Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6889

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
02/821589-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

doodslag, poging doodslag, forensisch bewijs, alternatieve scenario’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/821589-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [adres 2] ,

raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 23 juli 2015 en 13 oktober 2015, waarbij de officier van justitie mr. M.H.A. Paapen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 november 2014 te Terneuzen

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat

opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met (een) vuurwapen(s)

meerdere althans (een) kogel(s) in het lichaam en/of in de richting van het

lichaam van die [slachtoffer 1] afgevuurd;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 30 november 2014 te Terneuzen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te

beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met (een) vuurwapen(s) meerdere althans (een) kogel(s) in het lichaam en/of in

de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 30 november 2014 te Terneuzen een of meer wapens van

categorie III, te weten een revolver, en/of munitie van categorie III, te

weten meerdere, althans (een) patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd, met dien verstande dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor voorbedachten raad en medeplegen. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van [slachtoffer 2] en [naam neef] , alsmede op het forensisch bewijs.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie acht, gelet op de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gepoogd [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Voor dit feit bevat het dossier eveneens onvoldoende bewijs voor medeplegen en voorbedachten raad.

Ten aanzien van feit 3

Gezien de bewijsmiddelen voor de feiten 1 en 2 kan ook dit feit wettig en overtuigend worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 3

Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. De verdediging gaat ervan uit dat verdachte het wapen ooit heeft aangeraakt. Niet is aan te tonen hoe en op welk moment het DNA van verdachte op het vuurwapen is gekomen. Voorts is niet aangegeven waar op de kolfplaten van het vuurwapen het DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat het wapen daadwerkelijk op 30 november 2014 in het bezit is geweest van verdachte. Verder zou op de trekker juist DNA van verdachte worden verwacht als hij de schutter was geweest, maar daar is het niet aangetroffen. De overige DNA-sporen op het vuurwapen geven geen zekerheid over de aanwezigheid van het DNA van verdachte. Het enkele oprapen en meteen wegwerpen van het wapen is volgens aangehaalde jurisprudentie onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van dat wapen te kunnen komen.

Onduidelijk is bovendien of twee van de drie op straat gevonden kogels zijn afgevuurd met het aangetroffen vuurwapen. Het rapport hierover is verwarrend en dient gepasseerd te worden. Alleen [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij verdachte met een vuurwapen heeft gezien. Los van de unus testis, nullus testis-regel, kan uit de getuigenverklaring van [slachtoffer 2] niet worden afgeleid dat hij een revolver heeft gezien. [slachtoffer 2] heeft weliswaar eerder verklaard dat hij bij [naam neef] een vuurwapen had gezien, maar hij heeft de overdracht van enig wapen aan verdachte niet gezien. Daarbij komt dat [slachtoffer 2] om diverse redenen als een onbetrouwbare getuige moet worden aangemerkt.

Op grond van het voorgaande wordt vrijspraak ten aanzien van feit 3 bepleit.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Gelet op hetgeen is bepleit met betrekking tot feit 3 is het onzeker of met het aangetroffen wapen ook geschoten is op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Mogelijk was er een tweede revolver. Gelet op de verklaring van [getuige 1] is het mogelijk dat dit tweede wapen uit het tasje van [slachtoffer 1] kwam. Onduidelijk in deze scenario’s is of er geworsteld is, gevochten om het wapen en wie er heeft geschoten. Werd verdachte bedreigd en pakte hij het wapen af of schoot [slachtoffer 1] op [slachtoffer 2] en schoot [slachtoffer 2] in de mogelijke kluwen op [slachtoffer 1] ? Er is net zo min bewijs voor deze stellingen als voor de stelling dat verdachte met enig wapen heeft geschoten. Ook voor deze feiten wordt daarom vrijspraak bepleit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

Sinds langere tijd is in Terneuzen sprake van een vete tussen twee rivaliserende groepen, hoofdzakelijk bestaande uit Antillianen. Deze twee groepen bestaan uit onder meer de familie [familienaam 1] aan de ene zijde en onder andere [familienaam 2] aan de andere zijde. Bij eerdere confrontaties tussen leden van deze groepen werd (grof) geweld niet geschuwd, zoals ook blijkt uit het vonnis van deze rechtbank van 21 juli 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:5024). Het onderhavige incident lijkt, gelet op de betrokken personen en de stukken in het dossier, alsmede op de bijlagen 1 en 2 van de pleitnotitie (stukken met betrekking tot een gewelddadig incident tussen verdachte en [slachtoffer 2] op 4 november 2014), uit deze vete voort te vloeien.

