Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7338

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3435
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5.19 Wet IB 2001. Waardering niet op de markt verhandelbare teakhoutparticipaties. De inspecteur heeft bij de aanslagen de waardes van de participaties gecorrigeerd naar waardes die bij een vaststellingsovereenkomst met de vereniging van Vereniging Teak Participanten zijn overeengekomen (aan welke overeenkomst belanghebbende niet gebonden is). De waardes zijn daarbij bepaald op basis van de discounted cash flow methode, waarbij uitgegaan wordt van de in een rapport van Pöyry (een bosbouwkundig bureau) vermelde verwachte toekomstige kapopbrengsten. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de waardes niet te hoog zijn vastgesteld. Niet aannemelijk is gemaakt dat de door de inspecteur bepleite rekenrente van 8% niet te laag is, in aanmerking genomen dat de inspecteur die rekenrente onvoldoende heeft onderbouwd en dat Pöyry de nodige kanttekeningen heeft geplaatst bij de verwachte toekomstige kasstromen. Aangezien de rechtbank de executiewaardemethode van belanghebbende onjuist acht, heeft de rechtbank de waardes in goede justitie vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 5.19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2977
V-N Vandaag 2015/2627
V-N 2016/6.17.18
Dr. J.H.M. Nieuwenhuizen annotatie in NTFR 2016/657
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers AWB 14/3435 en AWB 14/3436

uitspraak van 20 november 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 december 2013 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.460 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.639 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.96). Gelijktijdig is een beschikking heffingsrente vastgesteld van € 269.

De inspecteur heeft met dagtekening 19 december 2013 aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.752 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.386 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.06). Gelijktijdig is een beschikking heffingsrente vastgesteld van € 227.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 april 2014 de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen op 1 juni 2014 beroep ingesteld. Ter zake van de beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft bij brief van 4 augustus 2014 een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brieven van 8 maart 2015 en 21 juni 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2015 door een enkelvoudige kamer te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar echtgenoot, tevens haar gemachtigde, [gemachtigde] en namens de inspecteur, [verweerder] . De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift bij brief van 7 augustus 2015 aan partijen is verstuurd.

1.7.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 6 augustus 2015 medegedeeld dat de zaken zijn verwezen naar een meervoudige kamer.

1.8.

De rechtbank heeft bij brief van 28 augustus 2015 vragen gesteld aan de inspecteur. Bij brief van 17 september 2015 heeft de inspecteur op de vragen van de rechtbank gereageerd. Op deze brief heeft belanghebbende bij brief van 25 september 2015 gereageerd.

1.9.

Belanghebbende heeft bij brief van 22 september 2015 aanvullende stukken ingediend. De inspecteur heeft bij brief van 30 september 2015 hierop gereageerd.

1.10.

Alle ingediende stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.11.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2015 door een meervoudige kamer te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar echtgenoot, tevens haar gemachtigde, [gemachtigde] en namens de inspecteur, [verweerder] . De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie gelijktijdig met deze uitspraak wordt verzonden.

1.12.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1

Belanghebbende heeft in 2004 en 2005 de volgende participaties in teakbomen aangekocht bij [A BV] ( [A BV] ):

plantage:

plantjaar:

hectare:

Bambu

1999

0,6

Duas Lagoas

2000

0,6

Duas Lagoas

2001

0,6

Cacimba

2002

0,6

Santa Fe

2003

13,6

Barraquinho

2004

2,4

Voor deze participaties heeft belanghebbende € 423.000 betaald. Het betreft een financieel product waarbij belanghebbende recht heeft op de opbrengst uit de eindkap verminderd met de kosten. De plantages worden tussen de 20 en 25 jaar na het plantjaar gekapt; het kapjaar verschilt per plantage. Belanghebbende heeft geen recht op de opbrengsten uit de tussenkap. Deze tussenkap vindt plaats in het kader van het onderhoud en het stimuleren van de groei van de bomen. Bij de aankoop van de participaties zat een terugkoopgarantie waarbij de participaties gedurende een bepaalde periode (bij één van de investeringen bijvoorbeeld tussen de 7 en 13 jaar na het plantjaar) konden worden terugverkocht aan [A BV] voor een zodanig bedrag dat sprake was van een rendement van ongeveer 7,5% per jaar. Van de door de investeerders in teakplantages geïnvesteerde bedrag heeft [A BV] ongeveer 20% daadwerkelijk geïnvesteerd in teakhout. De plantages worden onderhouden door [B SA] (hierna: [B SA] ).

