Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:7087

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
C/02/300826 / HA ZA 15-399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen aansprakelijkheid externe organisatieadviseur voor schade van medisch specialist ontstaan door gedwongen vertrek uit maatschap; ontbreken causaal verband; omkeringsregel niet van toepassing.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2015-0466
OR-Updates.nl 2015-0370
NTHR 2016, afl. 2, p. 96
AR 2015/2113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/300826 / HA ZA 15-399

Vonnis van 4 november 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Oisterwijk,

eiser,

advocaat mr. M.A.M. Bannenberg,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde sub 1] ,

2. de stichting

[ziekenhuis] ,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagden,

advocaat mr. P. Bergkamp.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde sub 1] en gedaagde sub 2 zal hierna het ziekenhuis genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van deze rechtbank van 22 juli 2015 met de daarin genoemde processtukken

  • -

    de brief van de zijde van [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis van 14 september 2015 met producties 20 en 21

  • -

    de brief van de zijde van [eiser] van 15 september 2015 met één productie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I: te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] in de uitvoering van zijn opdracht van de [maatschap] van het ziekenhuis in de periode 2010-2012 onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis aansprakelijk zijn voor alle schade die [eiser] als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden, alsmede;

II: hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis tot betaling van een bedrag gelijk aan het volledig winstaandeel van een lid van de [maatschap] van het ziekenhuis, over de periode 21 januari 2013 tot en met 31 december 2013 en daarna vanaf 1 januari 2014 jaarlijks, tot aan het moment dat [eiser] de 65 jarige leeftijd zal hebben bereikt, een en ander binnen twee weken nadat de hoogte van dat winstaandeel is vastgesteld in de jaarrekening van de [maatschap] van het ziekenhuis over het betreffende jaar;

III: met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis in de proceskosten.

2.2.

[gedaagde sub 1] en het ziekenhuis voeren verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[eiser] is in 1992 toegetreden tot de [maatschap] (hierna: de maatschap) van het ziekenhuis en vanaf dat moment op basis van een toelatingsovereenkomst als specialist werkzaam geweest in het ziekenhuis. Op 31 mei 2012 heeft de maatschap het besluit genomen om een procedure tot ontbinding van de maatschapsovereenkomst met [eiser] te zullen starten. Daarop heeft de raad van bestuur van het ziekenhuis op 18 juli 2012 besloten de toelatingsovereenkomst met [eiser] op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden. Als gevolg van de beëindiging van de toelatingsovereenkomst komt ook de maatschapsovereenkomst ten einde.

3.1.2.

Eind 2011 bestaat de maatschap uit 20 leden. De werkzaamheden van de maatschap zijn verdeeld over vijf clusters. [eiser] maakt deel uit van het cluster [cluster] (hierna: het cluster), samen met [Specialist 1] , [Specialist 2] (tevens voorzitter van het bestuur van de maatschap) en (vanaf 1 december 2010) [Specialist 3] .

3.1.3.

In 2009 heeft [eiser] zich gewend tot de voorzitter van de raad van bestuur van het ziekenhuis, [vrz RvB] , en hem zijn zorgen gemeld over het medisch-inhoudelijke functioneren van [Specialist 1] . [vrz RvB] heeft naar aanleiding deze melding aan twee externe internisten, prof. Dr. [extern specialist A] en dr. [extern specialist B] , gevraagd een aantal door [eiser] geselecteerde patiëntendossiers van [Specialist 1] vertrouwelijk te onderzoeken. [extern specialist A] en [extern specialist B] hebben op 23 juli 2009 na onderzoek gerapporteerd – onder meer – dat een onderzoek van geselecteerde dossiers essentiële beperkingen heeft omdat de selectie van de dossiers tot een onevenwichtig beeld kan leiden en dat de betreffende collega uiteindelijk de gelegenheid zou moeten krijgen om uitleg te geven. Zij concluderen – onder meer – dat disfunctioneren van de betreffende collega aannemelijk is en dat nader onderzoek gewenst is.

3.1.4.

In opdracht van [vrz RvB] is nader onderzoek uitgevoerd door een commissie onder leiding van prof. dr. [extern specialist C] , bestaande uit interviews en onderzoek van patiëntendossiers, met gelegenheid voor [Specialist 1] om op bevindingen te reageren. De commissie heeft op 22 maart 2010 gerapporteerd dat er geen aanwijzingen zijn voor medisch specialistisch disfunctioneren van [Specialist 1] . De commissie heeft onder meer gerapporteerd dat sprake was ‘van langlopende diepgewortelde conflicten tussen maatschapsleden, er heerst onderling wantrouwen, er wordt slecht gecommuniceerd en problemen worden niet opgelost’.

3.1.5.

De maatschap heeft naar aanleiding van de bevindingen van de [commissie extern specialist C] in mei 2010 een extern organisatieadviesbureau, [organisatieadviesbureau 1] , opdracht gegeven om ‘te begeleiden bij een leer- en ontwikkelproces om tot een goed functionerende maatschap te komen’. Tegelijkertijd heeft de raad van bestuur van het ziekenhuis de maatschap onder verscherpt toezicht geplaatst. De begeleiding door [organisatieadviesbureau 1] en rapportage over de voortgang maken onderdeel uit van dat verscherpte toezicht.

3.1.6.

De opdracht aan [organisatieadviesbureau 1] is uitgevoerd door [gedaagde sub 1] en de heer [organisatieadviseur X] . De begeleiding is begonnen in juni 2010 en heeft ongeveer anderhalf jaar geduurd. [organisatieadviseur X] is op enig moment specifiek belast met de begeleiding van het cluster. In september 2010 is de onderlinge verstandhouding binnen het cluster zodanig, dat afgesproken wordt dat tot het einde van het jaar geen regulier werkoverleg zou plaatsvinden maar dat de clustervoorzitter [Specialist 2] individueel overleg met de twee andere clusterleden [eiser] en [Specialist 1] zou voeren (‘pendeldiplomatie’).