4.3.2

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van feit 1 1

Verklaringen en bevindingen

In de nacht van 30 november 2014 zijn verdachte en [naam neef] , maar ook [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit geweest in Terneuzen. Op enig moment zijn verdachte en [naam neef] met getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] over de Burgemeester Geillstraat in de richting van de Markt gelopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn in dezelfde richting gelopen, maar via de winkelstraat, de Noordstraat. Op een gegeven moment zijn de twee groepen elkaar in de Burgemeester Geillstraat tegen gekomen. Verdachte en zijn neef [naam neef] enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds hebben ruzie met elkaar gekregen. De getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] zijn op enige afstand van deze vier personen gebleven. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat tijdens deze verbale ruzie de hand van [naam neef] opeens naar diens broeksband is gegaan en dat [slachtoffer 2] toen een vuurwapen heeft gezien bij [naam neef] . Daarop heeft [slachtoffer 2] zijn mes getrokken en [naam neef] in zijn keel gestoken. Volgens [slachtoffer 2] waren [slachtoffer 1] en verdachte toen nog samen in discussie. Kort na het steekincident zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weggelopen en bij café [naam café] rechtsaf de Havenstraat in gelopen.

[slachtoffer 2] heeft over hetgeen daarna gebeurde het volgende verklaard. Op het moment dat hij en [slachtoffer 1] net vóór de Brouwerijstraat liepen en ter hoogte van het Griekse restaurant in de Havenstraat stonden, kwam verdachte een steeg uit en dook achter hen op. Verdachte schreeuwde iets en schoot daarna twee keer op [slachtoffer 1] . De afstand tussen hen en verdachte was ongeveer drie meter. [slachtoffer 2] is weggerend en hoorde vervolgens nog drie schoten. Door het eerste schot werd hij zelf geraakt. Op de kruising van de Havenstraat met de Noordstraat is hij linksaf geslagen. Toen hij omkeek zag hij verdachte niet meer. Bij de VVV heeft hij zijn mes weggegooid.2

[naam neef] heeft verklaard dat hij pas nadat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren weggelopen in de gaten had dat hij een verwonding aan zijn hals had. Bij het terras van café [naam café] werd hij misselijk en is hij op zijn hurken gaan zitten. Hij voelde toen een gaatje in zijn hals. Hij heeft dit tegen verdachte verteld. Hij probeerde op te staan en hoorde een knal van een pistoolschot. Hij is toen weggerend in de richting waar ze eerder vandaan kwamen. Hij was op dat moment verdachte kwijt. Die kwam toen aangerend en zei tegen [naam neef] dat ze moesten blijven rennen. Op een gegeven moment is [naam neef] tegen een muurtje gaan zitten.3

De politie heeft, nadat zij omstreeks 04:15 uur de schoten had gehoord, twee mannen zien wegrennen vanuit de richting van de Havenstraat de Burgemeester Geillstraat in. Eén van de mannen had een rode jas aan.4 Ook getuige [getuige 4] heeft dit gehoord en gezien en zij heeft verklaard dat de man met de rode jas een donkere huidskleur had.5 De politie is achter deze twee mannen aan gegaan en heeft hen aangetroffen aan op de kruising van de Burgemeester Geillstraat met de Walstraat. De mannen bleken verdachte en [naam neef] te zijn.6

Getuige [getuige 2] heeft eveneens verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de richting van café

[naam café] zijn weggelopen en dat ze de Havenstraat in liepen, nadat [naam neef] was gestoken. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat hij zag dat verdachte vervolgens in looppas achter [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan liep, in de richting van [naam café] .7 [naam neef] bleef volgens [getuige 2] achter op de Burgemeester Geillstraat.8 Enkele seconden nadat hij verdachte had zien wegrennen hoorde [getuige 2] vier à vijf schoten.9

Getuige [getuige 1] heeft verklaard over de ruzie tussen de vier mannen en dat het op een gegeven moment leek alsof het klaar was. De afstand tussen de twee duo’s was groot en ze liepen rustig richting de Markt. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] liepen ter hoogte van de Smidswal en verdachte en [naam neef] liepen op enige afstand daar achter. Verdachte ging volgens [getuige 1] ineens sneller lopen. Vanaf dat moment kon [getuige 1] de mannen niet meer zien. Kort daarna hoorde [getuige 1] een harde knal en daarna nog vijf à zes knallen.10

Omstreeks 04:35 uur werd door de Gemeenschappelijke Meldkamer Zeeland gemeld dat er in de Brouwerij een persoon levenloos op zijn buik lag. De politie is ter plaatse gegaan en heeft halverwege de Brouwerijstraat een persoon aangetroffen. Eén van de verbalisanten herkent de persoon als de hem ambtshalve bekende [slachtoffer 1] . Een huisarts is ter plaatse gekomen en heeft om 04:59 uur de dood van [slachtoffer 1] vastgesteld.11

