de zijde van [namen gedaagden sub 3 t/m 5] , met producties genummerd 1 tot en met 8;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 13 november 2015;

  • -

    de pleitnota van de zijde van [naam eiser] tevens houdende een wijziging

c.q. vermeerdering van eis;

- de pleitnota van de zijde van [gedaagde sub 1] ;

- de pleitnota van de zijde van [namen gedaagden sub 3 t/m 5]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[naam eiser] vordert - samengevat en na vermeerdering van eis - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. [gedaagde sub 1] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] gebiedt de levering van het ¾ onverdeelde eigendoms-aandeel in het kadastrale perceel [gegevens kadaster] , ongedaan te maken door inschrijving van een daartoe strekkende akte in het daartoe bestemde register, zulks op straffe van een dwangsom;

2. [namen gedaagden sub 3 t/m 5] gelast om na ongedaanmaking van voornoemde levering aan [gedaagde sub 1] binnen veertien dagen na het eerste verzoek van de notaris ten overstaan van wie de notariële verdelingsakte zal passeren zijn medewerking te verlenen aan de toedeling van het ¾ eigendomsaandeel aan [naam eiser] en bepaalt dat, indien [namen gedaagden sub 3 t/m 5] hieraan zijn medewerking niet verleent, [naam eiser] wordt gemachtigd om namens [namen gedaagden sub 3 t/m 5] te compareren bij de verdeling en dat in plaats daarvan, ter keuze van [naam eiser] , dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking van [namen gedaagden sub 3 t/m 5] en voort bepaalt dat [naam eiser] aan ieder van [namen gedaagden sub 3 t/m 5] een bedrag van € 250.000,= dient te voldoen;

3. [gedaagde sub 1] gebiedt voornoemd perceel binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten en niet meer te betreden, zulks op straffe van een dwangsom;

4. [gedaagde sub 1] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] veroordeelt in de kosten van het geding;

subsidiair:

1. een zodanige regeling treft die de voorzieningenrechter geboden acht ten laste van [gedaagde sub 1] teneinde de onrechtmatige inbreuk op de rechten van [naam eiser] te doen beëindigen, althans een zodanige ordemaatregel treft die de inbreuk op de rechten van [naam eiser] zoveel als mogelijk beperkt, onder opleg- ging van een voorschot op de schade die [naam eiser] dientengevolge lijdt en onder oplegging van een dwangsom;

2. [gedaagde sub 1] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] veroordeelt in de kosten van het geding.

2.2.

[gedaagde sub 1] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] weerspreken de vorderingen.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. [naam eiser] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] zijn broers van elkaar. In het verleden hebben zij samengewerkt binnen een onderneming die door hun vader in 1994 is opgericht. In oktober 1996 hebben [naam eiser] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] in privé een perceel industrieterrein gekocht, gelegen aan de [gegevens kadaster] , voor een bedrag van Fl. 650.000,= (hierna: het perceel). [naam eiser] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] hebben het perceel gezamenlijk in eigendom verkregen, ieder voor een gelijk aandeel.

b. In 2007 is de gezamenlijke bedrijfsvoering tussen [naam eiser] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] beëindigd. Over de verdeling en het gebruik van het perceel hebben zij geen afspraken gemaakt. Ook hebben zij lange tijd geen contact gehad met elkaar over het perceel.

c. In mei 2015 heeft [naam eiser] van notaris [naam notaris] een conceptakte van levering van 22 mei 2015 en een conceptvolmacht van 26 mei 2015 ontvangen, omdat [namen gedaagden sub 3 t/m 5] voornemens was om het perceel te verkopen aan [gedaagde sub 2] , althans de daarmee gelieerde vennootschap [gedaagde sub 1] , voor € 1.000.000,=.

