Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7098

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
AWB 15_521 & AWB 15_573 & AWB 15_1078
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:381, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 15/521, BRE 15/573 en BRE 15/1078

uitspraak van 15 oktober 2015 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser1] , te [woonplaats] , eiser,

[naam eiser2] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr.drs. B.F.J. Bollen), en

[naam eiser3] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Derde partij: [naam persoon1] , te [woonplaats] (gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2014 (hierna: bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning voor de realisering van een moskee verleend.

Op 27 januari 2015 heeft [naam eiser1] beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer 15/521.

Op 29 januari 2015 heeft [naam eiser2] beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer 15/573.

Op 23 februari 2015 heeft [naam eiser3] beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer 15/1078.

Op 13 maart 2015 heeft [naam persoon1] een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Op 27 juli 2015 heeft het college in alle zaken verweerschriften ingediend.

Op 4 september 2015 heeft [naam persoon1] een nadere schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De beroepen zijn gezamenlijk behandeld in Breda, ter zitting van 17 september 2015. Daarbij waren aanwezig:

- [naam eiser1] ;

- [naam eiser2] en mr. E. Beele, een kantoorgenoot van mr.drs. B.F.J. Bollen;

- [naam eiser3] en mr. J.T.F. van Berkel;

- mr. P. van IJzendoorn namens het college;

- A. [naam persoon1] en mr. H.J.M. Besselink;

- [naam voorzitter] , de voorzitter van de vereniging “ [naam vereniging] ” (hierna: vereniging).

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.1.

[naam persoon1] is bestuurslid van de vereniging. De vereniging heeft de eigendom van het perceel dat plaatselijk bekend staat als [adres1] (hierna: perceel). De vereniging wil op het perceel een nieuwe moskee bouwen. Dit komt echter in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Theresia-Loven-Besterd” (hierna: bestemmingsplan).

1.2.

Op 24 juni 2008 is aan het college gevraagd om verlening vrijstelling van het bestemmingsplan en een bouwvergunning voor een moskee. Ter zitting hebben [naam persoon1] en de vereniging laten weten dat zij het bouwplan van 24 juni 2008 niet langer willen uitvoeren, mede gelet op de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 mei 2011 (ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ4886) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 5 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY5126). In die uitspraken is geoordeeld dat het bouwplan van 24 juni 2008 meer parkeerruimte op het perceel vergt dan waarin vergunninghouder had voorzien.

1.3.

Op 12 december 2013 heeft [naam persoon1] – met behulp van een aanvraag die strekt tot verkrijging van een omgevingsvergunning – aan het college een nieuw bouwplan voor een moskee voorgelegd. De thans door [naam persoon1] en de vereniging beoogde moskee heeft een oppervlakte van 1.180 m², een hoogte van 12 m1 en een inhoud van 14.540 m³. De moskee is voorzien van een minaret met een hoogte van 18 m1. De moskee kent twee gebedsruimtes (één voor mannen en één voor vrouwen), een ruimte voor het geven van religieus onderwijs en enige onbenoemde ruimtes. Volgens de aanvraag van 12 december 2013 (hierna: aanvraag) bieden de gebedsruimtes plaats aan in totaal 922 gelovigen. De vereniging wil op het perceel in totaal 92 parkeerplaatsen realiseren; 35 in een kelder onder het hoofdgebouw en 57 op maaiveldniveau. Dit plan wordt hierna kortweg aangeduid als: project.

De aanvraag werd vergezeld door bouwtekeningen en is nadien aangevuld met een ruimtelijke onderbouwing gedateerd 7 januari 2014 (hierna: ruimtelijke onderbouwing). De inhoud van de ruimtelijke onderbouwing is mede gebaseerd op een notitie van [naam verkeerskundige] (een bij de gemeente Tilburg werkzame verkeerskundige) gedateerd 15 oktober 2013 over de gevolgen van het gebruik van de moskee voor het verkeer in de omgeving van het perceel, en op een rapport van [naam adviseur] (een bij [naam bedrijf] werkzame boomtechnisch adviseur) gedateerd 19 december 2013 over de gevolgen van de bouw van de moskee voor het openbaar groen in het [naam park] , dat aan het perceel grenst.

1.4.