Op een plat schuurdak op de kruising Scheldekade – Walstraat werd op 30 november 2014 omstreeks 15:00 uur een revolver aangetroffen.12 Dit schuurdak is gelegen bijna recht boven de plaats waar [naam neef] werd aangetroffen door de politie.13

Resultaten forensisch onderzoek

Tijdens de sectie aan het lichaam van [slachtoffer 1] zijn twee inschoten in de rug geconstateerd. Het overlijden wordt volgens de patholoog verklaard door opgetreden orgaanfunctiestoornissen en substantieel bloedverlies ten gevolge van deze twee inschoten.14

Uit het lichaam van [slachtoffer 1] zijn drie kogelprojectielen verwijderd en overgedragen aan het team Forensische Opsporing. Hieraan zijn de spooridentificatienummers (SIN) AAHD0255NL, AAHD0256NL en AAHD0257NL gegeven.15

Tijdens het sporenonderzoek in de Havenstraat en de Noordstraat zijn op straat drie gedeformeerde kogels aangetroffen, zijnde spoornummers 5 (SIN: AAHF6552NL), 7 (SIN: AAHF6551NL) en 8 (SIN: AAHF6550NL).16

In het cellencomplex is na zijn arrestatie bij [slachtoffer 2] onder meer een kogel (SIN: AAHN5608NL) in beslag genomen.

De op het schuurdak aangetroffen revolver is onderzocht door het NFI. Deze revolver heeft de opschriften en de uiterlijke kenmerken van een revolver van het merk Smith & Wesson, kaliber .357 Magnum. Patronen van het kaliber .38 Special kunnen ook met deze revolver verschoten worden.17

Gezien de massa’s en de uiterlijke kenmerken passen de ‘straatkogels’ en de kogel in beslag genomen onder [slachtoffer 2] het best bij de kalibers .38 Special en .357 Magnum. 18+ 19

Ook de kogels AAHD0255NL en AAHD0257NL uit het lichaam van [slachtoffer 1] passen het best bij de kalibers .38 Special en .357 Magnum.20

Het NFI heeft onderzocht of de aangetroffen kogels of kogeldelen zijn afgevuurd uit de op het schuurdak aangetroffen revolver.

Van de ‘straatkogels’ was de kogel met SIN AAHF6550NL niet geschikt voor vergelijkend kogelonderzoek. Voor de kogel AAHF6551NL geldt dat de bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek minimaal veel waarschijnlijker zijn wanneer deze is afgevuurd uit de loop van de aangetroffen revolver dan wanneer deze afgevuurd uit de loop van een andere revolver van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van de revolver.

Voor de kogel AAHF6552NL geld dat de bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek minimaal zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van de aangetroffen revolver dan wanneer deze zou zijn afgevuurd uit de loop van een andere revolver van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van de revolver.21

Van de kogeldelen uit het lichaam van [slachtoffer 1] kon aan één kogeldeel (looddeel, AAHD0256NL) geen vergelijkend onderzoek worden uitgevoerd. Voor de twee overige kogeldelen uit het lichaam van [slachtoffer 1] geldt dat de bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogels zijn afgevuurd uit de aangetroffen revolver dan wanneer de kogels zouden zijn afgevuurd uit twee andere lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van de revolver.

Op de kogel die onder [slachtoffer 2] in beslag is genomen zijn geen bruikbare individuele sporen meer aanwezig, zodat geen vergelijkend onderzoek is uitgevoerd aan de kogel.22

Aan de aangetroffen revolver is DNA-onderzoek verricht. De verkregen DNA-profielen zijn vergeleken met de referentie DNA-profielen van verdachte, [naam neef] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Op de linker- en rechterkolfplaten is een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan het hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte.

Verder zijn op de haan, de trekker en de beugel bij de trekker DNA-mengprofielen aangetroffen en is verdachte niet uitgesloten als donor daarvan. Verder kan verdachte donor zijn van het DNA-mengprofiel dat is aangetroffen op de trommel en het knopje van de trommel.23

In het forensisch dossier is een plattegrond ‘Noordstraat_Havenstraat_Brouwerijstraat’ opgenomen. Op deze plattegrond is een groot deel van de aangetroffen sporen opgenomen, aangegeven met spoornummers, inclusief de daaraan toegewezen SIN’s.24 Uit onderzoek van het TMFI is gebleken dat de spoornummers 11, 15, 16 en 17 – alle bloedmonsters en aangetroffen in de Burgemeester Geillstraat – bloed van [naam neef] betreffen.25

Nadere overwegingen in verband met de verklaringen en bevindingen en de resultaten van het forensisch onderzoek

