Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7352

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
02-700059-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

brandstichting chalet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700059-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 november 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende te PI Rijnmond – HvB De IJssel, 2921 LD Krimpen aan den IJssel,

Van der Hoopstraat 100,

raadsman mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 november 2015, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij op of omstreeks 09 januari 2015 te Noordwelle, gemeente

Schouwen-Duiveland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine,

althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een chalet/vakantiewoning [chalet 1] (vakantiepark [naam vakantiepark]

[naam vakantiepark] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat/die chalet/vakantiewoning en/of de in

dat/die chalet/vakantiewoning aanwezige goederen en/of de belendende

chalets/vakantiewoningen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen

aanwezig in de belendende chalets/vakantiewoningen, in elk geval levensgevaar

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 9 januari 2015 ter plaatse was en dat hij de brand heeft gesticht. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte anderszins zodanig aan de brandstichting een wezenlijke bijdrage heeft geleverd dat van medeplegen kan worden gesproken. De verklaring van [getuige 1] , afgelegd bij de politie, is het enige waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting is af te leiden. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] zijn verklaring deels genuanceerd en deels geweigerd vragen te beantwoorden, waardoor de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad de verklaring van [getuige 1] deugdelijk op betrouwbaarheid en geloofwaardigheid te toetsen. Artikel 6 EVRM staat aan het gebruik van de verklaring van [getuige 1] bij de politie dan ook in de weg. Voorts kan op basis van het dossier niet vastgesteld worden dat levensgevaar dan wel gemeen gevaar voor andermans goederen heeft bestaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op vrijdag 9 januari 2015 werd om 19.08 uur bij de politie melding gemaakt dat er een chalet in brand stond op vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ aan [adres vakantiepark] .1 De eigenaar van park ‘ [naam vakantiepark] ’, getuige [getuige 2] , verklaarde op 10 januari 2015 dat het chalet dat in brand stond chalet [chalet 1] betrof van eigenaar [medeverdachte 1] . Voorts verklaarde [getuige 2] dat [medeverdachte 1] door zijn financiële situatie de lasten van het chalet niet meer kon dragen en dat hij meerdere malen van [medeverdachte 1] had gehoord dat het chalet eigenlijk voor 1 januari 2015 verkocht zou moeten zijn. Na die tijd kon er door de bank beslag worden gelegd op bepaalde zaken.2

In opdracht van de verzekeringsmaatschappij is door Biesboer Expertise B.V. onderzoek verricht naar de brand. Hieruit is naar voren gekomen dat de brand in de onderhavige recreatiewoning het gevolg was van het opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur (brandstichting), waarbij gebruik is gemaakt van motorbenzine ter ontsteking en/of bevordering van de brand. Ten gevolge van die brand is het chalet grotendeels verloren gegaan. 3 Uit het verslag van de brandweer is voorts gebleken dat erop is ingezet om uitbreiding naar het naastgelegen chalet te voorkomen. De afstand tussen de chalets was plusminus vijf meter. Gezien de erg harde wind was overslag niet ondenkbaar.4 Ook is door [getuige 2] gezien dat de vlammen er aan de achterzijde van het chalet uitkwamen. Hij heeft aan de commandant van de brandweer verteld dat de brandweer eerst aan de rechterzijde van het chalet moest beginnen met blussen om overslaan op chalet [chalet 2] te voorkomen.5

[getuige 2] verklaarde dat in het systeem Eco Greenbox een inbraakalarm stond geregistreerd voor chalet [chalet 1] omstreeks 18.38 uur.6 In het rapport van Biesboer Expertise B.V. is vermeld dat voor deze brandstichting de recreatiewoning betreden diende te worden. De rapporteur concludeert dat als de inbraakmelding is gegenereerd door het openen van de achterdeur en deze daarna slotvast is afgesloten, ernstig rekening dient te worden gehouden met negatieve betrokkenheid van een sleutelhouder.7