2.2.

De in 2.1 bedoelde terugkoopgarantie bestaat – door het faillissement van de garantieverstrekker [A BV] – niet meer. Er was aanvankelijk een markt waarop de [A BV] -participaties gekocht en verkocht konden worden, maar in de onderhavige jaren (2009 en 2010) is er geen markt voor de participaties.

2.3.1.

De inspecteur heeft met de Vereniging van Teakhoutparticipanten een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten met betrekking tot de waardering van [A BV] -participaties voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (hierna ook: box 3) van de leden van die vereniging. Voor de belastingjaren 2009 tot en met 2012 is afgesproken dat als uitgangspunt voor de waardering geldt een rapport uit 2012 van Pöyry, een internationaal erkend bosbouwkundig ingenieursbureau (hierna: het Pöyry-rapport 2012) waarin de plantages zijn gewaardeerd per 31 december 2011.

Het Pöyry-rapport kent drie groeiscenario’s: laag, gemiddeld en hoog. Bij de VSO wordt uitgegaan van het lage groeiscenario. Voor de berekening van de waardes op basis van de VSO worden de verwachte opbrengsten van de plantages verminderd met 15% bronheffing (“welke bronheffing niet wordt geheven van de participanten”, vermeldt de VSO) en contant gemaakt met een disconteringsvoet (ook wel rekenrente genoemd) van 12,5% vanaf het moment van de kapdatum tot aan de peildata.

2.3.2.

Belanghebbende is geen lid van de Vereniging van Teakhoutparticipanten.

2.4.

Het Pöyry-rapport 2012 gaat uit van de gegevens die [B SA] heeft aangeleverd. Daarbij wordt uitgegaan van de daadwerkelijk aangeplante teakbomen. Het rapport kent wat betreft de opbrenstprognose twee delen: (i) een prognose van de teakhoutproductie en (ii) een economisch model betreffende bijvoorbeeld (ontwikkelingen van de) teakhoutprijzen, logistieke kosten en commerciële kosten. De drie onderscheiden groeiscenario’s zien op onderdeel (ii) en betreffen prijs(trend)scenario’s.

Het Pöyry-rapport 2012 gaat voor ‘Price scenario (low)’ uit van de volgende, in de tweede kolom vermelde, verwachte eindkasstromen in dollars bij de kap van de plantages:

plantage:

totale opbrengst (in 1000 $)

aantal hectare:

opbrengst per hectare in $:

Bambu (1999)

5.930

549,07

10.800,08

Duas Lagoas (2000)

138.746

1.527,51

90.831,48

Duas Lagoas (2001)

107.051

2.136,42

50.107,66

Cacimba (2002)

95.936

571,08

167.990,47

Santa Fe (2003)

378.835

2.562,71

147.825,93

Barraquinho (2004)

236.859

1.021

231.987,27


Het Pöyry-rapport 2012 gaat voor ‘Price scenario (medium)’ uit van de volgende, in de tweede kolom vermelde, verwachte eindkasstromen in dollars bij de kap van de plantages:

plantage:

totale opbrengst (in 1000 $)

aantal hectare:

opbrengst per hectare in $:

Bambu (1999)

6.657

549,07

12.124,14

Duas Lagoas (2000)

160.364

1.527,51

104.983,93

Duas Lagoas (2001)

124.046

2.136,42

58.062,55

Cacimba (2002)

111.421

571,08

195.105,76

Santa Fe (2003)

455.911

2.562,71

177.901,91

Barraquinho (2004)

289.842

1.021

283.880,51

Het Pöyry-rapport 2012 plaatst bij de verwachte kasstromen verschillende kanttekeningen. In de ‘executive summary’ zijn deze als volgt verwoord (voor zover van belang):

“Forest Conditions and Growth Projections

(…) PSC is of the following opinion regarding the forest conditions and forest growth model:

(…)

  • -

    [B SA] ’s model takes into account individual growth rates. However, the production prognoses are made at stand level by using as input the average stand Diameter at Breast Height (DBH) and individual volume of the last inventory. This could generate distortions.

  • -

    Although [B SA] has been performing constant analysis and updates in their growth model, there are still a lack of data regarding Teak growth patterns, due to new genetic material provenance, improvement in management regimes, and forestry tending.

(...)