3.1.7.

[organisatieadviseur X] heeft op 18 februari 2011 een evaluatie gemaakt van de ontwikkeling binnen het cluster waarin hij onder meer schrijft dat in een constructieve sfeer twee bijeenkomsten hebben plaatsgevonden waarin resultaten zijn geboekt. Hij concludeert dat het cluster belangrijke stappen heeft gezet en voldoende handvatten heeft om zelfstandig, zonder externe begeleiding, op de ingeslagen weg verder te gaan. [organisatieadviseur X] heeft daarbij de kanttekening gemaakt dat de geboekte resultaten vooral liggen op inhoudelijk en organisatorisch vlak en dat er nog weinig echt gewerkt is aan de onderlinge relaties en gevoelens.

3.1.8.

Het bestuur van de maatschap heeft daarop besloten de begeleiding van het cluster door [organisatieadviseur X] te handhaven.

3.1.9.

Op 28 september 2011 heeft [organisatieadviseur X] opnieuw een evaluatie gemaakt en gerapporteerd over de ontwikkelingen binnen het cluster. Na een bespreking van de voortgang op de gestelde doelen en benoeming van een aantal oorzaken, concludeert [organisatieadviseur X] : ‘Hoewel van een kentering sprake was, heeft het ontwikkelingsproces onvoldoende opgeleverd. Het cluster zal in deze samenstelling geen ‘winning team’ worden. Dit ondanks de professionele kwaliteiten en gedrevenheid van betrokkenen die ik in deze evaluatie op geen enkele manier ter discussie wil stellen. Deze situatie vraagt mijn inziens om besluiten van buitenaf waarmee een doorbraakeffect kan worden gerealiseerd.’

3.1.10.

Op 14 oktober 2011 heeft een maatschapsconferentie plaatsgevonden, waarin door de maatschap een convenant is goedgekeurd. Het convenant bevat onder meer een weergave van doel en missie van de maatschap, gedragsregels en een beschrijving van de structuur van de maatschap en de verschillende functies binnen de maatschap.

Namens het bestuur van de maatschap is tijdens de conferentie uitgesproken dat het over de evaluatie van [organisatieadviseur X] individueel heeft gesproken met de clusterleden en met [organisatieadviseur X] . Het bestuur van de maatschap heeft de conclusies van de evaluatie overgenomen en zich aangesloten bij de conclusie dat besluiten van buitenaf nodig zijn. Namens het bestuur van de maatschap is aangekondigd dat het in overleg zal gaan met de raad van bestuur en het stafbestuur om na te gaan welke oplossingen mogelijk zijn.

3.1.11.

Op 19 oktober 2011 heeft een ingelast overleg plaatsgevonden tussen het bestuur van de maatschap, de leden van het cluster en [gedaagde sub 1] . [eiser] heeft die vergadering na een kwartier verlaten om bij het ochtendrapport aanwezig te kunnen zijn. Tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] is vervolgens een e-mailwisseling tot stand gekomen over het overleg van 19 oktober. [gedaagde sub 1] heeft, na mededeling hiervan aan [eiser] , deze e-mailberichten doorgestuurd aan het bestuur van de maatschap en aan de overige clusterleden.

3.1.12.

[gedaagde sub 1] heeft op 3 november 2011 een evaluatie gemaakt van het (totale) begeleidingstraject, waarin hij over het cluster schrijft de conclusie van [organisatieadviseur X] te delen. Op 7 november 2011 heeft een overleg plaatsgevonden tussen het bestuur van de maatschap, [vrz RvB] , de stafvoorzitter en [gedaagde sub 1] . Daarbij is [gedaagde sub 1] verzocht om schriftelijk aan te geven hoe hij de gevolgen taxeert van ongewijzigd beleid inzake de samenwerking binnen het cluster en er dus niet van buiten geïntervenieerd zou gaan worden.

3.1.13.

[gedaagde sub 1] heeft aan dat verzoek voldaan bij brief van 14 november 2011. Op 10 november 2011 heeft hij gesprekken gevoerd met de individuele clusterleden, onderwie [eiser] , waarbij hij het concept van zijn taxatie heeft voorgelezen. Op 11 november 2011 heeft hij de clusterleden per e-mail bericht dat hij naar aanleiding van die gesprekken de tekst op een drietal punten heeft aangepast. [eiser] heeft diezelfde dag per e-mail gereageerd.

3.1.14.

[gedaagde sub 1] heeft in zijn taxatiebrief van 14 november 2011 aan de raad van bestuur en de stafvoorzitter een uitgebreide beschrijving gegeven van zijn inschatting bij ongewijzigd beleid inzake de samenwerking binnen het cluster. Hij beschrijft daarin onder meer dat de ontwikkelingen in de [specialisme] en in zekere mate ook de HIV-zorg zullen achterblijven en dat sprake zal zijn van een verlammende werking tussen de leden van het cluster. De beide [specialisten] (waarmee [gedaagde sub 1] doelt op [eiser] en [Specialist 1] ) vertonen kenmerken van hardleersheid, welk patroon [gedaagde sub 1] als hardnekkig taxeert. Alle leden van het cluster, inclusief beide [specialisten] , zullen niet alleen verder inboeten op hun werkplezier, maar ook het risico lopen dat hun mentale veerkracht wordt gebroken. De besturing van de maatschap als geheel zal bovendien in gevaar komen, aldus [gedaagde sub 1] .

3.1.15.