Het college heeft door middel van een publicatie in de Staatscourant laten weten dat het voornemens is de op 12 december 2013 gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, met de toevoeging dat de daartoe strekkende ontwerp-beschikking van 24 maart 2014 tot en met 5 mei 2014 ter inzage ligt. Tijdens die termijn hebben onder meer eisers zienswijzen over de ontwerp-beschikking naar voren gebracht. Blijkens het bestreden besluit en de daarbij behorende zienswijzenota is het college echter niet op andere gedachten gebracht.

Standpunten van partijen

2.1.

Eisers vrezen dat de aanwezigheid en het gebruik van de thans in geding zijnde moskee (hierna: moskee) hun woon- en leefgenot onevenredig zullen aantasten, vooral vanwege de auto’s die zullen rijden door en parkeren in de straten waar zij wonen. Daarom willen eisers dat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, het bestreden besluit vernietigt en zelf in de zaak voorziet door de aanvraag definitief af te wijzen.

Eisers staan op het standpunt dat het college voor de realisering van het project geen omgevingsvergunning mocht en mag verlenen. Daartoe voeren eisers aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet kan worden gedragen door de daarin vervatte motivering, met het argument dat de ruimtelijke onderbouwing ernstige gebreken vertoont en om die reden niet ten grondslag kan worden gelegd aan een beslissing op de aanvraag.

Volgens eisers is onvoldoende aannemelijk geworden dat een actuele regionale behoefte aan de moskee bestaat. Verder stellen zij dat het college de parkeerbehoefte wegens (het gebruik van) de moskee te laag heeft ingeschat, en in het verlengde hiervan dat de omgeving meer last van extra verkeer zal hebben dan het college veronderstelt. Voorts beweren eisers dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan het openbaar groen dat door de komst van de moskee verdwijnt en onder druk komt te staan. Daarnaast klagen eisers over (a) de hoogte van de moskee, (b) de afstand van de moskee tot de dichtstbijzijnde woningen en (c)

de ouderdom van het onderzoek naar de gevolgen van de moskee voor de flora en fauna ter plaatse.

2.2.

Het college stelt dat het beroep van [naam eiser3] niet-ontvankelijk is, met het argument dat deze eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende en dat zijn beroep onverschoonbaar te laat is ingediend. Verder betoogt het college dat de realisering van het project in stedenbouwkundig en planologisch opzicht verantwoord is. Daartoe voert het in hoofdzaak aan dat (a) een onderzoek naar de actuele regionale behoefte aan de moskee niet nodig is, (b) bij de berekening van de parkeerbehoefte rechtens aanvaardbare uitgangspunten zijn gehanteerd, en (c) de rapportages van [naam verkeerskundige] en [naam adviseur] zijn te kwalificeren als deskundigenadviezen waaraan veel gewicht mag worden gehecht.

2.3.

[naam persoon1] en de vereniging betogen dat de realisering van het project in stedenbouwkundig en planologisch opzicht verantwoord is, onder verwijzing naar de door (de gemachtigde van) het college aangevoerde argumenten. Verder huldigen [naam persoon1] en de vereniging de opvatting dat een aantal in de beroepschriften genoemde normen niet strekken tot bescherming van de belangen waarop eisers zich beroepen.

Wettelijk kader

3.1.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verstaat onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4, aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, ter inzage is gelegd.

Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

3.2.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Nadere regels terzake zijn neergelegd in artikel 2.10 van de Wabo.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning van een bestemmingsplan af te wijken. Nadere regels terzake zijn neergelegd in artikel 2.12 van de Wabo.

3.3.

Artikel 1.1.1, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) verstaat onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Krachtens artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro moet in de toelichting op een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan worden beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

3.4.

Artikel 1.1, onder 75, van de – door provinciale staten van de provincie Noord-Brabant vastgestelde – Verordening ruimte 2012 (hierna: Verordening ruimte) verstaat onder stedelijke ontwikkeling: nieuw ruimtebeslag of uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies.

3.5.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de per 1 december 2013 in [woonplaats] geldende Bouwverordening (hierna: Bouwverordening) moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, als de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft.

Volgens artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening is hiervan slechts sprake als het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein, dat bij dat gebouw hoort, is bepaald overeenkomstig de normen en werkwijze in de “Notitie parkeernormen [woonplaats] 2011” (hierna: Notitie), zoals vastgesteld op 25 juni 2012 of zoals deze laatstelijk is vastgesteld.

3.5.

