Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7339

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
C/02/305674 / FA RK 15-6469
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

BOPZ klachtzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Breda

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: C/02/305674 / FA RK 15-6469

beschikking betreffende een verzoek ex artikel 41a lid 5 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).

in de zaak van

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

verblijvende te [verblijfplaats] ,

hierna te noemen verzoeker,

advocaat mr. J.J. van ‘t Hoff.

1 Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 7 oktober 2015 ontvangen verzoekschrift van verzoeker;

- de beschikking van deze rechtbank van 17 augustus 2015;

- de schriftelijke uitspraak van de Klachtencommissie Stichting GGz Breburg (hierna te noemen de klachtencommissie) van 28 september 2015;

- de door GGz Breburg op 16 oktober 2015 (tweemaal) toegezonden stukken;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 oktober 2015.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

1. de Raad van Bestuur van GGz Breburg, gevestigd te (5000 AT) Tilburg, hierna te noemen de instelling;

2. dr. J.J. de Jong, de geneesheer-directeur van voormelde instelling, hierna (ook) te noemen De Jong;

3. mevrouw S. Vos en A. Dirks, behandelend psychiaters van verzoeker, verbonden aan voormelde instelling, hierna te noemen Vos en Dirks;

4. verzoeker en zijn advocaat mr. Van ‘t Hoff, hierna te noemen de raadsman;

5. de Inspectie voor de Gezondheidszorg te Utrecht, hierna te noemen de Inspectie;

6. de patiëntvertrouwenspersoon, [naam X] .

2 Het verzoek

2.1

Het verzoek strekt tot:

1. gegrondverklaring van zijn klacht en het besluit van de klachtencommissie te vernietigen;

2. de beslissing van de psychiater tot toepassing van dwangbehandeling te schorsen;

3. te bepalen dat de rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt een dwangsom van € 250,= per dag verbeurt voor iedere dag of dagdeel dat de voor de behandeling verantwoordelijke persoon niet voldoet aan de beslissing van de rechtbank en de toepassing van dwangmedicatie aan verzoeker voortzet;

4. aan verzoeker een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van € 100,= op basis van artikel 41b Wet Bopz, ten laste van de rechtspersoon die het betrokken psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt.

Ter zitting heeft de raadsman namens verzoeker het verzoek onder 1. aangepast, in die zin dat wordt verzocht tot gegrondverklaring van zijn klacht en vernietiging van na te noemen besluiten van 4 september 2015 en 13 september 2015.

Het verzoek onder 2. is ingetrokken, nu ter zitting is gebleken dat de in geding zijnde besluiten thans niet meer worden toegepast.

Het verzoek onder 3 is aangepast, in die zin dat in het onderhavige geval geen sprake is van dwangmedicatie.

2.2

Het verzoek is ter voormelde terechtzitting behandeld.

Daarbij was aanwezig verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman. Tevens was aanwezig mevrouw [naam medewerkster] , namens de instelling en gevolmachtigd door De Jong. Verder waren aanwezig Vos en Dirks. Namens de raad van bestuur en de Inspectie is niemand verschenen. De patiëntvertrouwenspersoon was evenmin aanwezig.

3 De beoordeling

3.1

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat het volgende vast.

a. Bij beschikking van deze rechtbank van 17 augustus 2015 is op grond van artikel 14a Wet Bopz ten aanzien van verzoeker een voorwaardelijke machtiging verleend tot en met 17 februari 2016. Daarbij is bepaald dat voor verzoeker de voorwaarde geldt dat hij zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het in die beschikking genoemde - gewijzigde - behandelingsplan.

b. Bij brief van 1 september 2015 van De Jong is aan de rechtbank medegedeeld dat de voorwaardelijke machtiging op 29 augustus 2015 is geconverteerd naar een voorlopige machtiging, waarbij is aangegeven dat verzoeker zich al langere tijd niet houdt aan de voorwaarden van de voorwaardelijke machtiging.


c. Bij brief van 4 september 2015 (hierna: besluit I) hebben Dirks en AIOS Van Weel, namens de geneesheer-directeur, aan verzoeker medegedeeld dat op 4 september 2015 is overgegaan tot een maatregel in het kader van artikel 40 Wet Bopz, welke het recht op bewegingsvrijheid beperkt in de vorm van verplicht verblijf op de ICU op HIC Breda

JWH 1. De beperking wordt uitgevoerd ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals in de huisregels beschreven.