Op 28 november 2011 heeft de voorzitter van de raad van bestuur van het ziekenhuis een brief gestuurd aan [gedaagde sub 1] . [vrz RvB] schrijft onder meer:

‘Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat een der specialisten u en eventueel ook uw collega [organisatieadviseur X] zou kunnen aanspreken op uw professionele rol in dit geheel c.q. u aansprakelijk zou willen stellen voor de gevolgen. Mocht deze situatie zich voordoen dan zal de ziekenhuisadvocaat mede namens u en de heer [organisatieadviseur X] optreden. Ook zal het [ziekenhuis] ziekenhuis eventuele aansprakelijkheid op zich nemen.’

3.1.16.

De raad van bestuur en de stafvoorzitter hebben op 22 december 2011 een brief gestuurd aan het bestuur van de maatschap. Daarin is geschreven dat zij naar aanleiding van de taxatie van [gedaagde sub 1] hebben gesproken met het maatschapsbestuur en met de individuele leden van het cluster. Zij schrijven onder meer: ‘De gesprekken bevestigen wel dat er sprake is van ernstige problemen in de samenwerking bij twee individuele leden, te weten: [Specialist 1] en de heer dr. [eiser] . De partijen beleven echter allen een verschillende werkelijkheid van de problematiek. De samenwerkingsproblematiek is een bedreiging voor het hele traject dat de maatschap het afgelopen jaar heeft gelopen en er bestaat een groot risico terug te vallen in de oude situatie, wanneer niet wordt ingegrepen. Deze situatie is onacceptabel en moet opgelost worden. De diagnose en oplossing van het probleem is, in dit stadium, aan de maatschap.’

Het verscherpte toezicht op de maatschap blijft gehandhaafd en het maatschapsbestuur wordt verzocht om voor 1 februari 2012 met een plan van aanpak te komen.

3.1.17.

In de maatschapsvergadering van 16 februari 2012 is unaniem het besluit genomen tot vaststelling van een geschil als bedoeld in artikel 23 van de maatschapsovereenkomst, tussen zowel [eiser] en de maatschap als tussen [Specialist 1] en de maatschap. De maatschap besluit te trachten het geschil op te lossen door inschakeling van externe advisering, waarbij

- ofwel de problematiek ten aanzien van respectievelijk [eiser] en [Specialist 1] op zeer afzienbare termijn aantoonbaar oplosbaar blijkt op een wijze die vertrouwen geeft voor de toekomst,

- ofwel de maatschapsovereenkomst met [eiser] respectievelijk [Specialist 1] dient te worden beëindigd.

Afgesproken wordt dat het bestuur van de maatschap een keuze maakt voor een externe adviseur, na overleg met [eiser] en [Specialist 1] .

3.1.18.

Het bestuur van de maatschap heeft een opdracht geformuleerd, inhoudende te onderzoeken of de samenwerking tussen [eiser] en de maatschap op zeer afzienbare termijn aantoonbaar kan worden genormaliseerd op een wijze die vertrouwen geeft voor de toekomst. Diezelfde opdracht is geformuleerd inzake de samenwerking tussen [Specialist 1] en de maatschap. Het bestuur van de maatschap heeft voorgesteld om [organisatieadviesbureau 2] (hierna: [organisatieadviesbureau 2] ) aan te zoeken als deskundige.

[eiser] heeft bij brief van 5 maart 2012 bezwaren geuit tegen de formulering van de opdracht en tegen de opdrachtverlening aan [organisatieadviesbureau 2] .

3.1.19.

Het bestuur van de maatschap heeft op 16 maart 2012 de opdracht zoals hierboven geformuleerd verstrekt aan [organisatieadviesbureau 2] , meer specifiek de heer [organisatieadviseur Y] en de heer [organisatieadviseur Z] . Daarbij is opdracht gegeven in ieder geval een gesprek te voeren met het bestuur van de maatschap, het bestuur van de medische staf, de raad van bestuur, [gedaagde sub 1] en met [eiser] , voor zover deze laatste zijn medewerking wil verlenen.

3.1.20.

Op 16 april 2012 heeft [organisatieadviesbureau 2] verslag uitgebracht van het uitgevoerde onderzoek. Het onderzoek omvat bestudering van diverse documenten en interviews met de onder 3.1.19 genoemde personen, en tevens met [organisatieadviseur X] , de heer [mng maatschap] , manager van de maatschap, en [Specialist 1] . [eiser] heeft medewerking aan het onderzoek verleend en met [organisatieadviseur Y] en [organisatieadviseur Z] gesproken. [organisatieadviesbureau 2] rapporteert samengevat dat het bestuur van de maatschap, als vertegenwoordiging van de maatschap, unaniem van mening is dat er sprake is van een ernstig samenwerkingsprobleem tussen de maatschap en [eiser] en dat niet verwacht mag worden dat [eiser] zijn gedrag en zijn daaraan gekoppelde wijze van communiceren en samenwerken aantoonbaar en op zeer afzienbare termijn zal veranderen. Het bestuur van de maatschap ziet dan ook geen andere oplossing dan beëindiging van de overeenkomst tussen de maatschap en [eiser] . [organisatieadviesbureau 2] rapporteert dat die zienswijze en conclusie volledig worden onderschreven door de manager van de maatschap en het bestuur van de medische staf. De voorzitter van de raad van bestuur van het ziekenhuis kan zich de zienswijze en conclusie voorstellen en zal deze steunen, mits procedures zorgvuldig zijn gevolgd. [gedaagde sub 1] en [organisatieadviseur X] onderschrijven eveneens de zienswijze en conclusie. [organisatieadviesbureau 2] noteert dat [eiser] stelt de inhoud en aard van het samenwerkingsprobleem niet te kennen en dat er uitsluitend een geschil is in de werkverdeling en capaciteitsplanning binnen het cluster. [organisatieadviesbureau 2] plaatst een vraagteken bij de onbekendheid met het samenwerkingsprobleem bij [eiser] , maar concludeert dat hij zijn gedrag en de daaraan gekoppelde wijze van samenwerken en communiceren in ieder geval niet aantoonbaar en op zeer afzienbare termijn zal veranderen, omdat hij daar zélf kennelijk geen aanleiding en noodzaak toe ziet en ook niet weet om welk gedrag het zou moeten gaan. [organisatieadviesbureau 2] beantwoordt de onderzoeksvraag negatief.