Door het bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming “Wonen” gegeven. Het grootste deel van het perceel heeft de functie “Maatschappelijke instellingen” gekregen, en een kleiner deel van het perceel de functie “Openluchtrecreatie, sport en groenvoor-zieningen”.

Nadere eisen met betrekking tot het gebruiken van gronden met de bestemming “Wonen” zijn neergelegd in de artikelen 7 en 14 van de tot het bestemmingsplan behorende regels (hierna: planregels).

Daarnaast bevat het bestemmingsplan eisen met betrekking tot het bebouwen van de in

het plangebied gelegen gronden (artikel 4 van de planregels) en het realiseren van parkeergelegenheden (artikel 6 van de planregels).

Ontvankelijkheid van de beroepen

4.1.

De rechtbank constateert dat de woningen van alle eisers minder dan 100 m1 van de grens van het perceel zijn verwijderd. Daaruit leidt de rechtbank dat alle eisers – ook [naam eiser3] – vaker en intensiever dan de gemiddelde inwoner van de gemeente Tilburg kunnen worden geconfronteerd met planologisch relevante gevolgen die het gebruik van de moskee (mogelijkerwijs) met zich brengt, zoals extra verkeer. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat alle eisers moeten worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

4.2.

Het bestreden besluit is – terecht – voorbereid met behulp van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. Blijkens de publicatie van het bestreden besluit in de Staatscourant heeft het bestreden besluit ter inzage gelegen van 12 januari 2015 tot en met 23 februari 2015. Daaruit volgt – gezien het bepaalde in artikel 6:8, vierde lid, van de Awb – dat de termijn voor het instellen van beroep pas is geëindigd op 23 februari 2015, en niet – zoals het college veronderstelt – reeds op

20 februari 2015. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat alle beroepen tijdig zijn ingesteld.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle beroepen ontvankelijk. Daarom komt zij toe aan de inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit op grondslag van de daartegen aangevoerde gronden.

Bespreking van de beroepsgronden

5.1.

Het is mogelijk om op het perceel zonder afwijking van het bestemmingsplan een moskee – of een ander gebouw met een verkeersaantrekkende werking – te realiseren, gezien het bepaalde in de artikelen 7.8.1 en 14.1.1.3 van de planregels. Dit gegeven ontslaat het college echter niet van de plicht tot het verrichten van een gedegen onderzoek naar de planologische en stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het project. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de raad van de gemeente Tilburg (hierna: gemeenteraad) bij de vaststelling van het bestemmingsplan een aantal weloverwogen keuzen heeft gemaakt over aspecten die het woon- en leefklimaat ter plaatse beïnvloeden, en dat het project in enige opzichten een relevante inbreuk op die keuzen maakt.

5.2.

De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of het college verplicht was en is om aannemelijk te maken dat een actuele regionale behoefte aan de moskee bestaat. In dit kader moet de rechtbank nagaan of de realisering van het project is te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de formulering van artikel 1.1.1, onder i, van het Bro concludeert de rechtbank dat het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ geen vastomlijnde inhoud heeft, en dat ook andere dan de daar specifiek genoemde ruimtelijke ingrepen als zodanig kunnen worden aangemerkt. De omschrijving van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ in artikel 1.1, onder 75, van de Verordening ruimte en de jurisprudentie van de ABRvS over de zogeheten ‘ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling’ bevestigen de juistheid van die stelling. Of in het onderhavige geval sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, hangt af van diverse omstandigheden, zoals de mogelijkheden die het ter plaatse ten tijde van de aanvraag geldende planologisch regime biedt.

De rechtbank kwalificeert het project als een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. Hierbij neemt zij allereerst in aanmerking dat het bestemmingsplan weliswaar een moskee met een aanzienlijke oppervlakte toelaat, maar dat de maximaal toelaatbare bouwmassa wordt beperkt door de hoogte die gebouwen ter plaatse mogen hebben. Verder acht de rechtbank relevant dat de maximaal toelaatbare bouwmassa nog meer aan banden wordt gelegd door de eis om op eigen terrein te voorzien in de parkeerbehoefte die het te realiseren gebouw genereert.

Vervolgens constateert de rechtbank dat de moskee substantieel hoger is dan het bestemmingsplan toelaat en deels is gesitueerd op grond waar het bestemmingsplan helemaal geen bebouwing toelaat, alsmede dat de beoogde situering nodig is vanwege religieuze motieven en de door het college gestelde eis om op het perceel 92 parkeerplaatsen te realiseren. Op basis hiervan acht de rechtbank het uitgesloten dat op het perceel een met de moskee vergelijkbaar gebouw kan worden gerealiseerd zonder van het bestemmingsplan af te wijken.

