Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6967

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
C/02/294266 / HA ZA 15-75
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bank verstrekt levering aan vennootschap, gedaagde stelt zich borg voor een deel van de lening. De vennootschap gaat failliet en de bank spreekt gedaagde aan op grond van de borgstelling. Gedaagde beroept zich op schending van de zorgplicht van de bank jegens de vennootschap. In de borgstellings-overeenkomst is dit beroep uitgesloten. De rechtbank gaat na of de zorgplicht jegens de vennootschap is geschonden. Rechtbank overweeg dat het borgtocht is met zakelijk motief. Conclusie is dat gedaagde voldoende op de hoogte was van de risico's en de bank aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2710
RF 2016/40
INS-Updates.nl 2016-0024
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/294266 / HA ZA 15-75

Vonnis van 7 oktober 2015

in de zaak van

naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. de Waard te Goes.

Partijen zullen hierna ING en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 april 2015,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 juli 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is op 1 april 2003 in dienst getreden bij SKM B.V. (hierna SKM).

2.2.

In 2008 heeft [gedaagde] het aanbod gekregen om te participeren in SKM. Ten behoeve van deze participatie heeft [gedaagde] op 21 juli 2008 Kaline Holding B.V. (hierna Kaline) opgericht.

2.3.

Vanaf april 2009 heeft ING de gehele financiering van SKM overgenomen.

2.4.

Vervolgens heeft [gedaagde] in 2009 bij ING financiering verzocht ten behoeve van zijn participatie via Kaline in SKM.

2.5.

In een e-mail van 31 augustus 2009 heeft [naam werknemer] van ING de volgende informatie bij [gedaagde] opgevraagd:

  • -

    Statuten Kaline Holding BV

  • -

    Statuten SKM BV

  • -

    Te verpanden overlijdensrisicoverzekering

  • -

    Tussentijdse cijfers van SKM BV tot bijvoorbeeld 1-8-2009

  • -

    Opdrachten/orderverwerking 2009

  • -

    Prognose/begroting voor rest van het jaar

[gedaagde] heeft de gevraagde informatie aangeleverd.

2.6.

Door ING is medio oktober 2009 een offerte verstrekt voor de financiering aan Kaline. Aan deze offerte was een staatsgarantie gekoppeld door middel van een borgstellingskrediet. De kosten die verbonden waren aan het borgstellingskrediet zijn voldaan. Op basis van deze overeenkomst is geen krediet verstrekt.

2.7.

Vervolgens is door ING een tweede offerte voor de financiering aan Kaline verstrekt door middel van een rentevastlening. Deze offerte is op 6 november 2009 namens Kaline door [gedaagde] ondertekend.

2.8.

Op 6 november 2009 heeft [gedaagde] tevens een akte van borgtocht, genaamd borgakte, ondertekend. [gedaagde] heeft zich borg gesteld voor Kaline tot een bedrag van € 50.000,00.

2.9.

Op 8 juni 2012 is SKM in staat van faillissement verklaard.

2.10.

Per brief van 8 augustus 2012 heeft ING de kredietovereenkomst met Kaline opgezegd en het krediet opgeëist.

2.11.

Kaline heeft niet aan haar betalingsverplichting uit de kredietovereenkomst voldaan. Bij brief van 14 november 2012 heeft ING [gedaagde] aangesproken uit hoofde van de borgtochtovereenkomst.

2.12.

ING heeft [gedaagde] diverse malen gesommeerd de borgsom te betalen.

3 Het geschil

3.1.

ING vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan ING te betalen:

  • -

    een bedrag in hoofdsom ad € 50.000,00, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    een bedrag ad € 1.275,00 wegens buitengerechtelijke kosten;

  • -

    de kosten van deze procedure alsmede in de nakosten ad €131,00 dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, ad € 199,00, met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

ING stelt daartoe dat zij d.d. 6 november 2009 met Kaline een rentevastlening heeft afgesloten ter hoogte van € 100.000,00. [gedaagde] heeft zich bij overeenkomst van 6 november 2009 borg gesteld voor hetgeen Kaline schuldig mocht worden aan ING, tot een bedrag van € 50.000,00. Op 8 juni 2012 is de dochteronderneming van Kaline, SMK, in staat van faillissement verklaard. Kaline was vrijwel geheel afhankelijk van de inkomsten die werden gegenereerd uit de deelneming in SKM. Omdat Kaline het krediet niet terugbetaalde is [gedaagde] uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst tot het bedrag van € 50.000,00 aansprakelijk. [gedaagde] is nalatig gebleven in de betaling van de borgsom. Als gevolg van deze wanprestatie lijdt ING vermogensschade bestaande uit buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van ING in haar vordering, althans deze vordering af te wijzen met veroordeling van ING in de proceskosten. [gedaagde] stelt daartoe dat ING haar substantieringsplicht heeft geschonden. ING heeft haar eigen stellingen slechts summier weergegeven en is voorbijgegaan aan het door [gedaagde] gevoerde verweer. Verder stelt [gedaagde] dat ING in eerste instantie aan Kaline een financiering had aangeboden voorzien van een borgstellingskrediet. Dit blijkt uit de offerte van 27 april 2009. Ten behoeve van dit borgstellingskrediet heeft [gedaagde] een bedrag van € 3.600,00 voldaan als borgstellingsprovisie. Vervolgens is door ING echter op basis van een tweede offerte een overeenkomst gesloten en een krediet beschikbaar gesteld, zonder borgstellingskrediet. [gedaagde] stelt dat hij de borgstellingsprovisie ten onrechte heeft voldaan en doet een beroep op verrekening. Tot slot stelt [gedaagde] dat ING haar zorgplicht heeft geschonden. ING had Kaline en [gedaagde] moeten informeren over de financiële positie van SKM. ING had meer informatie moeten inwinnen, alvorens tot financiering aan Kaline over te gaan.

