Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7305

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
06-01-2016
Zaaknummer
AWB 15_1676
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nvt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/1676 KINDER

uitspraak van 5 november 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiseres,

gemachtigde: mr. G. Kaya,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 februari 2015 (bestreden besluit) van de Belastingdienst/Toeslagen inzake haar recht op kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 31 augustus 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Belastingdienst/Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder] en [vertegenwoordiger verweerder ].

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 10 maart 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van eiseres voor het jaar 2011 vastgesteld op € 12.456,-.

Nadat bij eiseres ter controle gegevens zijn opgevraagd is het voorschot kinderopvang-toeslag van eiseres voor het jaar 2011 bij besluit van 5 maart 2014 (primair besluit) gewijzigd vastgesteld op € 0,-.

Op 12 maart 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 15 april 2014 heeft Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van eiseres voor het jaar 2011 definitief berekend op € 0,-.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe aan dat alle benodigde stukken zijn overgelegd voor de beoordeling van het recht op kinderopvang-toeslag 2011. Welke stukken bij de Belastingdienst/Toeslagen ontbreken is eiseres niet bekend. Zij stelt dat vanaf maart 2011 kinderopvang is genoten. Doordat de kinderopvang failliet is gegaan, kan er geen jaaropgave 2011 worden overgelegd. Daarnaast heeft zich de ongelukkige omstandigheid voorgedaan dat een verhuisdoos van eiseres is gestolen, waarin zich ook belangrijke documenten van de kinderopvang bevonden. De overige door de Belastingdienst/Toeslagen gevraagde gegevens kunnen dan ook niet worden overgelegd. Eiseres legt een aantal documenten over waaruit volgens haar voldoende blijkt dat er kosten van kinderopvang zijn gemaakt in 2011.

3. In artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp), zoals deze wet in 2011 luidde, is bepaald dat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is, met uitzondering van artikel 5.

Artikel 1.5, eerste lid, van de Wkkp, voor zover van toepassing, bepaalt dat een ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft (a) kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of (b) gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Artikel 1.7, eerste lid, van de Wkkp bepaalt dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk is van de draagkracht en de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3. de soort kinderopvang.

Artikel 1.52 van de Wkkp bepaalt dat kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Artikel 18, eerste lid, van de Awir bepaalt dat een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen verstrekken die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de Belastingdienst/Toeslagen terecht het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 heeft herzien naar € 0,-.

5.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:770), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor zulke opvang heeft gemaakt en wat de hoogte van die kosten is. Hieruit volgt dat het aan eiseres is, als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, om documenten over te leggen waaruit de hoogte van de gemaakte kosten van kinderopvang kan worden afgeleid.

5.2

Eiseres is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om documenten over te leggen op basis waarvan het recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 kan worden vastgesteld. Eiseres heeft een aantal facturen en bankafschriften overgelegd. De rechtbank stelt vast dat het totaalbedrag van de overgelegde facturen niet overeenkomt met de op de overgelegde bankschriften zichtbare overschrijvingen aan kinderopvang [naam kinderopvang]. Door bovendien niet alle op 2011 betrekking hebbende facturen en geen jaaropgave over dit jaar te overleggen heeft eiseres niet aangetoond wat het totaalbedrag aan kosten van kinderopvang in 2011 is geweest. Dit betekent dat evenmin kan worden vastgesteld of eiseres het totaalbedrag aan kosten daadwerkelijk heeft voldaan. Dat eiseres de overige gevraagde documenten niet kan overleggen door het faillissement van de kinderopvang, moet voor haar rekening en risico blijven. Het standpunt van eiseres dat zijzelf wel een deugdelijke administratie heeft bijgehouden en dat die administratie tijdens de verhuizing van eiseres op straat is gestolen, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Zo wordt in het proces-verbaal van aangifte immers niet gesproken over administratie die zich in de gestolen verhuisdoos, dan wel schoenendoos, zou bevinden. Daarom is er bij eiseres geen sprake van overmacht of bewijsnood. Het gevolg daarvan is dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres over het jaar 2011 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag. Dat er feitelijk kinderopvang zou hebben plaatsgevonden maakt dit niet anders.

6. Daarnaast merkt de rechtbank op dat een ouder ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wkkp slechts aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag als sprake is van kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Op grond van artikel 1.52 Wkkp geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder andere de uitspraken van 27 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR3219) en 13 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ3960), bestaat er geen recht op kinderopvang-toeslag indien er geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1.52 van de Wkkp. Nu niet in geschil is dat een dergelijke overeenkomst niet is overgelegd, heeft eiseres ook om deze reden geen recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011.

7. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.