Partijen zijn het erover eens – en ook de rechtbank constateert – dat het college niet heeft onderzocht of de thans in geding zijnde moskee voorziet in een actuele regionale behoefte. Daarom oordeelt de rechtbank dat de ruimtelijke onderbouwing in zoverre een gebrek vertoont en om die reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Door dit toch te doen, heeft het college – naar het oordeel van de rechtbank – gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals gecodificeerd in artikel 3:2 van de Awb.

De rechtbank acht het zojuist gesignaleerde gebrek te ernstig om – met toepassing van artikel 6:22 van de Awb – te passeren. Daarom acht zij de beroepen gegrond. Dit betekent dat het college alsnog aannemelijk moet maken dat een actuele regionale behoefte aan de komst van de moskee bestaat.

5.3.

Het antwoord op de vraag of het college de parkeerbehoefte wegens (het gebruik van) de moskee correct heeft ingeschat, speelt niet alleen een rol bij de toetsing van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de moskee (de zogeheten ‘a-vergunning’), maar ook bij de toetsing van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (de zogeheten ‘c-vergunning’). De resultaten van het in dat kader te verrichten onderzoek zijn namelijk relevant bij de beantwoording van de vraag hoeveel last de direct omwonenden naar verwachting zullen ondervinden van het verkeer wegens het gebruik van de moskee, alsmede bij de beantwoording van de vraag welk openbaar groen in de directe omgeving van het perceel kan worden behouden.

In rechtsoverweging 4.1 van haar uitspraak van 5 december 2012 heeft de ABRvS geoordeeld dat bij de berekening van de parkeerbehoefte een norm van 0,1 parkeerplaats per knielplek tot uitgangspunt mag worden genomen. Bij het formuleren van dit oordeel heeft de ABRvS echter geen rekening gehouden met de Notitie zelf.

Sinds de inwerkingtreding van de Bouwverordening per 1 december 2013 heeft de Notitie de status van algemeen verbindend voorschrift heeft, gelet op de formulering van artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening en de uitspraak van de ABRvS van 4 mei 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM3235). Dit heeft tot gevolg dat het college bij de berekening van de parkeerbehoefte is gebonden aan de normen en werkwijzen die de Notitie voorschrijft.

Volgens de Notitie mag bij de berekening van de parkeerbehoefte niet zonder meer worden aangenomen dat elke parkeerplaats dubbel kan worden gebruikt als die plaats is gesitueerd bij een gebouw dat voor diverse doeleinden zal worden gebruikt. Daartoe verwijst de rechtbank naar de stappen 2.2 en 2.5 van het zogeheten ‘protocol’, alsmede naar de toelichting op die stappen en de daarbij behorende tabellen.

Uit de gedingstukken – met name de ruimtelijke onderbouwing, het bestreden besluit en de verweerschriften – en de daarover ter zitting afgelegde verklaringen leidt de rechtbank af dat het college bij het berekenen van de parkeerbehoefte niet overeenkomstig het in de Notitie neergelegde protocol heeft gehandeld, maar heeft volstaan met het bepalen van het aantal knielplekken in de moskee en het vermenigvuldigen van dat aantal met 0,1.

Op basis van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat de ruimtelijke onderbouwing in zoverre een gebrek vertoont en om die reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Door dit toch te doen, heeft het college – naar het oordeel van de rechtbank – gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals gecodificeerd in artikel 3:2 van de Awb.

De rechtbank acht het zojuist gesignaleerde gebrek te ernstig om – met toepassing van artikel 6:22 van de Awb – te passeren. Daarom acht zij de beroepen gegrond. Dit betekent dat het college een nieuw onderzoek moet (laten) verrichten naar de parkeerbehoefte wegens het gebruik van de moskee overeenkomstig de wettelijke voorschriften – de in de Notitie vervatte regels daaronder begrepen – zoals die gelden bij de te nemen beslissing op de aanvraag. In dit kader overweegt de rechtbank nog het volgende.

