Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7350

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
02-820212-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

uitlokking brandstichting chalet en poging tot oplichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/820212-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 november 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1937 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. P.C.M. Ouwens, advocaat te Spijkenisse.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 november 2015, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

ten aanzien van feit 1:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 09 januari 2015 te Noordwelle, gemeente

Schouwen-Duiveland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine,

althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een chalet/vakantiewoning [nummer chalet 1] (vakantiepark [naam vakantiepark]

[naam vakantiepark] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat/die chalet/vakantiewoning en/of de in

dat/die chalet/vakantiewoning aanwezige goederen en/of de belendende

chalets/vakantiewoningen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen

aanwezig in de belendende chalets/vakantiewoningen, in elk geval levensgevaar

en/of geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was,

welk feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot

en met 21 januari 2015 te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van

gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen die [medeverdachte 1] geld te

bieden en/of die [medeverdachte 1] in te lichten over (de locatie en de bereikbaarheid

van) het in de brand te steken object en/of over de locatie van de camera's

en/of betreffende het tijdstip en/of het verschaffen van de sleutels van het

in brand te steken object;

ten aanzien van feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2015 tot en met 12 januari 2015

te Noordwelle, gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, een

schadeformulier - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig

feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte

valselijk vermeld dat er (door een derde) brand is gesticht/ontstaan in/aan

zijn vakantiewoning, althans bewust de indruk heeft gewekt dat de brand geen

verdachte oorzaak had, althans heeft nagelaten [naam verzekeringsmaatschappij] (voldoende)

informatie te verstrekken aangaande de oorzaak van de brand, wetende dat hij,

verdachte, die brandstichting zelf had uitgelokt, zulks met het oogmerk om dat

geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2015 tot en met 12 januari 2015

te Noordwelle, gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen

van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam verzekeringsmaatschappij]

[naam verzekeringsmaatschappij] te bewegen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval

van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk

en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid valselijk

vermeld dat er (door een derde) brand is gesticht/ontstaan in/aan zijn

vakantiewoning, althans bewust de indruk heeft gewekt dat de brand geen

verdachte oorzaak had, althans heeft nagelaten [naam verzekeringsmaatschappij] (voldoende)

informatie te verstrekken aangaande de oorzaak van de brand, wetende dat hij,

verdachte, die brandstichting zelf had uitgelokt, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitlokking van brandstichting en valsheid in geschrift en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat verdachte de uitlokking van brandstichting ontkent en van begin tot eind consistent en geloofwaardig heeft verklaard. Voorts heeft verdachte geen opzet gehad op de uitlokking hiervan, ook niet in voorwaardelijke zin.

Er is geen sprake van een valse inhoud van het schadeformulier, dat overigens niet door verdachte is ingevuld, en daarmee geen sprake van valsheid in geschrift. Ook is geen sprake van poging tot oplichting, aangezien datgene wat verdachte heeft gemeld bij zijn verzekeraar juist is geweest.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Op vrijdag 9 januari 2015 werd om 19.08 uur bij de politie melding gemaakt dat er een chalet in brand stond op vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ aan [adres vakantiepark] .1 De eigenaar van park ‘ [naam vakantiepark] ’, getuige [getuige 1] , verklaarde op 10 januari 2015 dat het chalet dat in brand stond chalet [nummer chalet 1] betrof van eigenaar [verdachte] . Voorts verklaarde [getuige 1] dat [verdachte] door zijn financiële situatie de lasten van het chalet niet meer kon dragen en dat hij meerdere malen van [verdachte] had gehoord dat het chalet eigenlijk voor 1 januari 2015 verkocht zou moeten zijn. Na die tijd kon er door de bank beslag worden gelegd op bepaalde zaken.2

In opdracht van de verzekeringsmaatschappij is door Biesboer Expertise B.V. onderzoek verricht naar de brand. Hieruit is naar voren gekomen dat de brand in de onderhavige recreatiewoning het gevolg was van het opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur (brandstichting), waarbij gebruik is gemaakt van motorbenzine ter ontsteking en/of bevordering van de brand. Ten gevolge van die brand is het chalet grotendeels verloren gegaan. 3 Uit het verslag van de brandweer is voorts gebleken dat erop is ingezet om uitbreiding naar het naastgelegen chalet te voorkomen. De afstand tussen de chalets was plusminus vijf meter. Gezien de erg harde wind was overslag niet ondenkbaar.4 Ook is door [getuige 1] gezien dat de vlammen er aan de achterzijde van het chalet uitkwamen. Hij heeft aan de commandant van de brandweer verteld dat de brandweer eerst aan de rechterzijde van het chalet moest beginnen met blussen om overslaan op chalet [nummer chalet 2] te voorkomen.5

