Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7148

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2600
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag Bpm. Belanghebbende is veelvuldig in een auto met Belgische kenteken als bestuurder gesignaleerd, zodat hij feitelijk de beschikking had over deze auto. Hij heeft geen BPM op aangifte voldaan. De naheffingsaanslag BPM is derhalve terecht opgelegd. Na inbeslagname van de auto is de auto naar de eigenaar van de auto in België overgebracht. Voor de teruggaaf van Bpm bij uitvoer (artikel 14a, lid 2 BPM) is het moment van uitvoer van de auto naar België relevant en niet de datum van inbeslagname.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2513
V-N 2016/5.24.2
FutD 2015-2873
Rolleman annotatie in NTFR 2015/3241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 15/2600

uitspraken van 4 november 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraken als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden beschikkingen

De uitspraak van de inspecteur van 12 maart 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM), en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente, aanslagnummer RHA [aanslagnummer] (hierna: de naheffingsaanslag) en de beschikking tot teruggaaf van BPM en de vergoeding van heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2015.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Kattendijke, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM van € 8.756 opgelegd voor de personenauto merk Volkswagen Tiguan, met Belgische kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Nadat de naheffingsaanslag was opgelegd, is de auto in beslag genomen. De auto is op 25 november 2014 uitgevoerd naar de eigenaresse in België. In de uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag is tevens een teruggaaf BPM wegens uitvoer van € 7.808 vastgesteld op grond van het bepaalde in artikel 14a Wet BPM. Ter zitting hebben partijen ingestemd met prorogatie waardoor ook de hoogte van de teruggaaf onderdeel is van het geschil.

2.2.

De auto is eigendom van de moeder van de partner van belanghebbende. De moeder woont in België. Op onderstaande data is belanghebbende als bestuurder van de auto waargenomen:

- 22 oktober 2013 omstreeks 10:57 uur op de Rijksweg N251 te Ede;

- 15 november 2013 omstreeks 16:40 uur op de Edeweg te Aardenburg;

- 20 november 2013 omstreeks 11.03 uur op de Vrijstraat te Sluis;

- 17 december 2013 omstreeks 15.55 uur op de Langestraat te Oostburg.

Voorts heeft de politie vanaf 9 september 2013 tot 28 december 2013 twintig maal geconstateerd dat de auto bij de woning van belanghebbende aan de [adres] te [woonplaats] stond geparkeerd. Voorts is tien maal in de periode maart- juni 2014 geconstateerd dat ofwel de auto bij de woning van belanghebbende stond geparkeerd, dan wel dat hij de bestuurder was van de auto.

2.3.

De naheffingsaanslag is opgelegd uitgaande van 22 oktober 2013 als eerste datum dat belanghebbende feitelijk de beschikkingsmacht had over de auto.

2.4.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Voorts is in geschil de hoogte van de teruggaaf BPM. Niet meer in geschil is dat het bedrag van de betaalde BPM verrekend kan worden met het bedrag van de teruggaaf.

2.5.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de auto, aangezien de auto van zijn schoonmoeder is, en dat de inspecteur niet de bevoegdheid had om voor de heffing van BPM gebruik te maken van de politiegegevens, nu de inspecteur immers niet om de gegevens had verzocht op grond van artikel 55 AWR. Tevens stelt belanghebbende dat de teruggaafbeschikking te laag is omdat uitgegaan had moeten worden van de datum 30 juli 2014 omdat de auto op die datum in beslag is genomen en belanghebbende er dus niet meer over kon beschikken.

(On)rechtmatig verkregen bewijs

2.6.

De Inspecteur is uitgegaan van gegevens die zijn verzameld door de politie. (Proces-verbaal nr. PLI900-2012020136-7 en 8). In Hoofdstuk V, Afdeling 2, Wet BPM is bepaald dat opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het wetboek van Strafvordering bevoegd zijn motorrijtuigen te doen stilstaan of te onderzoeken voor de uitvoering van deze wet. Deze bepalingen impliceren tevens de bevoegdheid om de uitkomst van deze politieacties aan de inspecteur mede te delen in het belang van de heffing. Er is geen reden te veronderstellen dat die bevoegdheid zich dan niet zou uitstrekken tot constateringen bij acties die minder ver gaan dan doen stilstaan of onderzoeken, zoals het enkel constateren van gebruik van de weg.