[B SA] informed that the model considers a deduction of 8% of the wood production (…). During the field visit, PSC encountered evidence that would suggest higher figures in terms of commercial losses in relation to assortment downgrading (…). Hence, a specific study regarding this issue should be undertaken.

Economic Assumptions and Financial Model

Regarding economic assumptions and the financial model validation, PSC is of the following opinion:

(…)

  • -

    As [B SA] has not yet started to commercialize thicker logs, as the market for such logs lacks transparency, and as prices for native teak represent a very imperfect proxy for prices of planted teak, PSC is not in a position to ascertain [B SA] ’s price assumptions. Given the key contribution of wood with a diameter of more than 30 cm in the NPV of the project, PSC would thus recommend that a specific market analysis be carried out.

  • -

    The long term price increase in real terms of 2 to 4% annually premise is judged reasonable by PSC in view of growing demand and stagnant supply. Nonetheless, expectations of price increases by 9 to 15% per year in each of 2012 and 2013 may be over-optimistic.

  • -

    [B SA] has assumed a reduction of the total exportation cost in real terms of 3% per year during the period from 2012 tot 2021 based on economies of scale and improved transport infrastructure. PSC believes that such a reduction could be threatened by an increase in worldwide shipping costs as such cost are currently at an historical low.”

2.5.

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2009 in box 3 een waarde aangegeven van de participaties op de peildata 1 januari 2009 en 31 december 2009 van € 45.000 en daarbij aftrek geclaimd ter voorkoming van dubbele belasting.

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2010 in box 3 een waarde aangegeven van de participaties op peildatum 1 januari 2010 van € 45.000 en op peildatum 31 december 2010 van € 8.310 en daarbij aftrek geclaimd ter voorkoming van dubbele belasting.

2.6.

De inspecteur heeft bij de aanslagen de waardes van de participaties gecorrigeerd. De inspecteur heeft bij de vaststelling van de waarde de VSO als uitgangspunt genomen en de waardes op basis hiervan berekend. De inspecteur heeft de waardes vastgesteld op € 192.012 (correctie van € 147.012) voor peildatum 1 januari 2009, € 232.893 (correctie van € 187.893) voor peildatum 31 december 2009/1 januari 2010 en € 270.576 (correctie van € 262.266) voor peildatum 31 december 2010, zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in 2009 is vastgesteld op € 7.639 (correctie van € 6.698). Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in 2010 is vastgesteld op € 9.386 (correctie van € 9.003).

2.7.

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen ongegrond verklaard.

2.8.

Ter zitting van 31 juli 2015 heeft de inspecteur in de pleitnota een nieuwe berekening van de waardes gemaakt, omdat bij de aanslagen was uitgegaan van bedragen per de verkeerde waardepeildata. De inspecteur stelt in de pleitnota: “De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslagen over de belastingjaren 2009 en 2010 de waarde van de beleggingen vastgesteld zoals is opgenomen in onderdeel 3, pagina 4 van mijn verweerschrift. Gebleken is dat deze waarden onjuist zijn. (…) De gemiddelde rendementsgrondslag in box 3 moet in 2009 worden verminderd met € 28.108 en in 2010 met € 39.272. Ik concludeer dat de bestreden uitspraken moeten worden vernietigd en dat het belastbare inkomen in box 3 over 2009 verminderd moet worden met € 1.125 en het belastbaar inkomen in box 3 over 2010 verminderd moet worden met € 1.570.”

Tijdens de zitting is vastgesteld dat de waardes in de pleitnota de waardes met recht op de opbrengsten uit tussenkap betreffen, terwijl belanghebbende geen recht heeft op opbrengsten uit tussenkap. De inspecteur heeft vervolgens verklaard: “Dan is in de pleitnota de verkeerde tabel gebruikt. Het zou tabel 2 (van bijlage 12 van het verweerschrift) moeten zijn.”

Bij brief van 17 september 2015 heeft de inspecteur een nieuwe berekening gemaakt. De brief vermeldt onder meer:

“De waarde per hectare zonder recht op de tussenkapopbrengsten (…) dient als volgt te worden bepaald.”

2.9.

Belanghebbende heeft bij brief van 22 september 2015 een door Pöyry in 2015 opgesteld rapport (hierna: het Pöyry-rapport 2015) in het geding gebracht. Dit rapport ziet op het ‘economic model’. Het rapport vermeldt in het begin: “The wood production flow was provided by the client, and was not analysed here. It is the object of another report prepared for [B SA] .”