Eisers betogen dat het college bij de berekening van de parkeerbehoefte de beschikbaarheid van meer dan 922 knielplekken tot uitgangspunt moet nemen. De rechtbank verwerpt dit betoog. Een bestuursorgaan behoort bij de beslissing op een aanvraag immers af te gaan op de door de aanvrager verstrekte gegevens, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor de gerechtvaardigde verwachting dat dat die gegevens onjuist zijn. De rechtbank heeft dergelijke aanknopingspunten niet gevonden.

Hierbij neemt zij allereerst in aanmerking dat het niet eenvoudig is – en zelfs niet voor de hand ligt – om de zogeheten ‘onbenoemde ruimtes’ als gebedsruimten in te richten, al was het maar nu die ruimtes zich op een andere bouwlaag bevinden dan de beoogde gebedsruimtes. Verder acht de rechtbank hier relevant dat de vereniging zich ter zitting uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk bereid heeft verklaard om een voorschrift hierover in een omgevingsvergunning te accepteren.

5.4.

Het oordeel van de rechtbank dat niet zeker is of 92 parkeerplaatsen op het perceel voldoende zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte wegens het gebruik van de moskee, maakt dat zij niet kan bepalen of het college de notitie van [naam verkeerskundige] (zonder nadere motivering) ten grondslag mocht en mag leggen aan diens conclusie dat de omwonenden van het perceel geen onevenredige hinder van het extra verkeer zullen ondervinden. Daarom laat de rechtbank thans in het midden of de notitie van [naam verkeerskundige] valt te kwalificeren als een deskundigenadvies waarvan de bewijskracht slechts met een contra-expertise kan worden aangetast.

5.5.

Het rapport van [naam adviseur] noodzaakt tot een specifieke motivering van de beslissing om toestemming voor de realisering van het project te verlenen. Het rapport in kwestie verschaft immers voldoende reden voor de veronderstelling dat de bouw van de moskee leidt tot strijd met het bepaalde in artikel 4.3.2 van de planregels. Uit de ruimtelijke onderbouwing noch het bestreden besluit en de verweerschriften kan echter worden afgeleid dat het college ook een omgevingsvergunning voor afwijking van die planregel heeft willen verlenen.

Verder constateert de rechtbank dat het bestreden besluit niet is voorzien van een voorschrift dat noodzaakt tot het herplanten van acht bomen die voor de bouw van de moskee moeten wijken, terwijl [naam adviseur] suggereert dat zo’n herplantplicht nodig is om het groene karakter van het [naam park] – en daarmee de woonomgeving van eisers – niet onevenredig aan te tasten. In dit kader overweegt de rechtbank dat het college wel mag afwijken van een deskundigenadvies, maar zo’n afwijking goed moet motiveren. Die motivering heeft de rechtbank niet aangetroffen. Bij dit alles komt dat het college in het bestreden besluit weinig aandacht heeft besteed aan de vraag hoe de aantasting van het openbaar groen zich verdraagt met het gemeentelijk beleid terzake.

Op basis van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat de ruimtelijke onderbouwing in zoverre een gebrek vertoont en om die reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Door dit toch te doen, heeft het college – naar het oordeel van de rechtbank – gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals gecodificeerd in artikel 3:2 van de Awb.

De rechtbank acht het zojuist gesignaleerde gebrek te ernstig om – met toepassing van artikel 6:22 van de Awb – te passeren. Daarom acht zij de beroepen gegrond. Dit betekent dat het college alsnog moet motiveren waarom het wel verantwoord is om de moskee in de onmiddellijke nabijheid van de door de gemeenteraad als waardevol aangemerkte bomen te realiseren, alsmede waarom het niet nodig is om [naam persoon1] en/of de vereniging – in een aan een omgevingsvergunning te verbinden voorschrift – te verplichten tot het herplanten van de bomen die wegens de bouw van de moskee verloren zullen gaan.

5.6.

De klacht van eisers over de hoogte van de moskee slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Aan eisers kan worden toegegeven dat de door het college vergunde hoogte van de moskee aanzienlijk afwijkt van de hoogte die krachtens het bestemmingsplan is toegestaan, en dat het college aan (de motivering van) die afwijking niet veel aandacht heeft besteed. Daar staat tegenover dat eisers niet concreet hebben toegelicht in welk opzicht hun woongenot daadwerkelijk wordt aangetast door de in geding zijnde hoogte van de moskee. Aan zo’n toelichting bestond echter wel behoefte, gezien de afstanden tussen de moskee zelf en de woningen van eisers. Naar het oordeel van de rechtbank valt onder die omstandigheden niet vol te houden dat het bestreden besluit op dit punt ontoereikend is gemotiveerd.