Als reden hiervoor is vermeld dat verzoeker die dag meermaals zeer ontwrichtend is geweest op de afdeling, waarbij hij zeer hard schreeuwde, schold, zich erg devaluerend opstelde richting de medewerkers en hen ook bedreigde en meermaals fysiek dichtbij kwam en dreigde hen te slaan. Ook gooide verzoeker met spullen. Met dit gedrag ontwricht verzoeker het afdelingsklimaat. Verzoeker heeft tweemaal noodmedicatie gehad, maar dit heeft onvoldoende rust geboden.

d. Bij brief van 13 september 2015 (hierna: besluit II) heeft Vos, namens de geneesheer-directeur, aan verzoeker medegedeeld dat op 13 september 2015 in het kader van artikel 40 Wet Bopz is overgegaan tot het beperken van het telefoonverkeer en het beperken van het internetverkeer, laatstgenoemde als een vorm van het beperken van bewegingsvrijheid. Beide beperkingen worden uitgevoerd ter voorkoming van ernstig nadeel voor de gezondheidstoestand van verzoeker én verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals in de huisregels beschreven.

Als reden hiervoor is vermeld dat verzoeker de afgelopen dagen zeer druk en ontwrichtend aanwezig is, zowel in de ICU als tijdens de momenten op de afdeling. Verzoeker is vrijwel steeds in de weer met zijn telefoon, waarmee hij (zeer luid) belt en op het internet surft. Dit telefoongebruik geeft verzoeker veel prikkels, waar zijn manische toestandsbeeld verder door ontregelt. Ook communiceert verzoeker via de telefoon/het internet met medecliënten over pogingen om de afdeling te ontvluchten. Er zijn vermoedens dat verzoeker bepaalde sites bezoekt die hem veel geld kosten.

De smartphone wordt door de verpleging in beheer genomen onder artikel 36 Wet Bopz.

e. Verzoeker heeft op 18 september 2015 een klacht ingediend tegen de besluiten I en II.

f. Bij beslissing van 28 september 2015 heeft de klachtencommissie de klacht tegen besluiten I en II ongegrond verklaard.

g. Naar aanleiding van de beslissing van 28 september 2015 heeft verzoeker het onderhavige verzoekschrift ingediend.

3.2

De rechtbank is bevoegd van onderhavig verzoek kennis te nemen, nu de instelling waar verzoeker verblijft in dit arrondissement is gelegen. Daarnaast is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek nu de klachtencommissie de klacht van verzoeker ongegrond heeft verklaard en onderhavig verzoekschrift tijdig is ingediend. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker niet wilsbekwaam is met betrekking tot de indiening van zijn verzoek.

De rechtbank zoekt aansluiting bij de indeling van het verzoekschrift en zal om die reden eerst de twee klachten tegen besluit II beoordelen, en daarna de klacht tegen besluit I.

Besluit II

3.3

Verzoeker heeft in dit verband het navolgende aangevoerd.

3.3.1 1.

1. Onterechte beperking van het recht op vrij telefoonverkeer en bewegingsvrijheid (hierna: klachtonderdeel 1.).

Volgens verzoeker kan een beperking in het recht op vrij telefoonverkeer overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels in een GGZ-instelling slechts worden opgelegd in de in artikel 40 lid 4 onder a en b Wet Bopz genoemde gevallen.

Voor zover de maatregel ziet op de nadelige gevolgen van het telefoongebruik voor de gezondheidstoestand (grond a) meent verzoeker dat het telefoonverkeer hooguit het gevolg is van zijn manisch toestandsbeeld, maar ontkent hij hierdoor meer prikkels te krijgen. Dat verzoeker op de afdeling zeer luid zou bellen en daardoor de orde in het ziekenhuis zou verstoren zoals in de huisregels omschreven (grond b) ontkent verzoeker eveneens.

Daarnaast merkt verzoeker nog op dat een beperking van het recht op vrij telefoonverkeer niet inherent is aan de beslissing tot plaatsing in de comfortzone.

3.3.2 2.