3.1.21.

Vervolgens zijn de besluiten genomen als omschreven in 3.1.1.

3.1.22.

[eiser] heeft bij het scheidsgerecht Gezondheidszorg de opzegging van de toelatingsovereenkomst aangevochten. Bij vonnis van 13 december 2012 heeft het scheidsgerecht de vorderingen afgewezen.

3.1.23.

[eiser] heeft bij het scheidsgerecht Orde Medisch Specialisten – onder meer – de opzegging van het maatschapscontract aangevochten en schadevergoeding gevorderd. Bij vonnis van 3 april 2014 heeft het scheidsgerecht – samengevat – geoordeeld dat het [eiser] niet verweten kan worden dat hij een vertrouwelijke melding heeft gedaan over het functioneren van [Specialist 1] , maar wel dat hij bij herhaling heeft ontkend de melder te zijn, hetgeen een escalerende werking op de samenwerkingsproblemen had. Het scheidsgerecht heeft als vaststaand aangenomen dat een aantal incidenten met [eiser] vervolgens heeft geleid tot een verslechtering van de verhoudingen binnen de maatschap. Hoewel de maatschap vervolgens in de aanloop naar de besluitvorming een aantal procedurele onzorgvuldigheden kan worden verweten, was de beëindiging van de maatschapsovereenkomst vervolgens redelijkerwijs onontkoombaar. De vertrouwensbreuk was dusdanig groot dat de samenwerking niet kon voortduren. Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat die vertrouwensbreuk als zodanig in belangrijke mate aan [eiser] kan worden toegerekend en wegens zijn aandeel daarin komt hij niet in aanmerking voor de volledige schade die hij lijdt door opzegging van de maatschapsovereenkomst, maar slechts een gedeelte daarvan. De vordering tot schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen, de vordering strekkende tot terugkeer in de maatschap is afgewezen.

Bij vonnis van 1 juli 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland het vonnis van het scheidsgerecht in stand gelaten.

3.1.24.

[eiser] heeft bij de commissie van toezicht op de naleving van de gedragscode van Ooa (orde van organisatiedeskundigen- en adviseurs) en ROA (raad van organisatieadviesbureaus) klachten ingediend tegen het bureau [organisatieadviesbureau 1] en tegen [gedaagde sub 1] . De commissie heeft bij beslissing van 28 november 2012 [eiser] niet-ontvankelijk verklaard jegens [organisatieadviesbureau 1] . De klachten tegen [gedaagde sub 1] zijn deels gegrond en deels ongegrond verklaard en aan [gedaagde sub 1] is een maatregel van waarschuwing opgelegd.

[gedaagde sub 1] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing bij de raad van beroep Ooa en ROA. De raad van beroep heeft bij uitspraak van 13 juni 2013 geoordeeld dat [gedaagde sub 1] in zijn gesprek van 10 november 2011 met [eiser] (zie 3.1.13) het beginsel van hoor en wederhoor niet afdoende heeft toegepast door [eiser] niet de gelegenheid te geven zijn concepttaxatie rustig door te lezen en door niet inzichtelijk te maken hoe het concept naar aanleiding van de gesprekken is gewijzigd. Ten aanzien van het interview dat [gedaagde sub 1] heeft gegeven aan [organisatieadviesbureau 2] , heeft de raad van beroep geoordeeld dat [gedaagde sub 1] de gedragsregels heeft geschonden door niet voorafgaand aan dat interview [eiser] te informeren over de voorgenomen medewerking en de informatie die [gedaagde sub 1] voornemens was te verstrekken. Over de inhoud van de door [gedaagde sub 1] aan [organisatieadviesbureau 2] verstrekte informatie heeft de raad van beroep geen oordeel geveld. De raad van beroep heeft een overweging ten overvloede van de commissie, dat het onverstandig was van [gedaagde sub 1] om de e-mailwisseling door te zenden (zie 3.1.11) niet vernietigd. De raad van beroep heeft de beslissing van de commissie, onder wijziging en aanvulling van gronden, in stand gelaten.

3.2.

De standpunten van partijen.

3.2.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [eiser] verwijt [gedaagde sub 1] in de eerste plaats de taxatiebrief van 14 november 2011, waarover de raad van beroep Ooa en ROA reeds heeft geoordeeld dat [gedaagde sub 1] daar tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het schenden van het beginsel van hoor en wederhoor. Die taxatiebrief zette een proces in gang dat leidde tot een opdracht aan [organisatieadviesbureau 2] . In dat proces zijn door het bestuur van de maatschap diverse procedurele onzorgvuldigheden begaan, zo heeft ook het scheidsgerecht Orde Medisch Specialisten geoordeeld, terwijl het bestuur in die periode begeleid werd door [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft bovendien meegewerkt aan het onderzoek door [organisatieadviesbureau 2] en daarin opnieuw tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, zo heeft de raad van beroep Ooa en ROA geoordeeld.