[getuige 1] verklaarde dat in het systeem Eco Greenbox een inbraakalarm stond geregistreerd voor chalet [nummer chalet 1] omstreeks 18.38 uur.6 In het rapport van Biesboer Expertise B.V. is vermeld dat voor deze brandstichting de recreatiewoning betreden diende te worden. De rapporteur concludeert dat als de inbraakmelding is gegenereerd door het openen van de achterdeur en deze daarna slotvast is afgesloten, ernstig rekening dient te worden gehouden met negatieve betrokkenheid van een sleutelhouder.7

Een aantal weken eerder, in de nacht van 14 op 15 december 2014, was er bij de politie een melding binnengekomen dat er verdachte personen gezien waren op de Rampweg te Renesse. Ter plaatse troffen de verbalisanten een voertuig en twee mannen aan. Een van hen liep in de berm ter hoogte van vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’. Dit bleek medeverdachte [medeverdachte 1] te zijn. Door de diensthond is een spoor gevolgd dat in de richting van een noodingang van vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ liep. De loopdeur hiervan bleek niet afgesloten te zijn en stond op een kier. Het spoor dat de diensthond volgde, liep het park op en kwam direct uit bij enkele chalets.8 De persoon met wie [medeverdachte 1] die nacht bij vakantiepark ‘ [naam vakantiepark] ’ is aangetroffen, bleek medeverdachte [medeverdachte 2] te zijn.9

Op 17 maart 2015 werd in het kader van een onderzoek van het Woninginbraken Team Friesland de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] uitgelezen. Verbalisant [verbalisant] ziet op deze telefoon een mapje video’s staan met daarin twee filmpjes welke in een auto zijn opgenomen. Op beide filmpjes herkent verbalisant [verbalisant] [medeverdachte 1] . Gelet op de namen van de filmpjes, 20150105 en 20150121 vermoedt de verbalisant dat het gaat om omgekeerde data, te weten 5 januari 2015 (filmpje 1) en 21 januari 2015 (filmpje 2). [medeverdachte 1] spreekt op beide filmpjes met een man die hij aanspreekt met ‘ [verdachte] ’. Door [verdachte] wordt in het eerste filmpje uitgelegd hoe [medeverdachte 1] bij chalet [nummer chalet 1] moet komen, dat hij twee buren heeft en dat zij in Eindhoven/Spijkenisse wonen. [medeverdachte 1] reageert hierop door te zeggen dat hij het daarom ook na de vakantie gaat doen zodat er niemand is. [verdachte] zegt verder dat hij morgenavond bij zijn zoon zit en dat hij woensdagavond zorgt dat hij ergens anders is. [medeverdachte 1] zegt daarop “zorg gewoon dat je morgen en overmorgen weg ben ja”. 10 In het tweede filmpje zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 1] dat hij verwacht dat hij 120.000 à 125.000 euro voor het chalet en 13 à 14.000 voor de inventaris krijgt, dat [medeverdachte 1] zijn geld krijgt en dat dat de afspraak was, waarop [medeverdachte 1] reageert dat hij zijn geld wil hebben als de verzekering aan [verdachte] uitkeert. In het tweede filmpje wordt ook door een andere in de auto aanwezige persoon gesproken, in het proces-verbaal van bevindingen aangeduid als NN. Hij zegt onder meer : “Zodra we hier zijn en je hebt het geld binnen en je komt hierheen je ken zeggen [medeverdachte 2] (fon.) het geld is binnen. Waar is het?” 11 [medeverdachte 1] heeft ter zitting verklaard dat hij beide filmpjes heeft gemaakt.12

Medeverdachte [medeverdachte 2]13 en verdachte14 hebben verklaard dat zij op de filmpjes te zien/horen zijn. Ter zitting heeft de rechtbank bij het afspelen van de filmpjes waargenomen dat door de persoon die in het proces-verbaal van bevindingen als NN is weergegeven niet “ [medeverdachte 2] ” wordt gezegd maar “ [medeverdachte 2] ”. Dit is de voornaam van de medeverdachte [medeverdachte 2] . Verdachte verklaarde voorts dat hij in de keuken bij [getuige 2] met medeverdachte [medeverdachte 2] over de verkoop van zijn chalet heeft gesproken en toen heeft gezegd dat hij het beter kon laten afbranden dan verkopen. [medeverdachte 2] zei daarop dat hij wel iemand wist om het chalet in de fik te steken. Als hij dat zou doen, moest verdachte betalen.15