5.7.

De klacht van eisers over de afstand van de moskee tot de dichtstbijzijnde woningen slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De norm waarop eisers zich beroepen – zoals neergelegd in de zogeheten ‘VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering’ (hierna: Brochure) – strekt slechts tot bescherming van de belangen van de bewoners van die woningen. Ter zitting is gebleken dat de afstand tussen de moskee en de woningen van eisers groter is dan de afstand die in de Brochure als minimum wordt beschouwd. Daarom kan deze beroepsgrond nooit leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zo leert artikel 8:69a van de Awb.

5.8.

De klacht van eisers over de ouderdom van het onderzoek naar de gevolgen van de moskee voor de flora en fauna ter plaatse slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Het college heeft erkend dat het in de ruimtelijke onderbouwing genoemde onderzoeksrapport gedateerd 26 maart 2009 over de gevolgen van de moskee voor de flora en fauna onvoldoende actueel was toen het bestreden besluit werd genomen. Eisers stellen dan ook terecht dat het bestreden besluit in zoverre een gebrek kent. Dat gebrek is inmiddels echter hersteld door middel van het rapport van [naam deskundige] (een bij Ecoresult werkzame deskundige) gedateerd 9 juli 2015. Eisers waren in staat om kritiek op de inhoud van dat rapport te ventileren, maar hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Daarom acht de rechtbank aannemelijk dat eisers door het zojuist gesignaleerde gebrek niet zijn benadeeld. Dit is voor de rechtbank voldoende reden om het gebrek in kwestie – met toepassing van artikel 6:22 van de Awb – te passeren.

Conclusies

6.1.

Een aantal tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden slaagt.

Daarom zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

6.2.

De rechtbank ziet onvoldoende ruimte om het tussen partijen gerezen geschil definitief te beslechten. Dit vergt immers een nader onderzoek naar relevante feiten, en een bestuurlijke waardering van die feiten, waartoe de bestuursrechter niet is geroepen.

6.3.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding tot het toepassen van de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. Zij kan momenteel namelijk niet goed overzien welke conclusies het college zal trekken na het verrichten van het feitenonderzoek als bedoeld in de rechtsoverwegingen 5.2 (actuele regionale behoefte aan de komst van de moskee), 5.3 (parkeerbehoefte wegens het gebruik van de moskee) en 5.5 (aantasting van openbaar groen wegens de bouw van de moskee).

6.4.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het college wederom op de aanvraag zal moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Het college krijgt hiervoor twaalf weken de tijd, te rekenen vanaf de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden.

6.5.

Bij de voorbereiding van de nieuwe beslissing op de aanvraag hoeft het college het bepaalde in de artikelen 3:11 tot en met 3:16 van de Awb niet in acht te nemen. Het is namelijk niet de bedoeling dat anderen dan eisers de kans krijgen om zich bij de bestuursrechter tegen de realisering van de moskee te verzetten. Het college heeft belanghebbenden immers reeds bij de terinzagelegging van zijn voornemen (van 24 maart 2014 tot en met 5 mei 2014) en het bestreden besluit (van 12 januari 2015 tot en met

23 februari 2014) voldoende gelegenheid voor zo’n verzet geboden.

6.6.

Nu de rechtbank de beroepen gegrond zal verklaren, dienen de betaalde griffierechten aan eisers te worden vergoed.

6.7.

De rechtbank zal het college veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die [naam eiser2] en [naam eiser3] wegens de door hun gemachtigden verleende rechtsbijstand hebben gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten – met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht – vast op een bedrag van € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490 en wegingsfactor 1) per eisende partij.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    gelast het college binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het college bij (de voorbereiding van) de beslissing op die aanvraag het bepaalde in de artikelen 3:11 tot en met 3:16 van de Awb niet in acht hoeft te nemen;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 167 aan [naam eiser1] te vergoeden;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 167 aan [naam eiser2] te vergoeden;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 167 aan [naam eiser3] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van [naam eiser2] tot een bedrag van € 980;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van [naam eiser3] tot een bedrag van € 980.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th. Peters, voorzitter, en mr. C.A.F. van Ginneken en mr. J.F.I. Sinack, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Koenraad, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.