Het Pöyry-rapport 2015, waarin de plantages zijn gewaardeerd per 31 december 2014,gaat voor de “Low price growth scenario” uit van de volgende, in de tweede kolom vermelde, verwachte eindkasstromen in dollars bij de kap van de plantages:

plantage:

totale opbrengst (in 1000 $)

aantal hectare:

opbrengst per hectare in $:

Bambu (1999)

4.946

549

9.009,11

Duas Lagoas (2000)

97.480

1.528

63.795,81

Duas Lagoas (2001)

69.961

2.136

32.753,28

Cacimba (2002)

71.447

571

125.126,09

Santa Fe (2003)

226.292

2.563

88.291,85

Barraquinho (2004)

70.200

1.021

68.756,12

Het Pöyry-rapport 2015 gaat voor de ‘Medium price growth scenario’ uit van de volgende verwachte, in de tweede kolom vermelde, eindkasstromen in dollars bij de kap van de plantages:

plantage:

totale opbrengst (in 1000 $)

aantal hectare:

opbrengst per hectare in $:

Bambu (1999)

5.583

549

10.169,40

Duas Lagoas (2000)

110.259

1.528

72.159,03

Duas Lagoas (2001)

79.711

2.136

37.317,88

Cacimba (2002)

81.796

571

143.250,44

Santa Fe (2003)

263.596

2.563

102.846,66

Barraquinho (2004)

82.152

1.021

80.462,29

Het Pöyry-rapport 2015 plaatst bij de verwachte kasstromen verschillende kanttekeningen:

“Economic Assumptions and financial model

Pöyry considers that the main point of attention regarding the macroeconomic assumptions is related to the wood prices:

  • -

    For each assortment, the wood sales prices serving as basis for projections of future prices are within the range practiced by [B SA] in 2014, although it is above the average weighted by volume sold for assortments with a diameter above 25 cm.

  • -

    (…)

  • -

    For higher diameter logs which are all exported, the model projected a real appreciation of prices. This is based on [B SA] ’s expectations that it can expand its sales in China and Vietnam, where it twill be able to achieve higher prices for its certified wood than in India, which is its main export market currently. However, no evidence was presented to support such expectations.

Given the high sensitivity of the Net Asset Value to wood prices and the uncertainty about the wood prices used in the model, Pöyry recommends to carry out a detailed market survey (…).

Pöyry believes the [B SA] ’s expectations of a reduction in logistical costs (…) may be optimistic (…). The sensitiy of the Net Asset Value to [this parameter], however, is limited.”

2.10.

Bij brief van 30 september 2015 heeft de inspecteur de eerdere gedane toezeggingen om de waardes te berekenen op basis van de VSO ingetrokken en heeft hij gemeld ter zitting met een nieuwe berekening te komen..

2.11.

Ter zitting van 9 oktober 2015 heeft de inspecteur een berekening overgelegd waarbij primair de waardes worden vastgesteld aan de hand van het Pöyry-rapport 2012, uitgaande van het gemiddelde scenario, geen aftrek van 15% bronbelasting en een disconteringsvoet van 8%. Subsidiair heeft de inspecteur aangevoerd dat de waardes dienen te worden vastgesteld aan de hand van het Pöyry-rapport 2015 met overigens dezelfde uitgangspunten als bij de primaire onderbouwing.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de waardes van de participaties te hoog zijn vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende stelt dat artikel 5.19, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) van toepassing is. Voorts stelt belanghebbende dat de waarde bepaald dient te worden op grond van de executiewaardemethode, te weten de waarde die de plantages zouden opleveren indien zij op de peildata zouden worden gekapt. Tevens heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur, door terug te komen op een eerdere toezegging om de waardes op basis van de VSO te berekenen met toepassing van de juiste tabellen, het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Niet is in geschil dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

3.3.

De inspecteur stelt dat de waarde bepaald dient te worden op grond van de Discounted Cash Flow methode (DCF-methode) waarbij de verwachte opbrengsten uit de plantages op basis van een disconteringsvoet contant worden gemaakt. De inspecteur verwijst naar de in 2.11 vermelde berekening. Daarbij stelt hij dat een disconteringsvoet van 8% afdoende is. Bij deze disconteringsvoet wordt een risico-opslag van ongeveer 5% gehanteerd die volgens de inspecteur de risico’s voldoende afdekt.