Ten aanzien van de inhoud van de taxatiebrief van 14 november 2011 betoogt [eiser] dat maar één antwoord paste op de gestelde vraag naar de gevolgen van ongewijzigd beleid: het zou in strijd zijn met het convenant, en de daarin vastgelegde beginselen en gedragsregels, als het bestuur van de maatschap niet de richtinggevende besluiten zou nemen die het had toegezegd te zullen nemen, namelijk over de capaciteitsplanning en werkverdeling binnen het cluster. In plaats daarvan heeft [gedaagde sub 1] in zijn taxatiebrief de vraag heel anders beantwoord en de problemen die in het cluster bestonden ten onrechte volledig in de sleutel van een gestelde gebrekkige samenwerking tussen [eiser] en [Specialist 1] geplaatst. Deze brief heeft geleid tot een koerswijziging bij het maatschapsbestuur en de raad van bestuur van het ziekenhuis, die gericht raakten op het vertrek van [eiser] . Daarbij heeft [gedaagde sub 1] onjuistheden vermeld en zijn een aantal opmerkingen van hem louter speculatief en insinuerend. Zoals geoordeeld door de raad van beroep Ooa en ROA heeft [gedaagde sub 1] hoor en wederhoor geschonden in de totstandkoming van de taxatiebrief.

Ten aanzien van de procedurele onzorgvuldigheden door het bestuur van de maatschap stelt [eiser] dat die bestaan uit het niet reageren op brieven van de advocaat van [eiser] , het inschakelen van [organisatieadviesbureau 2] ondanks de bezwaren van [eiser] daartegen en het zonder goede grond afwijzen van het verzoek van [eiser] om mediation. Weliswaar gaat het hier om onzorgvuldigheden van het bestuur van de maatschap maar [gedaagde sub 1] begeleidde in die periode het bestuur bij, zoals hij zelf stelt, ‘het opstellen van een plan van aanpak om tot besluitvorming te komen’. [eiser] verwijt [gedaagde sub 1] dan ook dat die er instrumenteel aan is geweest dat de maatschap gericht raakte op het vertrek van [eiser] .

Ten aanzien van de uitlatingen van [gedaagde sub 1] aan [organisatieadviesbureau 2] verwijst [eiser] naar de uitspraak van de raad van beroep Ooa en ROA waarin [gedaagde sub 1] op dit punt tuchtrechtelijk een verwijt is gemaakt. [eiser] stelt dat [organisatieadviesbureau 2] zich kennelijk sterk heeft laten leiden door de visie van [gedaagde sub 1] op [eiser] .

De kern van het verwijt is dat [gedaagde sub 1] zijn professionele onafhankelijkheid heeft prijsgegeven, steeds ten nadele van [eiser] , onder meer door te accepteren dat het ziekenhuis bij brief van 28 november 2011 een garantie verleende. Het feit dat [gedaagde sub 1] de e-mailwisseling over het overleg van 19 oktober 2011 tussen hem en [eiser] heeft doorgestuurd aan het bestuur van de maatschap en de clusterleden, levert bewijs van die schending van onafhankelijkheid.

[eiser] stelt dat hij schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] , bestaande uit het maatschapsaandeel vanaf het moment van de ontbinding tot aan het moment dat [eiser] de pensioengerechtigde leeftijd zal hebben bereikt. Hij stelt zich op het standpunt dat uit hoofde van de omkeringsregel het causaal verband tussen de schade en het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] aangenomen moet worden.

[eiser] spreekt het ziekenhuis aan op grond van de brief van 28 november 2011 van de voorzitter van de raad van bestuur van het ziekenhuis aan [gedaagde sub 1] . De in die brief gegeven garantie heeft jegens [eiser] te gelden als een derdenbeding al bedoeld in artikel 6:253 BW, aldus [eiser] .

3.2.2.

[gedaagde sub 1] en het ziekenhuis voeren het volgende verweer. Zij betwisten allereerst dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en benadrukken dat civiele rechters niet gebonden zijn aan uitspraken in tuchtprocedures. Het tuchtrecht heeft namelijk tot doel om in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening te bevorderen en niet om civielrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen. Bij de beoordeling van een tuchtklacht worden bovendien andere maatstaven gehanteerd dan in civiele procedures. [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis betwisten dat de gedragsregels van de Ooa en ROA, die in de tuchtprocedure tegen [gedaagde sub 1] aan de orde waren, van enig belang zijn bij de beoordeling van het nu aanhangige civiele geschil.

In de taxatiebrief van 14 november 2011 schuilt geen onrechtmatig handelen. De opdracht binnen de maatschap was uiterst complex. Een belangrijke rol daarbij speelde dat binnen de maatschap niet bekend was wie bij de raad van bestuur vermeend disfunctioneren van [Specialist 1] had gemeld, hetgeen voor veel onrust zorgde. Door herhaaldelijk op vragen daarover, ook onder vier ogen, te ontkennen dat hij de melder was, heeft [eiser] de situatie bemoeilijkt. [eiser] is door [gedaagde sub 1] en [organisatieadviseur X] steeds geïnformeerd over de meningen van andere clusterleden over hem, maar heeft dat elke keer terzijde geschoven. [gedaagde sub 1] heeft tot oktober 2011 volstaan met het beschrijven van het gedrag van [eiser] , maar toen de problemen onoplosbaar bleken te zijn en hij om een taxatie werd gevraagd, kon hij niet anders dan ook conclusies trekken. Inhoudelijk was de taxatie dan ook een logisch uitvloeisel van al wat daaraan vooraf was gegaan. Over de gang van zaken rondom de totstandkoming van de taxatiebrief stellen [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] binnen de afgesproken kaders in alle opzichten correct en zorgvuldig heeft gehandeld.