Een aantal weken eerder, in de nacht van 14 op 15 december 2014, was er bij de politie een melding binnengekomen dat er verdachte personen gezien waren op de Rampweg te Renesse. Ter plaatse troffen de verbalisanten een voertuig en twee mannen aan. Een van hen liep in de berm ter hoogte van vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’. Dit bleek verdachte te zijn. Door de diensthond is een spoor gevolgd dat in de richting van een noodingang van vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ liep. De loopdeur hiervan bleek niet afgesloten te zijn en stond op een kier. Het spoor dat de diensthond volgde, liep het park op en kwam direct uit bij enkele chalets.8 De persoon met wie verdachte die nacht bij vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ is aangetroffen, bleek medeverdachte [medeverdachte 2] te zijn.9

Op 17 maart 2015 werd in het kader van een onderzoek van het Woninginbraken Team Friesland de telefoon van verdachte uitgelezen. Verbalisant [verbalisant] ziet op deze telefoon een mapje video’s staan met daarin twee filmpjes welke in een auto zijn opgenomen. Op beide filmpjes herkent verbalisant [verbalisant] verdachte. Gelet op de namen van de filmpjes, 20150105 en 20150121, vermoedt de verbalisant dat het gaat om omgekeerde data, te weten 5 januari 2015 (filmpje 1) en 21 januari 2015 (filmpje 2). Verdachte spreekt op beide filmpjes met een man die hij aanspreekt met ‘ [medeverdachte 1] ’. Door [medeverdachte 1] wordt in het eerste filmpje uitgelegd hoe verdachte bij chalet [chalet 1] moet komen, dat hij twee buren heeft en dat zij in Eindhoven/Spijkenisse wonen. Verdachte reageert hierop door te zeggen dat hij het daarom ook na de vakantie gaat doen zodat er niemand is. [medeverdachte 1] zegt verder dat hij morgenavond bij zijn zoon zit en dat hij woensdagavond zorgt dat hij ergens anders is. Verdachte zegt daarop “zorg gewoon dat je morgen en overmorgen weg ben ja”. 10 In het tweede filmpje zegt [medeverdachte 1] tegen verdachte dat hij verwacht dat hij 120.000 à 125.000 euro voor het chalet en 13 a 14.000 voor de inventaris krijgt, dat verdachte zijn geld krijgt en dat dat de afspraak was, waarop verdachte reageert dat hij zijn geld wil hebben als de verzekering aan [medeverdachte 1] uitkeert. In het tweede filmpje wordt ook door een andere in de auto aanwezige persoon gesproken, in het proces-verbaal van bevindingen aangeduid als NN. Hij zegt onder meer : “Zodra we hier zijn en je hebt het geld binnen en je komt hierheen je ken zeggen [medeverdachte 2] (fon.) het geld is binnen. Waar is het?” 11 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij beide filmpjes heeft gemaakt.12

Medeverdachten [medeverdachte 2]13 en [medeverdachte 1]14 hebben verklaard dat zij op de filmpjes te zien/horen zijn. Ter zitting heeft de rechtbank bij het afspelen van de filmpjes waargenomen dat door de persoon die in het proces-verbaal van bevindingen als NN is weergegeven niet “ [medeverdachte 2] ” wordt gezegd maar “ [medeverdachte 2] ”. Dit is de voornaam van de medeverdachte [medeverdachte 2] . Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaarde voorts dat hij in de keuken bij [getuige 3] met medeverdachte [medeverdachte 2] over de verkoop van zijn chalet heeft gesproken en toen heeft gezegd dat hij het beter kon laten afbranden dan verkopen. [medeverdachte 2] zei daarop dat hij wel iemand wist om het chalet in de fik te steken. Als hij dat zou doen, moest [medeverdachte 1] betalen.15