3.4.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen tot aanslagen waarbij de waarde van de participaties in aanmerking worden genomen voor € 45.000. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen, nu de door de inspecteur overgelegde berekeningen ter zitting van 9 oktober 2015 (2.11) uitkomen op waardes die hoger zijn dan de waardes die in aanmerking zijn genomen in de opgelegde aanslagen.

4 Beoordeling van het geschil

Methode van waardering

4.1.1.

Op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden de bezittingen en schulden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer.
Op grond van het derde lid wordt, indien de waarde van een bezitting of schuld op de peildatum niet kan worden bepaald, die waarde bepaald op het naastbij gelegen tijdstip waarop dat wel mogelijk is.

4.1.2

De rechtbank is van oordeel dat de waarde in het economische verkeer van de participaties op de waardepeildata kan worden bepaald. Dat deze waardebepaling in een geval als het onderhavige complex is, doet daaraan niet af. Reeds om deze reden wordt niet toegekomen aan toepassing van artikel 5.19, derde lid, van de Wet IB 2001. Daarbij merkt de rechtbank op dat de wetgever met de waarderingsregel van het derde lid in het bijzonder het oog heeft gehad op de situatie dat beursgenoteerde effecten moeten worden gewaardeerd en de peildatum bijvoorbeeld in het weekend is gelegen. In dergelijke situaties wordt dan op grond van het derde lid uitgeweken naar de beurskoers op het zo dicht mogelijk bij de peildatum gelegen tijdstip (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 525).

4.2.1.

De rechtbank acht de door belanghebbende aangevoerde executiewaardemethode voor de bepaling van de participaties onjuist. Bij toepassing van de executiewaardemethode op de peildata wordt onvoldoende rekening gehouden met het toekomstige groeipotentieel van de bomen. Deze verwachtingswaarde is naar het oordeel van de rechtbank van invloed op de waarde van de participaties .

4.2.2.

De rechtbank is van oordeel dat de DCF-methode in beginsel wel geschikt is om de waarde van de participaties in het economisch verkeer op de waardepeildata te bepalen. De DCF-methode houdt rekening met toekomstige opbrengsten uit de participaties en maakt die opbrengsten contant door middel van een disconteringsvoet. De rechtbank merkt daarbij wel op dat bij de toepassing van deze methode de risico’s voldoende tot uitdrukking moeten komen zowel in de verwachte opbrengsten alsook in de te hanteren disconteringsvoet.

Waarde participaties

4.3.

Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat de waardes van de participaties niet tot een te hoog bedrag in aanmerking zijn genomen.

4.4.

De inspecteur heeft (eerst) in zijn brief van 30 september 2015 zijn eerdere standpunten dat de VSO kan worden gevolgd, verlaten en vervolgens in zijn pleitnota een nieuw standpunt ingenomen en een nieuwe onderbouwing gegeven. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en zich beroepen op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de nieuwe onderbouwing en het nieuwe standpunt.

4.4.1.

Het staat een partij in beginsel vrij om een nieuwe onderbouwing te geven voor een standpunt, tenzij dat in strijd komt met de goede procesorde. In aanmerking genomen dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hij zich voldoende kan verdedigen tegen de nieuwe onderbouwing en hij het niet nodig vindt om nog de gelegenheid te krijgen voor een schriftelijke reactie, acht de rechtbank het zo laat inbrengen van nieuwe berekeningen niet in strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal daarom voor de beoordeling of de inspecteur in de bewijslast is geslaagd afgaan op de nieuwe onderbouwing.

4.4.2.

Het innemen van een nieuwe standpunt kan in een situatie met een procesverloop zoals hier het geval is (zie 2.8), mogelijk in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel. In dit geval is het echter niet nodig om daarover een oordeel te geven (zie 4.10 hierna).

4.5.

De rechtbank stelt het volgende voorop.

4.5.1.

Volgens het voor de vermogensbelasting gewezen arrest van de Hoge Raad van 20 maart 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY1594, BNB 1957/152, heeft de waardering weliswaar uitsluitend te geschieden naar de op het waarderingstijdstip bestaande toestand, doch is geenszins uitgesloten dat ook feiten die eerst na die datum plaatsvinden, op de toestand, zoals deze destijds bestond, licht kunnen werpen. Vergelijkbare jurisprudentie is gewezen ter zake van waarderingskwesties in de inkomstenbelasting (vergelijk HR 7 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2069, BNB 1997/268) en in het recht van successie (vergelijk HR 16 januari 1974, ECLI:NL:HR:1974:AX4567, BNB 1975/26). Bij waardering van aan de beurs verhandelbare vermogensbestanddelen ligt een en ander anders omdat daar sprake is van een actuele markt (vgl. HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2980, BNB 2014/255).