Ten aanzien van de medewerking van [gedaagde sub 1] aan het onderzoek door [organisatieadviesbureau 2] , voeren [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis aan dat een gesprek met [gedaagde sub 1] nadrukkelijk onderdeel uitmaakte van de opdracht die de maatschap aan [organisatieadviesbureau 2] heeft verstrekt. De maatschap was ook opdrachtgever van [gedaagde sub 1] . Nadat ook [eiser] had ingestemd met onderzoek door [organisatieadviesbureau 2] , voelde [gedaagde sub 1] zich vrij om medewerking aan [organisatieadviesbureau 2] te verlenen. [gedaagde sub 1] is vervolgens om zijn opinie gevraagd als getuige-deskundige, derhalve in een andere rol dan die hij tijdens de uitvoering van zijn opdracht heeft vervuld. [gedaagde sub 1] heeft naar beste vermogen en naar eer en geweten de vragen van [organisatieadviesbureau 2] beantwoord en daarmee niet onzorgvuldig of onrechtmatig gehandeld, aldus [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis.

[gedaagde sub 1] en het ziekenhuis betwisten dat [gedaagde sub 1] zijn professionele onafhankelijkheid heeft prijsgegeven. [gedaagde sub 1] heeft de brief van [vrz RvB] van 28 november 2011 slechts ter kennisgeving aangenomen. De bedoeling van [vrz RvB] met die brief was bovendien te bevorderen dat [gedaagde sub 1] zijn professionele onafhankelijkheid zou bewaren.

Ook het doorsturen van de e-mailwisseling die ontstond naar aanleiding van de vergadering van 19 oktober 2011 is niet onzorgvuldig of onrechtmatig. Met het oog op het verbeteren van de onderlinge samenwerking binnen de maatschap ging het [gedaagde sub 1] erom volledig transparant te zijn en tegen te gaan dat mensen over elkaar in plaats van met elkaar zouden spreken. [gedaagde sub 1] heeft zijn voornemen om dat te doen vooraf aan [eiser] meegedeeld en deze heeft zich daar niet tegen verzet.

[gedaagde sub 1] en het ziekenhuis voeren verder aan dat de opdracht aan [organisatieadviesbureau 1] is afgesloten met de evaluatie van 3 november 2011 en de taxatiebrief van 14 november 2011. [gedaagde sub 1] heeft de maatschap nog geadviseerd bij het opstellen van een plan van aanpak om tot besluitvorming te komen, maar sinds januari 2012 heeft [gedaagde sub 1] zich niet meer bemoeid met verdere besluitvorming en daar dus ook niet in geadviseerd.

[gedaagde sub 1] en het ziekenhuis betwisten aldus dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld, maar zelfs al zou daarvan wel sprake zijn, dan ontbreekt een causaal verband tussen die onrechtmatigheid en de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. Voor zover [eiser] al schade heeft geleden, is die ontstaan door de opzegging van de toelatingsovereenkomst - [eiser] moet dan ook stellen en bewijzen dat er een voldoende causaal verband bestaat tussen het optreden van [gedaagde sub 1] en die opzegging. Concreet moeten worden vergeleken de feitelijke gang van zaken nu en de situatie dat [gedaagde sub 1] niet zou hebben gehandeld zoals [eiser] hem verwijt. Als [gedaagde sub 1] [eiser] wel een concept van de taxatiebrief had verstrekt, als [gedaagde sub 1] de e-mailwisseling niet had doorgestuurd en als [gedaagde sub 1] niet had meegewerkt aan het onderzoek van [organisatieadviesbureau 2] , had dit geen consequentie gehad voor het besluit van de maatschap om het vertrouwen in [eiser] op te zeggen en het besluit van het ziekenhuis om de toelatingsovereenkomst op te zeggen. Die besluiten waren immers volledig gebaseerd op de onherstelbare vertrouwensbreuk die tussen de maatschap en [eiser] was ontstaan. [gedaagde sub 1] heeft daar geen betrokkenheid bij gehad – de maatschap is tot haar besluit gekomen op basis van haar eigen ervaringen met [eiser] in de dagelijkse samenwerking. Ieder causaal verband tussen de gedragingen die [eiser] [gedaagde sub 1] verwijt en het besluit van het ziekenhuis ontbreekt dan ook. [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis stellen zich voorts op het standpunt dat de omkeringsregel, waar [eiser] een beroep op doet, in deze situatie niet van toepassing is.

[gedaagde sub 1] en het ziekenhuis betwisten de hoogte van de schade en wijzen erop dat [eiser] elders aan het werk is. [gedaagde sub 1] doet tevens een beroep op aansprakelijkheidsbeperkende bepalingen in de algemene voorwaarden die, zo stelt hij, op de overeenkomst van opdracht van toepassing zijn.

Het ziekenhuis betwist voorts dat de brief van 28 november 2011 van [vrz RvB] aan [gedaagde sub 1] kan worden aangemerkt als een derdenbeding. De brief had de strekking niet een eigen recht op nakoming door [eiser] te creëren en het is ook nooit de intentie van het ziekenhuis geweest dat de brief ter kennis van [eiser] zou komen.

3.3.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of het wettelijk vereiste causaal verband bestaat tussen de aan [gedaagde sub 1] verweten gedragingen en de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. Daartoe dient te worden beoordeeld of die schade ook zou zijn opgetreden indien de verweten gedragingen niet hadden plaatsgevonden (condicio sine qua non-verband).

3.4.

[eiser] heeft ter zake het causale verband tussen de gedragingen en de schade een beroep gedaan op de omkeringsregel. Hij voert daarbij aan dat de normen die [gedaagde sub 1] heeft geschonden erop zien dat derden erop moeten kunnen vertrouwen dat het oordeel van [gedaagde sub 1] objectief en zorgvuldig tot stand is gekomen. Naar de rechtbank begrijpt, doelt [eiser] met de normen die [gedaagde sub 1] zou hebben geschonden op de tuchtrechtelijke normen waarvan de raad van beroep Ooa en ROA heeft geoordeeld dat [gedaagde sub 1] die heeft overtreden. Toepassing van de omkeringsregel is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (eerst) aan de orde als sprake is van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade en als aannemelijk is gemaakt dat dat specifieke gevaar zich heeft verwezenlijkt (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7351).