Getuige [getuige 3] verklaarde op 21 april 2015 dat hij op 9 januari 2015 in Zeeland is geweest. Medeverdachte [medeverdachte 1] had hem gevraagd of hij hem naar Renesse wilde brengen. Zij zijn toen samen naar Renesse gereden. Eerst zijn ze langs de woning van [medeverdachte 1] gereden. [medeverdachte 1] is daar uitgestapt en is teruggekomen met twee jerrycans. Onderweg zijn ze gestopt bij een tankstation om de jerrycans te vullen. Aangekomen in Renesse is getuige [getuige 3] in de auto blijven zitten. [medeverdachte 1] stapte uit en nam beide jerrycans mee. Hij had de sleutels van het vakantiehuisje waar hij heen wilde bij zich. De sleutels had hij onderweg op het dashboard van de auto gelegd.16 Uit verkeersgegevens is gebleken dat een voertuig met het kenteken [kenteken] op 9 januari 2015 om 18.34.09 uur over de Brouwersdam Zeeland in is gereden en om 18.58.09 uur over de Brouwersdam Zeeland uit is gereden.17 Voornoemd kenteken bleek sinds 17 december 2014 op naam van getuige [getuige 3] te staan.18

Onder verwijzing naar het vonnis van heden in de zaak met parketnummer 700059-15 stelt de rechtbank vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 9 januari 2015 brand heeft gesticht in het chalet van verdachte. De rechtbank stelt voorts vast, gelet op voornoemde filmpjes, die tevens ter terechtzitting zijn vertoond, dat verdachte [medeverdachte 1] geld heeft geboden om zijn chalet in brand te steken en heeft ingelicht over de locatie en de bereikbaarheid van het chalet, de locatie van de camera’s op het terrein en het tijdstip waarop de brandstichting het best plaats kon vinden. Ook stelt de rechtbank vast, gelet op de verklaring van getuige [getuige 3] , dat verdachte de sleutels van het chalet aan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verschaft. Voorts is niet aannemelijk geworden dat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, onder bedreiging een belofte van geld heeft gedaan, nu op de filmpjes te zien is dat verdachte kalm en ontspannen is tijdens zijn gesprekken met medeverdachte [medeverdachte 1] . Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het aan verdachte tenlastegelegde feit, uitlokking van brandstichting, wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op het verslag van de brandweer en de verklaring van de getuige [getuige 1] stelt de rechtbank vast dat door de brand gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, namelijk behalve voor het chalet en de in het chalet aanwezige goederen, ook voor belendende chalets. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is vast komen te staan dat door de brand levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is komen vast te staan dat in de belendende chalets personen aanwezig waren. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2:

Op 18 september 2015 verklaarde getuige [getuige 4] dat hij eigenaar is van [naam assurantiekantoor] , bij welk kantoor verdachte ongeveer vijf jaar klant is. Verdachte heeft [getuige 4] op 9 januari 2015 opgebeld om te vertellen dat er een grote brand was in zijn chalet in Noordwelle. Hij zei dat het als totaal verloren beschouwd moest worden, waarop [getuige 4] de [naam verzekeringsmaatschappij] heeft gebeld om dit te melden. Vervolgens heeft [getuige 4] het schadeformulier alvast ingevuld. Verdachte is op 12 januari 2015 binnengelopen en heeft toen zijn handtekening geplaatst op het tweede blad van het schadeformulier.19 Op het schadeformulier is een kruisje bij ‘nee’ gezet bij de vraag of de schade verhaald kan worden op een ander.20

Verdachte heeft op 18 september 2015 verklaard dat hij op 9 januari 2015 heeft gebeld met zijn assuradeur [naam assurantiekantoor] om door te geven dat er brand was in het chalet in Noordwelle. Verdachte heeft het schadeformulier op het tweede blad ondertekend.21

Valsheid in geschrift of poging tot oplichting?

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste is gelegd (valsheid in geschrift), zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Niet kan worden vastgesteld dat de betrokkenheid van verdachte bij dit feit uit meer heeft bestaan dan het zetten van een handtekening onder een door [getuige 4] ingevuld schadeformulier. Dit is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde valsheid in geschrift te komen.

Dit ligt anders ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot oplichting.

