Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7182

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
06-01-2016
Zaaknummer
AWB 15_4209
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:3605, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nvt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4209 PW

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 27 oktober 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiseres,

gemachtigde: mr. J.A.H. Matthijssen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) van het college inzake de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Tilburg op 27 oktober 2015. Eiseres is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder].

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Eiseres heeft aangevoerd dat het college haar aanvraag inhoudelijk heeft beoordeeld. Dit zou blijken uit een rapportage van het college. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres hierin niet worden gevolgd. Het gaat om de grondslag van het besluit en niet om de aan de besluitvorming ten grondslag liggende stukken, voor zover die daaraan al ten grondslag liggen. In het primaire besluit is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Er is derhalve sprake van een buitenbehandelingstelling en niet van een inhoudelijke afwijzing.

De rechtbank staat daarom voor de vraag of het college de aanvraag buiten behandeling heeft kunnen stellen.

2. Eiseres bestrijdt niet dat de door het college gevraagde bankafschriften nodig waren voor de vaststelling van het recht op bijstand. Eiseres heeft de bankafschriften niet binnen de door het college geboden hersteltermijn ingeleverd. Dit wordt ook niet door eiseres betwist. Dit betekent dat het college bevoegd was om de aanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen, gelet op het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid.

Eiseres heeft in bezwaar aangevoerd dat zij per ongeluk de ING-bankafschriften niet heeft ingeleverd, en dat zij geen bankafschriften had van de ABN-AMRO in de betreffende periode. De rechtbank overweegt dat het op de weg van eiseres had gelegen om de gevraagde stukken in te leveren, dan wel (gemotiveerd) naar het college te communiceren dat zij hiertoe niet in staat was. Eiseres heeft dit nagelaten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de aanvraag dan ook buiten behandeling kunnen stellen.

3. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier, op 27 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.