d. Bij aangetekende brief van 15 juni 2015 heeft [naam eiser] aan [namen gedaagden sub 3 t/m 5] bericht dat hij geen medewerking verleent aan de verkoop en levering van het perceel aan [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] en dat hij het perceel zelf toebedeeld wenst te krijgen tegen dezelfde prijs en voorwaarden zoals opgenomen in de conceptakte van levering van 22 mei 2015.

e. Bij aangetekende brief van 23 juni 2015 heeft [namen gedaagden sub 3 t/m 5] aan [naam eiser] bericht dat hij geen medewerking verleent aan toedeling van het perceel aan [naam eiser] .

f. Bij brief van 28 juli 2015 heeft [gedaagde sub 1] aan [naam eiser] bericht dat zij op 24 juli 2015 een koopovereenkomst heeft gesloten met [namen gedaagden sub 3 t/m 5] , waarbij [gedaagde sub 1] het ¾ onverdeelde eigendomsaandeel van [namen gedaagden sub 3 t/m 5] in het perceel heeft gekocht.

g. Bij brief van 4 augustus 2015 heeft [naam eiser] [gedaagde sub 1] gesommeerd om de activiteiten die zij op het perceel uitvoerde te staken. Zij heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

h. Bij brief van 6 augustus 2015 heeft [gedaagde sub 2] zich beroepen op een huurovereenkomst van 17 april 2015 op grond waarvan zij een deel van het perceel mocht gebruiken.

i. Bij akte van levering van 24 augustus 2015 is het ¾ onverdeelde eigendomsaandeel van [namen gedaagden sub 3 t/m 5] in het perceel geleverd aan [gedaagde sub 1] .

j. Bij brief van 30 september 2015 heeft [naam eiser] [gedaagde sub 1] verzocht om de levering van het ¾ onverdeelde eigendomsaandeel ongedaan te maken. Zij heeft hieraan geen gehoor gegeven.

k. Na een daartoe ingediend verzoekschrift, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 9 oktober 2015 aan [naam eiser] toestemming verleend om conservatoir beslag te mogen leggen op het ¾ onverdeelde eigendomsaandeel van [gedaagde sub 1] in het perceel.

3.2.

[naam eiser] grondt zijn vorderingen op het bepaalde in artikel 3:175 BW. Hij stelt hiertoe - kort gezegd - dat [namen gedaagden sub 3 t/m 5] beschikkingsonbevoegd was ten tijde van de verkoop en levering van zijn ¾ onverdeelde eigendomsaandeel in het perceel aan [gedaagde sub 1] , omdat uit de rechtsverhouding tussen [naam eiser] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] voortvloeit dat [namen gedaagden sub 3 t/m 5] niet over zijn onverdeelde eigendomsaandeel in het perceel kon beschikken, zonder toestemming van [naam eiser] . Volgens [naam eiser] is de tussen [namen gedaagden sub 3 t/m 5] en [gedaagde sub 1] gesloten koopovereenkomst dan ook nietig.

3.3.

[namen gedaagden sub 3 t/m 5] en [gedaagde sub 1] voeren verweer. Op dat verweer en op hetgeen partijen verder ter onderbouwing van hun standpunten hebben aangevoerd, zal in het hiernavolgende, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3.4.

Niet ter discussie staat dat het perceel een eenvoudige gemeenschap betreft die is onderworpen aan de artikelen 3:166-188 BW. Bij de beoordeling van het geschil tussen partijen neemt de voorzieningenrechter als uitgangspunt dat iedere eigenaar van een aandeel in een (eenvoudige) gemeenschap op grond van artikel 3:175 lid 1 BW in beginsel bevoegd is om over zijn aandeel te beschikken. Gelet hierop was [namen gedaagden sub 3 t/m 5] naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel bevoegd om zijn ¾ onverdeelde eigendomsaandeel in het perceel te verkopen en te leveren aan [gedaagde sub 1] zonder toestemming van [naam eiser] als deelgenoot.

3.5.