Het specifieke gevaar dat zich in dit geval zou hebben verwezenlijkt betreft, zo begrijpt de rechtbank [eiser] , de omstandigheid dat in ieder geval het scheidsgerecht gezondheidszorg in haar oordeelsvorming er op heeft vertrouwd dat [gedaagde sub 1] objectief en zorgvuldig te werk is gegaan.

Het beroep op de omkeringsregel faalt. De tuchtrechtelijke normen ten aanzien waarvan [eiser] [gedaagde sub 1] een verwijt maakt, hebben tot doel, zo blijkt uit de in de gedragsregels genoemde doelstelling (onder 1), het gewenste gedrag en de praktijkuitoefening van de Ooa-leden in het maatschappelijk verkeer in hoofdlijnen vast te leggen en inzichtelijk te maken wat opdrachtgevers mogen verwachten van Ooa-leden en wat Ooa-leden mogen verwachten van elkaar. Dat de gedragsregels (ook) beogen te beschermen tegen het gevaar dat ten onrechte wordt vertrouwd op onzorgvuldig en subjectief handelen van een bij de orde aangesloten organisatieadviseur, is door [eiser] niet onderbouwd en blijkt ook niet.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de tuchtrechtelijke normen geen normen zijn strekkende tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade. Voor toepassing van de omkeringsregel is dan ook geen plaats.

3.5.

De schade die [eiser] stelt te hebben geleden is het maatschapsaandeel over de periode vanaf het moment van ontbinding tot het moment dat [eiser] de pensioengerechtigde leeftijd zal hebben bereikt. Die schade vloeit rechtstreeks voort uit de beëindiging van de maatschapsovereenkomst, zodat vastgesteld moet worden of de gedragingen van [gedaagde sub 1] daarmee in oorzakelijk verband staan.

3.6.

[organisatieadviesbureau 1] en daarmee [gedaagde sub 1] zijn ingeschakeld door de maatschap nadat de [commissie extern specialist C] na onderzoek had geconstateerd dat binnen de maatschap sprake was van langlopende diepgewortelde conflicten tussen maatschapsleden, onderling wantrouwen en slechte communicatie. Daarbij speelde een rol dat de maatschap door de raad van bestuur van het ziekenhuis onder verscherpt toezicht was geplaatst: er bestond derhalve ook externe druk om de problemen op te lossen. [gedaagde sub 1] heeft onweersproken gesteld dat, naast andere problemen, op dat moment het feit dat binnen de maatschap niet bekend was wie het vermeend disfunctioneren van [Specialist 1] aan de kaak had gesteld, een belangrijke bron van onrust was en zorgde voor onderling wantrouwen. De rechtbank acht dat ook zeer wel voorstelbaar, ongeacht de vraag of de motieven die [eiser] aanvoert om daarover geen openheid te verschaffen, valide zijn.

De rechtbank acht voorts van belang dat de [commissie extern specialist C] na onderzoek heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor het medisch specialistisch disfunctioneren van [Specialist 1] . De oplossingsrichting die [eiser] stelt steeds te hebben voorgestaan (kort gezegd: [Specialist 1] in de luwte laten functioneren en uitbreiding van de capaciteit door het aantrekken van een extra [specialist] ) vindt dan ook geen grond in de bevindingen van de [commissie extern specialist C] . [eiser] voert aan dat hij zich voor dat standpunt wel gesteund voelde door de bevindingen van de [commissie extern specialist A] , maar het bestaan van dat onderzoek en de bevindingen daaruit waren bij de rest van de maatschap en [gedaagde sub 1] niet bekend.

Dit leidt de rechtbank tot de vaststelling dat reeds vóór de bemoeienis van [gedaagde sub 1] er samenwerkingsproblemen bestonden binnen de gehele maatschap, waaronder in het cluster waarbinnen [Specialist 1] en [eiser] samen functioneerden.

3.7.

De opdracht aan [organisatieadviesbureau 1] was om te begeleiden naar een goed functionerende maatschap. Aan het einde van die begeleiding is de samenwerking van de maatschap met zowel [Specialist 1] als [eiser] geëindigd. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat dat resultaat niet was wat van te voren door één van de betrokken actoren was beoogd. De beëindiging van de maatschapsovereenkomst met [eiser] en de gronden daarvoor zijn in een eerdere procedure getoetst en de rechtmatigheid daarvan staat vast.

3.8.

Anders dan [eiser] komt de rechtbank niet tot het oordeel dat de aan [gedaagde sub 1] verweten gedragingen in een oorzakelijk verband staan met de beëindiging van de maatschapsovereenkomst.

De taxatiebrief van 14 november 2011 en daaraan voorafgaand de evaluatie van 3 november 2011 volgen op de (niet in geschil zijnde) conclusie van [organisatieadviseur X] dat uiteindelijk, ondanks alle inspanningen, het ontwikkelingsproces onvoldoende had opgeleverd, dat het cluster in die samenstelling geen ‘winning team’ zou worden en dat besluiten van buitenaf nodig waren om een oplossing te forceren. De taxatie van [gedaagde sub 1] sluit aan bij hetgeen [organisatieadviseur X] heeft geconcludeerd en bevat geen andere analyse van de situatie zoals die bestond en ook geen suggesties ten aanzien van de aanbevolen ‘besluiten van buitenaf’. Wat wel nieuw is aan de taxatiebrief, is de gemotiveerde inschatting van [gedaagde sub 1] wat zou gebeuren als niet zou worden ingegrepen. Die inschatting voor de toekomst maakt de situatie zoals die op dat moment binnen het cluster bestond echter niet anders en verandert ook niets aan de reeds bestaande aanbeveling om maatregelen te nemen. De urgentie bij het maatschapsbestuur om op te treden zal voorts zijn gevoed door de gezamenlijke brief van de raad van bestuur en de stafvoorzitter van 22 december 2011, waarin het bestuur van de maatschap wordt gemaand met een oplossing te komen en tot die tijd het verscherpte toezicht op de maatschap gehandhaafd blijft. Niet is onderbouwd dat het handelen van [gedaagde sub 1] daarop van invloed is geweest.