2. Inname mobiele telefoon vanwege inperking internetverkeer gaat verder dan beperking van het recht op vrij telefoonverkeer. Inperking van het internetverkeer is in strijd met het doelmatigheidsbeginsel; de mobiele telefoon is onterecht ingenomen (hierna: klachtonderdeel 2.).

De maatregel is blijkens de toelichting met name bedoeld ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis door luid belgedrag. Gelet hierop had kunnen worden volstaan met een belverbod op de afdeling of het innemen van de SIM-kaart, hetgeen een minder verstrekkende maatregel zou zijn geweest. Inname van de mobiele telefoon veroorzaakt immers tevens een beperking in het internetgedrag, terwijl artikel 40 Wet Bopz daarvoor geen grondslag biedt. Van het surfen op internet heeft niemand last. Dit kan niet leiden tot ordeverstoring, zeker niet gedurende de momenten dat verzoeker in de comfortzone verblijft. De maatregel schiet haar doel voorbij.

In de uitspraak van 22 april 2011 heeft rechtbank Haarlem (JVggz 2011/21) geoordeeld dat een beperking van het internetverkeer valt onder de beperking van het recht op vrij telefoonverkeer, maar het verschil met de onderhavige zaak is dat de maatregel in casu wordt toegepast met het oog op behandeling van verzoeker, te weten het reduceren van prikkels. In die zin dient de inperking van het internetverkeer door de inname van de mobiele telefoon te worden gezien als een vorm van dwangbehandeling waarvoor alleen artikel 38c Wet Bopz grondslag biedt. De beperkende maatregel gaat verder dan enkel bescherming van verzoeker tegen ernstige nadelige gevolgen voor diens gezondheidstoestand bij continuering van het internetgedrag of het voorkomen van verstoringen van de orde in het ziekenhuis. Daarnaast wordt hierdoor het recht op vrije informatiegaring geschonden.

3.4

Behandelaar Vos heeft schriftelijk en mondeling verweer gevoerd ten aanzien van de klachtonderdelen 1 en 2 van verzoeker.

3.4.1.

Ten aanzien van klachtonderdeel 1., merkt Vos het volgende op.

In de periode 11 tot en met 13 september 2015 wordt over verzoeker gerapporteerd dat hij zeer luidruchtig aanwezig was; luid praten, continu commentaar, beledigend en dreigend, druk aan het bellen, met zijn smartphone een sekssite bezoeken, whats-appen met medecliënten en harde muziek draaien op zijn mobiel. Medecliënten klaagden hierover. Vos constateert een toename van de ernst van het manische toestandsbeeld, alsmede ontwrichtend gedrag tijdens de momenten op de afdeling. Behandeling bij een manisch beeld is noodzakelijk door middel van medicatie, het aanbrengen van structuur en het reduceren van prikkels. De gedragingen van verzoeker leidden tot overprikkeling, hetgeen nadelige gevolgen had voor zijn gezondheidstoestand. Ook was verzoeker ontwrichtend aanwezig op de afdeling, als vermeld in het betreffende besluit.

Daarom heeft Vos besloten tot de maatregel op grond van artikel 40. Verzoeker was nog in de gelegenheid om te bellen en gebeld te worden met de afdelingstelefoon en om te internetten op de afdelingscomputer tijdens de momenten op de afdeling, die er veelvuldig waren. De gezondheidstoestand was bepalend voor toepassing van deze maatregel. Voor de volledigheid heeft Vos ook verstoring van de orde aangekruist, omdat hier ook sprake van was. Zij refereert aan de afdelingsregels in de informatiefolder HIC, waarin onder meer is aangegeven dat het gebruik van de mobiele telefoon is toegestaan, behalve wanneer het storend is voor medecliënten.