De vrije beschikking over een eigendomsaandeel in een gemeenschap kan echter worden beperkt. Een dergelijke beperking kan voortvloeien uit een tussen de deel- genoten bestaande contractuele verhouding of uit een andere rechtsverhouding. In dat geval zijn de deelgenoten niet bevoegd om over hun eigendomsaandeel in de onverdeelde gemeenschap te beschikken zonder toestemming van de andere deel- genoten (artikel 3:175 lid 2 BW).

3.6.

Niet ter discussie staat dat geen sprake is van een contractuele verhouding tussen [naam eiser] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] , waaruit voortvloeit dat zij niet bevoegd zijn over hun eigendomsaandeel in het perceel te beschikken zonder toestemming van de andere deelgenoten. In de stelling van [naam eiser] is sprake van een andere rechtsverhouding, waaruit een beperking op de vrije beschikking zoals voornoemd voortvloeit en op grond waarvan [namen gedaagden sub 3 t/m 5] niet bevoegd was om zijn ¾ onverdeelde eigendomsaandeel in het perceel zonder zijn toestemming te verkopen en te leveren aan [gedaagde sub 1] . Deze stelling wordt door [gedaagde sub 1] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] betwist. Het is dan ook aan [naam eiser] om zijn stelling in voldoende mate aannemelijk te maken.

3.7.

Ter onderbouwing van zijn stelling zoals voornoemd voert [naam eiser] onder meer aan dat de rechtsverhouding tussen [namen gedaagden sub 3 t/m 5] en hem wordt gekenmerkt door de circa twintig jaar durende zakelijke samenwerking tussen hen, welke samenwerking mogelijk was vanwege hun verwantschap. [naam eiser] voert voorts aan dat de zakelijke samenwerking de ontstaansgrond is van de gezamenlijke eigendom van het perceel en dat die samenwerking essentieel is ter zake van het gezamenlijke gebruik van het perceel, hetgeen slechts mogelijk is als de eigenaren een gezamenlijke missie hebben. Door de verkoop en levering van het ¾ onverdeelde eigendomsaandeel aan [gedaagde sub 1] , wordt [naam eiser] , zo stelt hij, opgezadeld met een partij met wie hij geen gezamenlijke missie heeft noch enige verwantschap noch enige rechtsbetrekking, waardoor een samenwerking op geen enkele wijze mogelijk is.

3.8.

Gezien de geschiedenis van [naam eiser] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] , zoals door partijen ter zitting is toegelicht, kunnen de door [naam eiser] aangedragen argumenten niet van doorslaggevende betekenis worden geacht voor de conclusie dat sprake was van een rechtsverhouding die zich verzet tegen de vrije beschikking zoals bedoeld in artikel 3:175 lid 1 BW en dat voor de verkoop en levering van het ¾ onverdeelde eigendomsaandeel van [namen gedaagden sub 3 t/m 5] toestemming nodig was van [naam eiser] . De verhouding tussen [naam eiser] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] is immers evenmin te kwalificeren als een ‘gezamenlijke missie’ en van een zakelijke samenwerking tussen hen is al circa twintig jaar geen sprake. Overige argumenten die zich verzetten tegen de vrije beschikking zoals hiervoor bedoeld zijn gesteld noch gebleken.

3.9.

[naam eiser] heeft ter ondersteuning van zijn gelijk nog gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1297). Anders dan in het door de Hoge Raad berechte geval gaat in het in dit kort geding echter niet om de beschikking door [namen gedaagden sub 3 t/m 5] over zijn aandeel in een gedeelte van een gemeenschappelijk perceel, maar over de beschikking over zijn aandeel in het geheel. Zoals bevestigd door de Hoge Raad geldt in dit laatste geval onverkort de aan [namen gedaagden sub 3 t/m 5] toekomende bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 3:175 BW. Omdat de situatie van dat door de Hoge Raad berecht geval zich hier niet aandient, is afsplitsing van dat gedeelte van het groter geheel niet aan de orde; evenmin als een nadere individualisering van het te vervreemden perceelsdeel. Eerst in dat geval namelijk zouden de deelgenoten slechts gezamenlijk bevoegd zijn om te vervreemden, aldus de Hoge Raad in deze door [naam eiser] genoemde uitspraak.