Het belastbare feit

2.7.

Ingevolge artikel 1, lid 6 Wet BPM is, ingeval een niet geregistreerde personenauto, feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon, de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeersweg 1994. Artikel 5, tweede lid, Wet BPM bepaalt dat de belasting wordt geheven van degene die de auto feitelijk ter beschikking heeft.

2.8.

Op grond van artikel 12b Wet BPM wordt ingeval van een constatering van het gebruik van de weg met een personenauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van het in artikel 1, vijfde, zesde, of achtste lid genoemde feit niet is betaald, de belasting nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het tijdstip van constatering.

2.9.

Belanghebbende is diverse malen aangetroffen als bestuurder van de auto op de weg in Nederland. Hij had toen dus de beschikking over de auto. Gezien de tijdsspanne van de aanwezigheid van de auto in Nederland (van oktober 2013 tot juni 2014) is er geen reden te veronderstellen dat de auto slechts voor korte tijd aan belanghebbende (en zijn partner) ter beschikking stond. Terecht is dan BPM geheven van belanghebbende, naar het tijdstip van constatering van het eerste gebruik op 22 oktober 2013. De berekening van de naheffingsaanslag als zodanig is niet in geschil. Het beroep dat betrekking heeft op de naheffingsaanslag is ongegrond.

De teruggaaf BPM

2.10.

Artikel 14a, tweede lid, Wet BPM luidt als volgt:

2. Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte geregistreerde personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s waarvoor de belasting is geheven ter zake van de aanvang van het gebruik in Nederland met dat motorrijtuig van de weg door een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, indien het motorrijtuig niet langer feitelijk ter beschikking staat van de in Nederland wonende natuurlijke persoon of het in Nederland gevestigde lichaam en het motorrijtuig weer buiten Nederland is gebracht. De teruggaaf wordt verleend aan degene van wie de belasting ingevolge artikel 5, tweede lid is geheven.”

2.11.

In de Nota van wijziging van “Wijziging van enkele belastingwetten en enige

andere wetten” (Belastingplan 2007) van 16 oktober 2006 (Kamerstukken, 30 804, nr. 9) is het volgende bepaald met betrekking tot de teruggaafregeling in de zin van artikel 14a Wet BPM:

De teruggaafregeling zal gelden voor motorvoertuigen met een registratiedatum of datum van aanvang van het gebruik van de weg in Nederland op of na 16 oktober 2006 en uitsluitend bij export naar een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is

bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

(hierna: EU-lidstaten en EER-staten).”

2.12.

Belanghebbende heeft gesteld dat de teruggaaf moet worden verleend per de datum van de inbeslagname van de auto, omdat de auto toen niet meer ter beschikking van belanghebbende stond. Die stelling berust op een onjuiste lezing van het tweede lid van artikel 14a wet BPM. De vereisten van het “niet langer feitelijk ter beschikking staanen het “buiten Nederland gebracht zijn” zijn cumulatieve vereisten, naar volgt zowel uit de tekst van het wetsartikel als uit de onder 2.11 geciteerde wetsgeschiedenis. Het enkele feit dat de auto niet meer aan belanghebbende ter beschikking stond, kan dus niet leiden tot een teruggaaf van BPM. De rechtbank is van oordeel dat voor de datum van de teruggaafbeschikking in de zin van artikel 14a, lid 2 Wet BPM terecht is aangesloten bij de datum dat de auto is uitgevoerd naar België. Dan is niet in geschil dat de teruggaaf juist is vastgesteld.

2.13.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraken zijn gedaan op 4 november 2015 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Heel, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraken kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraken waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.