3.4.2

Met betrekking tot klachtonderdeel 2. heeft Vos aangegeven dat de gezondheidstoestand van verzoeker doorslaggevend was voor het nemen van het betreffende besluit, en dat subsidiair voorkoming van verstoring van de openbare orde aan het besluit ten grondslag lag. De behandelaar heeft ter zitting nog nadrukkelijk verklaard dat de inname van de mobiele telefoon heeft plaatsgevonden uit vrees voor nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand van verzoeker en dat dit niet is gebeurd met het oog op behandeling van verzoeker. De inname was dan ook geen vorm van behandeling om de stoornis te verminderen, maar had tot doel om nadelige gevolgen voor het toestandsbeeld te voorkomen. Er is dus ook geen sprake van dwangbehandeling. Op 15 september 2015 heeft verzoeker de telefoon teruggekregen zonder simkaart, zodat hij wel naar muziek kon luisteren en spelletjes kon spelen. Echter, toen bleek dat verzoeker via wifi hotspots nog steeds gebruik kon maken van het internet en ook via internet kon bellen zodat die maatregel niet doelmatig bleek. Psychiater Van Loon rapporteert hierover op 15 september 2015. De minder ingrijpende maatregel is derhalve niet haalbaar gebleken. Het recht op vrije informatiegaring is niet geschonden, nu verzoeker tijdens de momenten op de afdeling de mogelijkheid had om internet te bezoeken, aldus Vos.

3.5

De rechtbank overweegt als volgt.

3.6

Artikel 40, lid 3, van de Wet Bopz bepaalt, voor zover hier van belang, dat beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels kunnen worden opgelegd:

a. indien naar het oordeel van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op de bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel

b. indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is.

Lid 4 van voormeld artikel bepaalt, voor zover van belang, dat beperkingen in het recht op vrij telefoonverkeer overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels kunnen worden opgelegd:

a. indien naar het oordeel van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op vrij telefoonverkeer ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel

b. indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is.

3.7.1

Vooropgesteld zij dat de rechtbank met verzoeker van oordeel is dat een beperking van het recht op vrij telefoonverkeer niet inherent is aan de beslissing tot plaatsing in de comfortzone. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet gebleken dat de instelling een andere opinie is toegedaan, nu aan de plaatsing in de comfortzone en de beperking van het telefoon- en internetverkeer twee afzonderlijke - en op een ander moment genomen - beslissingen ten grondslag liggen.

Klachtonderdeel 1.

3.7.2

Vast staat dat verzoeker op 13 september 2015 deels in de comfortzone en deels op de gewone afdeling van de instelling verbleef. Verzoeker heeft ter zitting erkend en derhalve niet langer ontkend, dat hij door het gebruik van zijn mobiele telefoon op dat moment meer prikkels kreeg, en dat hij luid belde, hetgeen naar zijn mening - achteraf bezien - overlast voor zijn medepatiënten veroorzaakte, althans, gedurende de momenten dat hij niet in de comfortzone maar op de afdeling verbleef.

In dit verband heeft Vos ter zitting aangegeven dat de maatregel met name was genomen uit vrees voor ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand van verzoeker door zijn telefoongebruik. Teveel prikkels houden de manie in stand en verergeren de symptomen. In dit geval namen de manische klachten toe en was er sprake van overprikkeling door het gebruik van de telefoon, waaronder het vele bellen. Die nadelige gevolgen lagen aldus daarin dat sprake was van een toename van de ernst van het manische toestandsbeeld als gevolg van het telefoongebruik.

3.7.3

Uit de stukken, waaronder de wettelijke aantekeningen, en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat op het moment van het nemen van het besluit gevreesd werd voor ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand van verzoeker, nu sprake was van een toename van de ernst van het manisch toestandsbeeld. Aan het criterium als vermeld in artikel 40, lid 4, onder a, van de Wet Bopz is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Gelet op het vorenoverwogene zal beoordeling van de b-grond, waarvan overigens tussen verzoeker en de instelling niet meer in geschil is dat verzoeker door het bellen overlast op de afdeling veroorzaakte, in het midden worden gelaten.

Klachtonderdeel 2.

3.7.4

Kort samengevat stelt verzoeker zich op het standpunt dat inname van de telefoon verder strekt dan uitsluitend beperking van het recht op telefoonverkeer nu ook het internetverkeer hiermee wordt ingeperkt, alsmede dat niet aan de eisen van doelmatigheid is voldaan.

3.7.5

De rechtbank stelt voorop dat uit het genomen besluit reeds blijkt dat de instelling met verzoeker eens is dat beperking van het internetgebruik niet uitsluitend onder de beperking van het telefoonverkeer kan worden geschaard, nu de instelling het besluit mede grondt op beperking van het recht op bewegingsvrijheid.