Getuige [getuige 1] verklaarde op 21 april 2015 dat hij op 9 januari 2015 in Zeeland is geweest. Verdachte had hem gevraagd of hij hem naar Renesse wilde brengen. Zij zijn toen samen naar Renesse gereden. Eerst zijn ze langs de woning van verdachte gereden. Verdachte is daar uitgestapt en is teruggekomen met twee jerrycans. Onderweg zijn ze gestopt bij een tankstation om de jerrycans te vullen. Aangekomen in Renesse is getuige [getuige 1] in de auto blijven zitten. Verdachte stapte uit en nam beide jerrycans mee. Hij had de sleutels van het vakantiehuisje waar hij heen wilde bij zich. De sleutels had hij onderweg op het dashboard van de auto gelegd.16 Uit verkeersgegevens is gebleken dat een voertuig met het kenteken [kenteken] op 9 januari 2015 om 18.34.09 uur over de Brouwersdam Zeeland in is gereden en om 18.58.09 uur over de Brouwersdam Zeeland uit is gereden.17 Voornoemd kenteken bleek sinds 17 december 2014 op naam van getuige [getuige 1] te staan.18

Gelet op het voorgaande, waaronder de filmpjes en de verklaring van getuige [getuige 1] , in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die de brand in het chalet van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gesticht. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat meerdere personen op de hoogte waren van de opdracht van [medeverdachte 1] om het chalet in brand te steken en uiteindelijk iemand anders dit daadwerkelijk heeft gedaan, ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat artikel 6 van het EVRM aan het gebruik van de verklaring van getuige [getuige 1] bij de politie niet in de weg staat. De verklaring van getuige [getuige 1] vindt immers in belangrijke mate steun in andere bewijsmiddelen, zoals de hiervoor genoemde verkeersgegevens en filmpjes. Daar komt bij dat [getuige 1] bij de rechter-commissaris een groot deel van zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring heeft bevestigd.

Gelet op het verslag van de brandweer en de verklaring van de getuige [getuige 2] stelt de rechtbank vast dat door de brand gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, namelijk behalve voor het chalet en de in het chalet aanwezige goederen, ook voor belendende chalets. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is vast komen te staan dat door de brand levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is komen vast te staan dat in de belendende chalets personen aanwezig waren. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 09 januari 2015 te Noordwelle, gemeente

Schouwen-Duiveland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine,

althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een chalet/vakantiewoning [chalet 1] (vakantiepark [naam vakantiepark]

[naam vakantiepark] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat/die chalet/vakantiewoning en/of de in

dat/die chalet/vakantiewoning aanwezige goederen en/of de belendende

chalets/vakantiewoningen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen

aanwezig in de belendende chalets/vakantiewoningen, in elk geval levensgevaar

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het chalet en de daarin aanwezige goederen behoorden toe aan medeverdachte [medeverdachte 1] die als uitlokker van het bewezenverklaarde feit is aan te merken. [medeverdachte 1] is niet strafbaar voor het gemeen gevaar dat in het leven is geroepen met betrekking tot zijn eigen goederen. Verdachte, zijnde degene die het chalet met toestemming van de rechthebbende ( [medeverdachte 1] ) in brand heeft gestoken, deelt in die straffeloosheid.

Ten aanzien van het overige deel van het bewezenverklaarde zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt er rekening mee te houden dat verdachte reeds 7 maanden in voorarrest heeft doorgebracht en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Voorts is geen sprake van recidive.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. Hij heeft in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 1] het chalet van [medeverdachte 1] in brand gestoken en heeft hierbij enkel met het oogmerk van geldelijk gewin gehandeld. Brandstichting is een zeer ernstig feit. In dit geval is de materiële schade beperkt gebleven tot het chalet van [medeverdachte 1] , maar dit is niet aan verdachte te danken geweest. Verdachte heeft de kans dat er bij omliggende chalets grote schade zou ontstaan op de koop toe genomen. Een feit als het onderhavige zorgt doorgaans voor gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank voorts in het nadeel van verdachte rekening met het feit dat hij blijkens zijn strafblad eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. In het voordeel van verdachte wordt er rekening mee gehouden dat hij na het plegen van dit feit is berecht voor een ander feit.