4.5.2.

In aanmerking genomen dat er in de onderhavige jaren geen actuele markt was voor de participaties waarop de participaties ten gelde hadden kunnen worden gemaakt, overweegt de rechtbank dat dus ook latere omstandigheden licht kunnen werpen op de waardering van de participaties op de waardepeildata. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de rapporten van Pöyry van de jaren 2012 en 2015 uitgaan van (inschattingen op basis van) de situatie op het moment van de desbetreffende onderzoeken – dus ná de waardepeildata – niet meebrengt dat deze rapporten niet bruikbaar zijn.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met zijn primaire onderbouwing niet erin is geslaagd de waardes aannemelijk te maken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.6.1.

De waarde van de participaties is bij de door de inspecteur gehanteerde DCF-methode bepaald aan de hand van verschillende parameters, waarvan de belangrijkste de verwachte toekomstige kasstromen en de disconteringsvoet zijn.

De verwachte toekomstige kasstromen die de inspecteur hanteert, zijn gebaseerd op het Pöyry-rapport 2012. Uit de in 2.4 vermelde kanttekeningen van Pöyry blijkt echter dat er noemenswaardige onzekerheden en risico’s zijn met betrekking tot die verwachte kasstromen. De rechtbank leidt uit het rapport af dat Pöyry wel met de aangeleverde cijfers heeft doorgerekend en in die zin met de eigen kanttekeningen niets heeft gedaan. Anders gezegd: voor de onzekerheden en risico’s heeft Pöyry geen correctie toegepast op de gehanteerde verwachte kasstromen.

De inspecteur heeft betoogd dat aangezien Pöyry ondanks de kanttekeningen de kasstromen heeft gehandhaafd, aangenomen kan worden dat Pöyry kennelijk de kasstromen adequaat vindt omdat Pöyry anders de kasstromen wel had aangepast. De rechtbank volgt de inspecteur niet in dit betoog. Voor de bedoelde aanname is geen steun te vinden in het rapport. Ook de aard van de kanttekeningen van Pöyry biedt daarvoor geen steun, integendeel. De rechtbank wijst daarbij in het bijzonder op de opmerking van Pöyry over de prijsaannames van [B SA] met betrekking tot de toekomstige te verwachten prijzen (expectations of price increases by 9 to 15% per year in each of 2012 and 2013 may be over-optimistic) en ‘thicker logs’ (“PSC is not in a position to ascertain [B SA] ’s price assumptions. Given the key contribution of wood with a diameter of more than 30 cm in the NPV of the project, PSC would thus recommend that a specific market analysis be carried out”).

Het voorgaande brengt mee dat, aangezien de inspecteur van de kasstromen van het Pöyry-rapport 2012 is uitgegaan, het van wezenlijk belang is dat bij de disconteringsvoet op een adequate wijze rekening wordt gehouden met bedoelde onzekerheden en risico’s.

4.6.2.

Dat de bedoelde risico’s en onzekerheden substantieel zijn, vindt (bovendien) steun in de vergelijking tussen het Pöyry-rapport 2015 en het Pöyry-rapport 2012. Uit die vergelijking volgt immers dat de verwachte toekomstige kasstromen substantieel neerwaarts zijn bijgesteld, terwijl ook in dat rapport is gerekend met - volgens Pöyry, zie 2.9 - ongefundeerde prijsverwachtingen.

4.6.3.

De inspecteur is uitgegaan van een disconteringsvoet van 8%. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit percentage niet te laag is. De enkele stelling dat een risicopercentage van ongeveer 5% boven de gangbare marktrente afdoende is, is daartoe niet genoeg. Ten eerste heeft de inspecteur niet onderbouwd met welke risico’s rekening is gehouden en in welke mate. Hierdoor is onvoldoende controleerbaar en toetsbaar of met alle relevante risico’s rekening is gehouden. Dat klemt te meer nu de inspecteur blijkbaar uitgaat van de juistheid van de prognoses waarmee Pöyry heeft gerekend (zie zijn in 4.6.1 aangehaalde aanname). Ten tweede ontbreekt een onderbouwing – bijvoorbeeld door vergelijking met vereiste rendementscijfers van andere investeringen met een vergelijkbaar risicoprofiel – dat de gehanteerde risicovoet, gegeven de risico’s, voldoende is.