3.7.6

Tegenwoordig beschikken veel mensen over zogenaamde smartphones; telefoons waarmee zowel telefonisch verkeer als internetverkeer kan plaatsvinden, waarmee men naar muziek kan luisteren en waarop men (computer)spelletjes kan spelen. Beperking van het gebruik van een dergelijk (communicatie)middel is (nog) niet in de wet geregeld, zodat de rechtbank aanleiding ziet om aansluiting te zoeken bij het doel waarvoor de smartphone in dit geval werd gebruikt. In dit verband kan grofweg onderscheid worden gemaakt naar twee doelen, te weten het op afstand kunnen leggen van contacten met anderen, bijvoorbeeld via een WhatsApp-groep, en het vergaren van informatie. De rechtbank zal per geval dienen te beoordelen van welk doel sprake is. Naar de rechtbank begrijpt heeft de instelling dit laatste doel geschaard onder beperking van bewegingsvrijheid.

Bij de behandelaars van verzoeker bestond het vermoeden dat verzoeker contact legde met medepatiënten in een WhatsApp-groep en plannen maakte om de afdeling te ontvluchten. Daarnaast bestond het vermoeden van bezoek aan betaalde seksueel overprikkelende websites en gaf verzoeker blijkens dagrapportages zelf aan dat hij een feest organiseerde waarvoor hij al geld had uitgegeven. Tevens hebben de behandelaars ter zitting opgemerkt dat verzoeker beschikte over honderden naaktfoto’s van vrouwen en dat verzoeker zelf aangaf contact te hebben met (sommigen van die) vrouwen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verzoeker de smartphone met name heeft gebruikt voor het leggen van contacten met anderen. Nu de smartphone met name voor dit doel is gebruikt, is de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 april 2011 (JVggz 2011/21), van oordeel dat in de onderhavige zaak een beperking van het internetgebruik onder de beperking van het recht op vrij telefoonverkeer kan worden geschaard. Dit laat overigens onverlet dat de instelling in casu, naast beperking van het recht op vrij telefoonverkeer, ook het recht op bewegingsvrijheid heeft beperkt, naar de rechtbank begrijpt met het oog op de beperking van informatievergaring via de smartphone.

3.7.7

Weliswaar kan, blijkens het verweer van Vos op klachtonderdeel 1., het reduceren van prikkels onderdeel vormen van een behandeling als bedoeld in artikel 38b e.v. van de Wet Bopz, maar in de onderhavige zaak is gebleken dat verzoeker door het gebruik van zijn smartphone overprikkeld werd en dat die overprikkeling moest worden weggenomen om ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand van verzoeker te voorkomen. Gelet hierop is de rechtbank met de behandelaar van oordeel dat de inname van de smartphone en de beperking van het internetverkeer in deze zaak niet is aan te merken als een therapeutisch middel om de stoornis te behandelen, maar is ingezet uit vrees voor nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand. Door het innemen van de smartphone wordt de stoornis immers niet behandeld. Gelet hierop acht de rechtbank het besluit rechtmatig, voor zover dat is gegrond op artikel 40, lid 4, onder a, Wet Bopz

3.7.8

Voor zover verzoeker aanvoert dat sprake is van beperking van het recht op vrije meningsuiting, omdat hij was beperkt in het ontvangen van inlichtingen of denkbeelden, en dat daarom artikel 38c Wet Bopz had moeten worden toegepast, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank is met verzoeker van oordeel dat sprake is van enige beperking van dit recht op vrije meningsuiting. Ter zitting is namens de instelling weliswaar aangegeven dat verzoeker niet, dan wel in mindere mate, beperkt was in de vergaring van informatie, omdat hij gedurende de momenten op de afdeling nog toegang had tot internet op een afdelingscomputer, maar vast staat ook dat verzoeker gedeeltelijk in de comfortzone verbleef zodat zijn recht op die momenten in ieder geval wel beperkt was.