3.9.

De maatschap heeft vervolgens op 16 februari 2012 unaniem een geschil vastgesteld en het besluit genomen om door middel van externe advisering te trachten dat geschil op te lossen, waarbij ofwel de problematiek ten aanzien van respectievelijk [eiser] en [Specialist 1] op zeer afzienbare termijn aantoonbaar oplosbaar moest blijken op een wijze die vertrouwen gaf voor de toekomst, ofwel de maatschapsovereenkomst met [eiser] respectievelijk [Specialist 1] zou worden beëindigd. Gemandateerd door de maatschap heeft het bestuur van de maatschap een opdracht aan [organisatieadviesbureau 2] geformuleerd die sterk aansluit bij de bewoordingen die zijn gebruikt bij de vaststelling van het geschil. [eiser] verwijt [gedaagde sub 1] dat hij de maatschap heeft begeleid bij dit proces waarin, zo heeft het scheidsgerecht Orde Medisch Specialisten geoordeeld, een aantal procedurele onzorgvuldigheden zich hebben voorgedaan. Ook op dit punt bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende oorzakelijk verband tussen het optreden van [gedaagde sub 1] en de beëindiging van de maatschapsovereenkomst. Die beëindiging was immers, zo heeft het scheidsgerecht overwogen, redelijkerwijs onontkoombaar, gelet op de bestaande vertrouwensbreuk. De procedurele onzorgvuldigheden zijn daarmee, zo is vastgesteld, niet de oorzaak geweest van de beëindiging van de maatschapsovereenkomst. De begeleiding van het maatschapsbestuur door [gedaagde sub 1] vormt daarmee evenmin een oorzaak, nog daargelaten of de begeleiding door [gedaagde sub 1] in die fase zodanig was dat hem een rechtens relevant verwijt zou kunnen worden gemaakt van de wijze van optreden door de maatschap, hetgeen [gedaagde sub 1] betwist.

3.10.

Ook tussen de verklaring van [gedaagde sub 1] in het onderzoek door [organisatieadviesbureau 2] en de beëindiging van de maatschapsovereenkomst bestaat geen oorzakelijk verband. [organisatieadviesbureau 2] heeft gerapporteerd dat het bestuur van de maatschap unaniem van mening is dat er een ernstig samenwerkingsprobleem is tussen [eiser] en de maatschap en dat niet verwacht mag worden dat [eiser] zijn gedrag en wijze van communiceren en samenwerken aantoonbaar en op zeer afzienbare termijn zal veranderen. [organisatieadviesbureau 2] rapporteert vervolgens dat alle andere geïnterviewden, onder wie [gedaagde sub 1] , die zienswijze en conclusie delen, met uitzondering van [eiser] . [organisatieadviesbureau 2] heeft daarop geconcludeerd dat niet te verwachten is dat de samenwerking tussen [eiser] en de maatschap op korte termijn zal normaliseren, juist vanwege het feit dat – kort gezegd – iedereen problemen ervaart, behalve [eiser] , die dan ook niet genegen is om zijn gedrag aan te passen. Uit de rapportage van [organisatieadviesbureau 2] blijkt niet dat de verklaring van [gedaagde sub 1] voor deze conclusie van groter belang is geweest dan hierboven geschetst, namelijk slechts van ondersteunende aard.

3.11.

Ten aanzien van het doorsturen van de e-mailwisseling na de vergadering van 19 oktober 2011 als ook de brief van 28 november 2011 van de raad van bestuur stelt [eiser] niet dat of in hoeverre dit het verdere verloop van zaken heeft beïnvloed. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat dit een factor van betekenis is geweest in de aanloop naar de beëindiging van de maatschapsovereenkomst. Alle losse gedragingen die [eiser] [gedaagde sub 1] verwijt, staan aldus niet in oorzakelijk verband met de beëindiging. Ook tezamen en in onderling verband bezien, bestaat dat causale verband naar het oordeel van de rechtbank niet.

3.12.

Het ontbreken van oorzakelijk verband heeft tot gevolg dat [gedaagde sub 1] niet aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. De vordering jegens [gedaagde sub 1] tot vergoeding van het maatschapsaandeel dient te worden afgewezen. Ook de gevorderde verklaring voor recht zal jegens [gedaagde sub 1] worden afgewezen. Daartoe wordt overwogen dat de gevorderde verklaring voor recht, voor zover die ziet op de aansprakelijkheid, moet worden afgewezen omdat geoordeeld is dat aansprakelijkheid ontbreekt. Voor zover de gevorderde verklaring voor recht ziet op verkrijging van een declaratoire beslissing over de onrechtmatigheid, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] daarbij onvoldoende belang heeft, gelet op hoe is geoordeeld over de schade.

3.13.

De vraag of [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld, kan aldus onbesproken blijven.

3.14.

De vorderingen jegens het ziekenhuis veronderstellen aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] . Nu is geoordeeld dat [gedaagde sub 1] niet aansprakelijk is, zullen de vorderingen jegens het ziekenhuis eveneens worden afgewezen.

3.15.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Bij begroting van de proceskosten neemt de rechtbank als uitgangspunt dat het geldelijk belang van de zaak gelijk is aan hetgeen [eiser] in de procedure jegens de maatschap heeft gevorderd terzake inkomensverlies, derhalve € 780.000,=. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis worden daarmee begroot op:

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 5.768,00

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis tot op heden begroot op € 5.768,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink, mr. Schoenmakers en mr. van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2015.