Voorts is over de persoon van verdachte een rapportage opgemaakt door de reclassering. Hieruit blijkt dat er problemen zijn op diverse leefgebieden. Verdachte heeft schulden, geen vast inkomen, geen eigen huisvesting, geen diploma en geen vorm van dagbesteding. Het sociaal netwerk is zorgelijk te noemen. Daarnaast zijn er vragen omtrent de persoonlijkheidsontwikkeling. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting, een locatiegebod en andere voorwaarden het gedrag betreffende, bestaande uit het meewerken en zich inspannen om een traject richting werk en/of scholing te realiseren en te behouden en voorts het meewerken aan een traject in het kader van begeleid wonen (zoals via de organisatie Exodus) indien dit, zulks ter beoordeling aan de reclassering, voor de juiste uitvoering van het reclasseringstoezicht wenselijk wordt geacht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten zes maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk.

7 Het beslag

7.1

De onttrekking aan het verkeer

Het hierna als eerste in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het voorwerp tot het begaan van het feit is vervaardigd of bestemd.

7.2

De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de overige hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde,

behoudens voor zover het de onderdelen gemeen gevaar voor dat chalet en in dat chalet aanwezige goederen betreft;

- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging voor de onderdelen gemeen gevaar voor dat chalet en in dat chalet aanwezige goederen;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaar na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde zal naleven;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij de reclassering te Rotterdam, Marconistraat 2, en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

* sleutel, goednummer PL2000-2015008210-1351000;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* telefoon (Nokia), goednummer PL2000-2015008210-1350996;

* telefoon (Samsung S3), goednummer PL2000-2015008210-1350997;

* paar handschoenen, goednummer PL2000-2015008210-1351001.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Borm, voorzitter, mr. I.M. Josten en

mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een eindproces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2015008210 van de politie, eenheid Zeeland -West-Brabant, Zld district Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 304. Het proces-verbaal van 8 mei 2015, pagina 6, vierde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 10 januari 2015, pagina 22, eerste alinea, en pagina 23, zesde en twaalfde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Het schriftelijk stuk inhoudende een rapport van Biesboer Expertise B.V. van 26 maart 2015, pagina 29, derde en vierde alinea, pagina 31, derde alinea en pagina 46, laatste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het schriftelijk stuk inhoudende een inzetverslag van de brandweer van 9 januari 2015, pagina 28, vijfde tot en met zevende regel, van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 10 januari 2015, pagina 22, tiende alinea en pagina 23, derde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 10 januari 2015, pagina 24, derde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het schriftelijk stuk inhoudende een rapport van Biesboer Expertise B.V. van 26 maart 2015, pagina 46, achtste en tiende alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2014, pagina 190, eerste, tweede, vierde en zesde alinea, en pagina 191, eerste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 9 april 2015, pagina 148, laatste alinea, en pagina 149, eerste en tweede alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 197, eerste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

11 Het proces-verbaal van bevindingen van 23 maart 2015, pagina 196 en 197, eerste en tweede alinea, en pagina 198 van voornoemd eindproces-verbaal.

12 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 5 november 2015.

13 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 151, vierde alinea, eerste regel en elfde regel, derde zin, van voornoemd eindproces-verbaal.

14 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] van 8 april 2015, pagina 99, tiende en elfde alinea, en pagina 101, dertiende alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

15 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] van 8 april 2015, pagina 99, eerste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

16 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 21 april 2015, pagina 184, laatste alinea, en pagina 185, eerste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

17 Het schriftelijk stuk inhoudende de geregistreerde gegevens van de verkeerscamera’s op de Brouwersdam ingaand en uitgaand op vrijdag 9 januari 2015 tussen 15.00 uur en 23.00 uur, pagina 208, vijfde alinea, en pagina 209, vijfde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

18 Het schriftelijk stuk inhoudende de RDW-gegevens van kenteken [kenteken] , pagina 210, van voornoemd eindproces-verbaal.