Echter, gelet op de aard van het gebruik van internet in dit geval, te weten met name persoonlijke interactie, alsmede gelet op het feit dat het geen behandelmiddel betrof maar werd ingezet ter voorkoming van nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand, is de rechtbank van oordeel dat de instelling terecht artikel 40 lid 3 en lid 4 Wet Bopz en niet artikel 38c Wet Bopz als grondslag heeft genomen. Tot slot, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in r.o. 3.7.3 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan de zogenaamde a-grond als vermeld in lid 3 en 4 van artikel 40 Wet Bopz is voldaan, nu op het betreffende moment gevreesd werd voor ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand van verzoeker, vanwege de toename van de ernst van het manisch toestandsbeeld.

3.7.9

De vraag of deze maatregel voldoet aan het beginsel van doelmatigheid beantwoordt de rechtbank bevestigend. Gelet op de vrees voor ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand had, anders dan verzoeker betoogt, niet kunnen worden volstaan met een belverbod op de afdeling of het innemen van de SIM-kaart, nu verzoeker dan nog immer overprikkeld werd door het gebruik van de smartphone. Daarnaast is nadien gebleken dat de door verzoeker betoogde minder verstrekkende maatregel niet doelmatig was, gelet op de bestaande wifi-hotspots waardoor verzoeker ook zonder SIM-kaart toegang had tot internet. Nu voorts vast staat dat verzoeker op de momenten dat hij op de afdeling was de mogelijkheid had tot internetgebruik en telefonisch contact, is de rechtbank van oordeel dat niet alleen aan het beginsel van doelmatigheid is voldaan, maar tevens aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat verzoeker het niet prettig vond dat daarbij iemand meekeek en dat hij om die reden mogelijk besloot geen gebruik te maken van internet doet daar niet aan af.

3.8

Het voorgaande betekent dat de klacht van verzoeker voor zover gericht tegen besluit II ongegrond is.

Besluit I

3.9

Verzoeker heeft in dit verband het navolgende aangevoerd.

3.9.1

Plaatsing in de comfortzone is vorm van afzondering en niet enkel beperking van de bewegingsvrijheid.

De instelling ziet de comfortzone als een variant tussen het verblijf op de afdeling en de plaatsing in de separatieruimte. Dit kan niet worden gebaseerd op artikel 40 lid 3 Wet Bopz, want een verblijf in de comfortzone strekt in juridische zin veel verder dan enkel een beperking van de bewegingsvrijheid. Het betreft immers plaatsing in een afgezonderd gedeelte van het ziekenhuis, waar geen medepatiënten aanwezig zijn. De inperking van de bewegingsvrijheid is initieel ingevoerd om een patiënt te observeren. Het is echter een vorm van afzondering, te vergelijken met artikel 2 van het Besluit middelen en maatregelen Bopz. Dit betekent dat het een maatregel van dwangbehandeling betreft waarvoor alleen artikel 38c Wet Bopz voldoende grondslag biedt.

3.10

Namens de instelling is ter zitting verklaard dat er inmiddels veel alternatieven zijn ontwikkeld voor separatie, die zoveel mogelijk zijn toegespitst op de verschillende benodigdheden per patiënt. Wanneer de wetgever iedere modaliteit zou benoemen en reguleren, zou dit de vrijheid van de instelling om te komen tot de minst ingrijpende maatregel beknotten en daarmee zijn doel voorbij schieten. De instelling benadert de verhouding tussen artikel 40 lid 3 en artikel 38c lid 1 sub b van de Wet Bopz als “beheersmatig” versus “therapeutisch” en “kortdurend” versus “structureel/langer durend”. Daarbij is aangegeven dat de instelling in beginsel, afhankelijk van de omstandigheden per geval, een termijn van drie weken hanteert als maximale duur van de maatregel op grond van artikel 40 lid 3 Wet Bopz en dat na ommekomst van die drie weken een second opinion wordt gevraagd voor voortduring van het verblijf in de comfortzone. De instelling benadrukt in dit verband dat het in het onderhavige geval een beheersmatige beslissing betrof, waarbij werd verwacht dat het verblijf in de comfortzone van korte duur zou zijn. De reden voor de beslissing was gelegen in voorkoming van verstoring van de orde, nu verzoeker door zijn gedrag het afdelingsklimaat ontwrichtte. Verzoeker verbleef dagelijks meerdere momenten wisselend op de afdeling en in de comfortzone. Telkens werd per dag bekeken welke momenten verzoeker in de comfortzone moest verblijven en welke momenten hij op de afdeling kon doorbrengen. Zodra de behandelaar in deze zaak de inschatting maakte dat toepassing van de comfortzone structureel van aard werd, is de procedure voor dwangbehandeling volgens artikel 38c van de Wet Bopz ingezet, waarbij, conform eigen beleid, tevens een second opinion is aangevraagd. Volgens de instelling heeft zij zorgvuldig gehandeld en is voldaan aan de eisen van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit.