4 De beoordeling

Schending substantieringsplicht

4.1.

Het verweer dat ING niet heeft voldaan aan haar substantieringsplicht slaagt niet. Op grond van artikel 111 lid 3 Rv volgt op het niet voldoen aan de substantieringsplicht niet de sanctie van nietigheid. Nu [gedaagde] zelf in de gelegenheid is geweest in zijn conclusie van antwoord en ter comparitie zijn verweren toe te lichten, is hij niet in zijn belangen geschaad.

Het beroep op verrekening

4.2.

Het beroep op verrekening zal worden afgewezen. Aangezien het een financiering aan Kaline betreft ligt het niet voor de hand dat [gedaagde] in persoon de provisie heeft voldaan. Aangenomen moet worden dat [gedaagde] de provisie ten behoeve van Kaline heeft betaald. Verrekening met een schuld van [gedaagde] aan ING is alleen al om die reden niet aan de orde.

Schending zorgplicht

4.3.

De stelling van ING dat [gedaagde] zich niet op schending van de zorgplicht door ING jegens Kaline kan beroepen omdat dit in de algemene voorwaarden van de borgstellingsovereenkomst is uitgesloten, is door [gedaagde] niet betwist. Bij de beoordeling zal dan ook alleen de vermeende schending van de zorgplicht jegens [gedaagde] worden besproken.

4.4.

Hoewel, zoals uit de tekst van de borgtochtakte blijkt, er sprake is van een particuliere borgstelling, dient in verband met de invulling van de zorgplicht van de bank ook gekeken te worden naar het motief dat achter de afgegeven borgstelling ligt. [gedaagde] heeft Kaline opgericht om daarmee deel te nemen in SKM. [gedaagde] heeft voor Kaline financiering aangevraagd bij ING. Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat er geen sprake is van een zuiver particuliere borgtocht die gesloten is op grond van de persoonlijke relatie van [gedaagde] met Kaline, maar een borgtocht met een zakelijk motief. Aangezien er sprake is van een borgtocht met een zakelijk motief, gaat de zorgplicht van ING minder ver dan bij een zuiver persoonlijke borgtocht.

4.5.

Al bij zijn indiensttreding in 2003 bij SKM heeft [gedaagde] de wens uitgesproken op termijn deel te willen nemen in SKM, zo heeft hij ter comparitie verklaard. In 2008 is een begin gemaakt met de deelname van [gedaagde] in SKM. Hieruit volgt dat [gedaagde] gedurende een periode van vijf jaar de tijd had SKM te leren kennen en zich voor te bereiden en te oriënteren op zijn latere deelname in SKM. Uiteindelijk is in 2008 gestart met het traject tot deelname en in 2009 heeft [gedaagde] contact gezocht met ING in verband met de financiering. ING heeft ter beoordeling van de financieringsaanvraag diverse informatie opgevraagd bij [gedaagde] , zoals onder de feiten vermeld.

4.6.

Aangezien [gedaagde] zich ruim voor de borgstelling heeft verdiept, althans zich heeft kunnen verdiepen, in de inkoop bij SKM, mocht ING ervan uit gaan dat [gedaagde] op de hoogte was van de financiële situatie van SKM toen hij de borgtochtovereenkomst sloot. De door ING gevraagde informatie is door [gedaagde] zelf aangeleverd. ING mocht er dan ook vanuit gaan dat [gedaagde] zelf over deze informatie beschikte en heeft meegenomen in zijn beslissing om via Kaline deel te nemen in SKM en zich borg te stellen voor de financiering aan Kaline.

4.7.

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden volgt dat ING [gedaagde] niet nader hoefde te informeren over de financiële situatie bij SKM. Het standpunt van [gedaagde] dat ING al te lichtvaardig de financiering aan Kaline heeft verstrekt, ziet op een mogelijke schending van de zorgplicht door ING jegens Kaline. Gezien hetgeen is overwogen in overweging 4.3. behoeft dit standpunt geen nadere bespreking. Er is geen sprake van schending van de zorgplicht door ING jegens [gedaagde] . De vordering van ING zal, inclusief de gevorderde wettelijke rente vanaf datum dagvaarding, worden toegewezen.

4.8.

ING maakt tevens aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten worden aan de zijde van ING tot op heden begroot op:

- griffierecht € 1.909,00

- kosten dagvaarding € 96,16

- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten x tarief IV € 894,00)

Totaal € 3.793,16

4.10.

De nakosten, waarvan ING betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan ING van een bedrag van

€ 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan ING van een bedrag van € 1.275,00 wegens buitengerechtelijke kosten;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 3.793,16, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, volgens het toepasselijke liquidatietarief begroot op een bedrag van € 131,00, en, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan dit vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met een bedrag van € 68,00;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende – Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2015.1

1 ls