3.10.

Tegen de achtergrond van de hiervoor omschreven omstandigheden is geen sprake van een nietige koopovereenkomst, zodat enige grondslag ontbreekt om de levering van het perceel aan [gedaagde sub 1] ongedaan te maken. Dit heeft tot gevolg dat de vordering geformuleerd onder 2 evenmin voor toewijzing in aanmerking komt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn ook overigens geen argumenten gesteld op grond waarvan [namen gedaagden sub 3 t/m 5] zijn eigendomsaandeel zou moeten toedelen aan [naam eiser] . Enige rechtsgrond voor die vordering ontbreekt dan ook.

3.11.

Voor wat betreft de vordering geformuleerd onder 3 stelt de voorzieningenrechter voorop dat [naam eiser] , behoudens de enkele stelling dat hij niet bekend was met de huurovereenkomst, niet heeft betwist dat wel sprake is geweest van een huurovereenkomst op grond waarvan [gedaagde sub 1] het perceel rechtmatig in gebruik heeft gehad. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] weliswaar gesteld dat deze overeenkomst is beëindigd bij overdracht van het ¾ onverdeelde eigendomsaandeel, maar aangezien [gedaagde sub 1] daarmee voor 75% eigenaar is geworden van het perceel is nog steeds sprake van een rechtmatig gebruik.

3.12.

Het gebruik van het perceel door [gedaagde sub 1] is volgens [naam eiser] kennelijk niet te verenigen met zijn rechten als andere deelgenoot van het perceel. Nu zij het niet eens zijn met het gebruik van het perceel moeten zij hierover afspraken maken, hetgeen zij tot op heden niet hebben gedaan. De meest gerede partij kan zich over- eenkomstig het bepaalde in artikel 3:168 BW tot de kantonrechter wenden om een regeling te bewerkstelligen met betrekking tot het genot, het gebruik en het beheer van het perceel. Partijen hebben zich vooralsnog niet gewend tot de kantonrechter met een dergelijk verzoek, maar hebben ter zitting gesteld dat zij wel voornemens zijn om dat te doen. Bij die stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang bij die voorziening, nu [naam eiser] , net als [gedaagde sub 1] , het in eigen hand heeft gehad om de geëigende weg naar de kantonrechter te bewandelen. Dit geldt temeer, nu op dit moment niet is gebleken dat een onmiddellijke voorziening is vereist vanwege de omstandigheid dat het huidige gebruik van het perceel onredelijk zou zijn. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de kantonrechter een wezenlijk andere beslissing zal nemen over het gebruik dan thans het geval is. Het huidige gebruik van het perceel is immers niet anders dan het gebruik in de afgelopen twintig jaar.

3.13.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de primaire vorderingen zullen worden afgewezen. Nu hiervoor reeds is uitgemaakt dat geen sprake is van een onrecht- matige inbreuk, bestaat ook geen grondslag voor toewijzing van de subsidiaire vordering, zodat deze eveneens zal worden afgewezen. Nu de vorderingen op de hiervoor besproken gronden worden afgewezen, zullen de overige stellingen en verweren onbesproken blijven.

3.14.

[naam eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure veroordeeld aan de zijde van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [namen gedaagden sub 3 t/m 5] gevallen. De proceskosten worden aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.429,00

De proceskosten aan de zijde van [namen gedaagden sub 3 t/m 5] worden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.101,00

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gevallen, tot op heden begroot op € 1.429,00;

4.3.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten aan de zijde van [namen gedaagden sub 3 t/m 5] gevallen, tot op heden begroot op € 1.101,00;

4.4.

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.