3.11

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter zitting is uiteengezet dat de comfortzone bestaat uit een prikkelarme verblijfsruimte, waarbij de patiënt volledig afgezonderd is van de andere patiënten en onder meer over een eigen slaapkamer beschikt. Daarin is sprake van één-op-één begeleiding door een verpleegkundige. Daarnaast is gebleken dat verzoeker elke dag, naast momenten in de comfortzone, momenten op de afdeling doorbracht. De rechtbank stelt met verzoeker en de instelling vast dat een dergelijke verblijfsvariant niet als zodanig in de wet is opgenomen.

Gelet op de feitelijke situatie van een dergelijke comfortzone, te weten volledige afzondering van medepatiënten, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een vorm van afzondering vergelijkbaar met de afzondering als genoemd in artikel 39 van de Wet Bopz, jo. artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit middelen en maatregelen Bopz. Dat deze afzondering niet de gehele dag voortduurt maar onderbroken wordt met momenten op de afdeling, laat zulks onverlet. Een dergelijke afzondering valt naar het oordeel van de rechtbank buiten het bereik van een beperking van de bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis op grond van artikel 40 lid 3 van de Wet Bopz. Een beperking van de bewegingsvrijheid op grond van dit artikel ziet naar het oordeel van de rechtbank veeleer op een beperking van het recht om zich onbegeleid en vrijelijk in of rond het ziekenhuis te verplaatsen. Plaatsing in een comfort zone zoals in dit geval heeft plaatsgevonden, had naar het oordeel van de rechtbank ofwel op grond van artikel 39 Wet Bopz dienen plaats te vinden, waarbij deze plaatsing dan niet langer dan zeven dagen had kunnen duren, ofwel op grond van artikel 38c van de Wet Bopz. Deze artikelen bieden grotere rechtsbescherming aan verzoeker.

Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de instelling die meende zorgvuldig te handelen door te letten op de duur van de maatregel en daarbij volgens eigen zeggen aan de eisen van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit heeft voldaan, doet dit niet af aan het gegeven dat het besluit is gestoeld op een onjuiste wettelijke grondslag, in verband waarmee niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de bevoegdheid ex artikel 38c van de Wet Bopz, zoals kennisgeving aan de bevoegde inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid. Hetzelfde geldt voor het feit dat (thans) verzoeker en de instelling het eens zijn dat plaatsing in de comfortzone op dat moment een goede beslissing was voor verzoeker gelet op zijn gezondheidstoestand.

3.12

Dit betekent dat de klacht van verzoeker tegen het besluit van 4 september 2015 gegrond is. Dit besluit zal worden vernietigd.

3.13

De door verzoeker verzochte schadevergoeding van € 100,= komt de rechtbank niet onredelijk voor en zal derhalve worden toegewezen.

3.14

Het verzoek tot betaling van een dwangsom zal worden afgewezen, omdat ter zitting is gebleken dat verzoeker niet meer in de comfortzone verblijft.

4 De beslissing

De rechtbank

verklaart de klacht van verzoeker voor zover gericht tegen het besluit van 13 september 2015 ongegrond;

verklaart de klacht van verzoeker voor zover gericht tegen het besluit van 4 september 2015 gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 4 september 2015;

kent verzoeker een schadevergoeding toe van € 100,= (honderd euro) ten laste van de rechtspersoon die het betrokken psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Speekenbrink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier.

Tegen deze gehele beschikking is beroep in cassatie mogelijk:

  1. door de verzoekster en bij de mondelinge behandeling van het verzoek verschenen belanghebbenden aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere -niet bij de mondelinge behandeling van het verzoek verschenen- belanghebbenden: binnen drie maanden nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door een advocaat bij de Hoge Raad worden ingediend ter griffie van de Hoge Raad.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.