Verdachte heeft in de valse hoedanigheid van bonafide melder gehandeld door na te laten om aan de verzekeringsmaatschappij de hem bekende informatie omtrent de oorzaak van de brand te verstrekken, te weten dat sprake was van brandstichting die hij zelf had uitgelokt (zoals onder feit 1 bewezen is verklaard), om zo te trachten verzekeringspenningen op te kunnen strijken. Het is bij een poging gebleven nu de verzekeraar onderzoek naar de oorzaak van de brand heeft ingesteld en niet aan verdachte heeft uitgekeerd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het tweede onder feit 2 cumulatief/alternatief tenlastegelegde (poging tot oplichting) wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

ten aanzien van feit 1:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 09 januari 2015 te Noordwelle, gemeente

Schouwen-Duiveland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine,

althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een chalet/vakantiewoning [nummer chalet 1] (vakantiepark [naam vakantiepark]

[naam vakantiepark] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat/die chalet/vakantiewoning en/of de in

dat/die chalet/vakantiewoning aanwezige goederen en/of de belendende

chalets/vakantiewoningen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen

aanwezig in de belendende chalets/vakantiewoningen, in elk geval levensgevaar

en/of geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was,

welk feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot

en met 21 januari 2015 te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van

gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen die [medeverdachte 1] geld te

bieden en/of die [medeverdachte 1] in te lichten over (de locatie en de bereikbaarheid

van) het in de brand te steken object en/of over de locatie van de camera's

en/of betreffende het tijdstip en/of het verschaffen van de sleutels van het

in brand te steken object;

ten aanzien van feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2015 tot en met 12 januari 2015

te Noordwelle, gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen

van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam verzekeringsmaatschappij]

[naam verzekeringsmaatschappij] te bewegen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval

van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk

en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid valselijk

vermeld dat er (door een derde) brand is gesticht/ontstaan in/aan zijn

vakantiewoning, althans bewust de indruk heeft gewekt dat de brand geen

verdachte oorzaak had, althans heeft nagelaten [naam verzekeringsmaatschappij] (voldoende)

informatie te verstrekken aangaande de oorzaak van de brand, wetende dat hij,

verdachte, die brandstichting zelf had uitgelokt, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het chalet en de daarin aanwezige goederen behoorden toe aan verdachte die als uitlokker van de brandstichting is aan te merken. Verdachte is niet strafbaar voor het gemeen gevaar dat in het leven is geroepen met betrekking tot zijn eigen goederen.

Ten aanzien van het overige deel van het bewezenverklaarde zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, welke blijken uit het reclasseringsrapport. Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat verdachte geen relevante documentatie heeft, bereid is om behandeling te ondergaan en bij detentie zijn huurwoning zal verliezen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitlokking van brandstichting. Hij heeft medeverdachte [medeverdachte 1] geld geboden om zijn chalet in brand te steken en heeft hem daarvoor de nodige informatie en sleutels verschaft. Brandstichting is een zeer ernstig feit. In dit geval is de materiële schade beperkt gebleven tot het eigen chalet van verdachte, maar dit is niet aan hem te danken geweest. Verdachte heeft de kans dat er aan omliggende chalets grote schade zou ontstaan op de koop toe genomen. Een feit als het onderhavige zorgt doorgaans voor gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden.

Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting van de verzekeringsmaatschappij. Hij heeft getracht verzekeringspenningen op te strijken door na te laten de verzekeringsmaatschappij de hem bekende informatie omtrent de oorzaak van de brand te verstrekken wetende dat hij die brandstichting zelf had uitgelokt.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Voorts is over de persoon van verdachte een rapportage opgemaakt door de reclassering. Hieruit blijkt dat verdachte na het overlijden van zijn vrouw twee jaar geleden risicovol gedrag is gaan vertonen. Duidelijk is dat het overlijden van zijn vrouw het leven van verdachte ernstig heeft ontwricht. Verdachte volgt inmiddels een behandeling en uit contact met een psychiater is gebleken dat sprake is van een ernstige depressie en nog onbekende persoonlijkheidsproblematiek, waardoor verdachte problemen met rouwverwerking heeft. Hij werkt mee aan de deeltijdbehandeling gericht op zijn depressie en krijgt ook medicatie tegen de depressie. Verdachte heeft buiten de deeltijdbehandeling geen structurele dagbesteding, maar hij heeft hier door de depressie ook weinig zin in. De financiële situatie van verdachte is niet helemaal op orde. Er zou sprake zijn van een schuldenlast. Verdachte voelt zich eenzaam. Hij lijkt langzaam meer inzicht te krijgen in de risico’s die hij heeft genomen door een relatie aan te gaan waar hij eenzijdig in heeft geïnvesteerd. De kans op recidive wordt ingeschat als laag, maar verdachte heeft verdere behandeling nodig om keuzes weloverwogen te kunnen maken. Gelet op de ontkenning van verdachte onthoudt de reclassering zich primair van advies over de sanctie. Secundair adviseert de reclassering een

(gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij worden als

bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelplicht geadviseerd.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met zijn persoonlijke omstandigheden en de gevolgen die voor verdachte groter zijn dan voor zijn medeverdachten. Zo zal de schuldenlast van verdachte naar alle waarschijnlijkheid groter zijn geworden door de zelf uitgelokte brand in zijn chalet.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een aanzienlijk deel daarvan, te weten tien maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering en behandeling mogelijk.

7 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 47, 57, 157 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het eerste onder feit 2 cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

ten aanzien van feit 1: door beloften en door het verschaffen van gelegenheid, middelen

en inlichtingen opzettelijk uitlokken van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

ten aanzien van feit 2: poging tot oplichting;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde,

behoudens voor zover het de onderdelen gemeen gevaar voor dat chalet en in dat chalet aanwezige goederen betreft;

- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging voor de onderdelen gemeen gevaar voor dat chalet en in dat chalet aanwezige goederen;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaar na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden zal naleven;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij de reclassering te Rotterdam, Marconistraat 2, en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij de zorgboulevard van Delta Psychiatrisch Centrum of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling/behandelaar aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problematiek (waaronder depressie en persoonlijkheidsproblematiek), waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een telefoon (Samsung), goednummer PL2000-2015008210-1345785;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Borm, voorzitter, mr. I.M. Josten en

mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een eindproces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2015008210 van de politie, eenheid Zeeland -West-Brabant, Zld district Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 304. Het proces-verbaal van 8 mei 2015, pagina 6, vierde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 10 januari 2015, pagina 22, eerste alinea, en pagina 23, zesde en twaalfde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Het schriftelijk stuk inhoudende een rapport van Biesboer Expertise B.V. van 26 maart 2015, pagina 29, derde en vierde alinea, pagina 31, derde alinea en pagina 46, laatste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het schriftelijk stuk inhoudende een inzetverslag van de brandweer van 9 januari 2015, pagina 28, vijfde tot en met zevende regel, van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 10 januari 2015, pagina 22, tiende alinea en pagina 23, derde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 10 januari 2015, pagina 24, derde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het schriftelijk stuk inhoudende een rapport van Biesboer Expertise B.V. van 26 maart 2015, pagina 46, achtste en tiende alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2014, pagina 190, eerste, tweede, vierde en zesde alinea, en pagina 191, eerste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 9 april 2015, pagina 148, laatste alinea, en pagina 149, eerste en tweede alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 197, eerste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

11 Het proces-verbaal van bevindingen van 23 maart 2015, pagina 196 en 197, eerste en tweede alinea, en pagina 198 van voornoemd eindproces-verbaal.

12 De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 5 november 2015.

13 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 151, vierde alinea, eerste regel en elfde regel, derde zin, van voornoemd eindproces-verbaal.

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 8 april 2015, pagina 99, tiende en elfde alinea, en pagina 101, dertiende alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

15 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 8 april 2015, pagina 99, eerste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

16 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 21 april 2015, pagina 184, laatste alinea, en pagina 185, eerste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

17 Het schriftelijk stuk inhoudende de geregistreerde gegevens van de verkeerscamera’s op de Brouwersdam ingaand en uitgaand op vrijdag 9 januari 2015 tussen 15.00 uur en 23.00 uur, pagina 208, vijfde alinea, en pagina 209, vijfde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

18 Het schriftelijk stuk inhoudende de RDW-gegevens van kenteken [kenteken] , pagina 210, van voornoemd eindproces-verbaal.

19 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 18 september 2015, eerste pagina, eerste en derde tot en met zesde alinea, en tweede pagina, tweede alinea, van het aanvullend proces-verbaal bij voornoemd eindproces-verbaal.

20 Het schriftelijk stuk inhoudende het schadeformulier van [naam assurantiekantoor] betreffende de brandschade aan het chalet van verdachte, tweede pagina, van het aanvullend proces-verbaal bij voornoemd eindproces-verbaal.

21 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 september 2015, eerste pagina, tweede en vijfde alinea, en tweede pagina, derde en vierde alinea, van het aanvullend proces-verbaal bij voornoemd eindproces-verbaal.