4.7.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de inspecteur evenmin met zijn subsidiaire onderbouwing (gebaseerd op het Pöyry-rapport 2015) erin is geslaagd de waardes aannemelijk te maken. De overwegingen 4.6.1 tot en met 4.6.3 zijn van overeenkomstige toepassing. Daarbij verdient het volgende opmerking in verband met de omstandigheid dat het Pöyry-rapport 2015 substantieel lagere verwachte toekomstige kasstromen vermeldt. Die omstandigheid brengt weliswaar mee dat het neerwaartse risico in absolute termen is verminderd, maar zij doet niet eraan af dat ook hier een adequate onderbouwing van het disconteringpercentage van 8% ontbreekt.

4.8.

Voor het overige heeft de inspecteur – na het terugtrekken van de onderbouwing op basis van de VSO-berekening – geen onderbouwing gegeven. Dit betekent dat de inspecteur de door hem verdedigde waardes niet aannemelijk heeft gemaakt. Aangezien belanghebbende de door haar voorgestane waardes evenmin aannemelijk heeft gemaakt (zie 4.2.1), zal de rechtbank de waardes in goede justitie vaststellen.

4.9.1.

De rechtbank gaat voor de waardebepaling in goede justitie uit van de DCF-methode en gebruikt daarbij de gegevens van het Pöyry rapport 2015. De rechtbank realiseert zich dat dit rapport is gebaseerd op (de verwachtingen op basis van) de situatie ruim ná de waardepeildata. Geen van partijen kon desgevraagd ter zitting melden wat de oorzaak ervan was dat de verwachte kasstromen in het Pöyry rapport 2015 substantieel lager zijn dan de verwachte kasstromen in het Pöyry rapport 2012. Beide rapporten gaan uit van inschattingen van [B SA] , dus het lijkt er op dat sprake is van een wijziging van inzicht bij [B SA] . Voor zover de lagere verwachtingen in het rapport 2015 is veroorzaakt door een betere inschatting van bijvoorbeeld de groei of een ander feit waarvan op de waardepeildata al sprake was maar dat eerder nog niet bekend was, acht de rechtbank het in het licht van hetgeen in 4.5 overwogen niet bezwaarlijk om daarmee bij de waardebepaling in goede justitie voor 2009 en 2010 rekening te houden. Voor zover de oorzaak gelegen zou zijn in een autonome, na de waardepeildata opgetreden, gebeurtenis (bijvoorbeeld een bosbrand) zou daarmee geen rekening mogen worden gehouden. Dat de substantieel lagere inschatting (mede) terug te voeren is op een dergelijke gebeurtenis, is evenwel niet gesteld.

4.9.2.

Verder is de rechtbank – mede gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd – uitgegaan van een gemiddeld prijsgroeiscenario, geen recht op de opbrengsten van tussenkap, geen aftrek van bronbelasting en een disconteringsvoet van 12,5%. Dat percentage acht de rechtbank juist gezien de grote risico’s die er zijn gezien de aard van de investering (in een “levend” product) en de onzekerheden die in het Pöyry rapport zijn weergegeven. De periode van discontering – die afgaande op de disconteringsfactoren die zijn vermeld in de bijlage bij pleitnota van de inspecteur, voor elke plantage anders is, kennelijk omdat de eindkapdata verschillen – heeft de rechtbank afgeleid uit de voornoemde disconteringsfactoren.

4.9.3.

Op basis van het voorgaande heeft de rechtbank de gemiddelde waardes van de participaties in goede justitie vastgesteld op € 108.217 in 2009 en € 124.717 in 2010. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt op grond hiervan € 3.470 in 2009 en € 4.305 in 2010.

4.10.

Aangezien de waardes in goede justitie lager zijn dan de bedragen die de inspecteur in zijn brief van 17 september 2015 heeft berekend op basis van de VSO komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het vertrouwensbeginsel door de inspecteur is geschonden door terug te komen op het eerder in deze procedure ingenomen standpunt dat van de VSO-waardes kan worden uitgegaan.

4.11.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel heeft de rechtbank aan de inspecteur opgedragen om het door belanghebbende betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2009 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.470 met handhaving van de overige elementen;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.305 met handhaving van de overige elementen;

  • -

    vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 november 2015 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.drs. M.H. van Schaik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.