De rechtbank gaat uit van het scenario zoals dat blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 2] , voor zover het betreft de gang van zaken nadat hij [naam neef] heeft gestoken en hij met [slachtoffer 1] wegliep in de richting van café [naam café] . Zijn verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 2] en ook de verklaringen van [getuige 1] en [naam neef] passen daarbij. Voorts wordt de verklaring ondersteund door forensisch bewijs, te weten het DNA van verdachte op het vuurwapen en de onderzoeksresultaten inhoudende dat het – kortgezegd – meer dan waarschijnlijk is dat twee kogels uit het lichaam van [slachtoffer 1] en twee kogels aangetroffen op straat zijn verschoten met dat vuurwapen. De bevindingen tijdens de sectie dat in de rug van [slachtoffer 1] twee inschotverwondingen zijn aangetroffen past bij de verklaring van [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 1] in de rug werd geschoten. Het gepresenteerde alternatieve scenario dat de schoten zouden zijn gelost tijdens een worsteling past niet bij inschotverwondingen in de rug.

Ten slotte hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid dat op de plaatsen waar verdachte heeft gelopen nadat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren weggelopen van de [familienaam 1] – vooral het stuk van café [naam café] richting de Havenstraat - geen bloed is aangetroffen van [naam neef] , en dat dit bloed wel is aangetroffen op de plaats waar [naam neef] naar eigen zeggen is achtergebleven, en op de route in de richting van de kruising van de Burgemeester Geillstraat en de Walstraat, waar [naam neef] en ook verdachte in de nacht van 30 november 2014 zijn aangetroffen door de politie. Ook dit ondersteunt de verklaring van [slachtoffer 2] dat het verdachte was die hen achterna kwam. Het ondersteunt in ieder geval niet het alternatieve scenario dat het [naam neef] was die achter [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is aangerend in plaats van verdachte.

De rechtbank ziet in de door de raadsman aangevoerde standpunten in verband met getuige [slachtoffer 2] geen aanleiding om hem te kwalificeren als onbetrouwbare getuige. Het feit dat er door verdachte aangiftes tegen [slachtoffer 2] zijn gedaan bevestigt dat er een vete bestaat tussen de twee groepen zoals omschreven onder 4.3.1. Voorts maakt het feit dat [slachtoffer 2] diverse politiecontacten heeft gehad niet dat hij op voorhand als onbetrouwbare getuige moet worden aangemerkt. Dit geldt met name niet nu zijn verklaring over de gebeurtenissen op 30 november 2014 vanaf het moment van het steken van [naam neef] grotendeels wordt ondersteund door ander bewijs in het dossier, zoals hierboven al verwoord.

In de omstandigheid dat het vuurwapen nat is geworden door de regenval op het moment van aantreffen ervan ziet de rechtbank geen aanleiding om de resultaten van het DNA-onderzoek aan het vuurwapen in twijfel te trekken, althans om daarin aanleiding te zien voor een ander scenario dan waarover door [slachtoffer 2] is verklaard. De rechtbank wijst hiertoe op het TMFI-rapport d.d. 30 september 2015, waarin door de deskundige is verwoord dat het gegeven dat het wapen op een natte ondergrond heeft gelegen en in de regen heeft gelegen geen invloed heeft op de getrokken conclusies ten aanzien van het aangetroffen DNA op het vuurwapen. De enkele mogelijkheid van stapelen en wegspoelen van DNA maakt niet dat daarmee het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario dat [naam neef] , althans een ander dan verdachte, de schutter was aannemelijk is gemaakt.

Uit het rapport betreffende DNA-onderzoek aan het vuurwapen blijkt niet precies op welke plaatsen het vuurwapen is geswabd. De rechtbank acht hiertoe echter van belang dat, hoewel de DNA-profielen van alle vier de betrokken mannen is ingestuurd, alleen het DNA-profiel van verdachte op het vuurwapen is aangetroffen, en er geen match is geweest met het DNA-profiel van [naam neef] . Als [naam neef] het vuurwapen zou hebben gehanteerd als schutter zou in het in de lijn der verwachting liggen dat op geswabde delen van het vuurwapen, ongeacht waar precies op het vuurwapen dat is geweest, DNA-materiaal van hem zou zijn aangetroffen.

Het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario, dat het [naam neef] is geweest die heeft geschoten, wordt door deze bewijsmiddelen derhalve weersproken. Nu dit scenario evenmin door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund, is het naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden.

De rechtbank ziet in de door de raadsman aangehaalde passages uit het onderzoeksrapport met betrekking tot de ‘straatkogels’ AAHF6551NL en AAHF6552NL in samenhang met de waarschijnlijkheidsconclusies die ten aanzien van die kogels in het rapport worden verwoord geen tegenstrijdigheden. De interpretatie van de resultaten van de kogels hangt samen met de waarschijnlijkheidstabel, zoals ook weergegeven op pagina 378 van het forensisch dossier en op de website van het NFI (www.forensischinstituut.nl), welke interpretatie tot uitdrukking komt in de conclusies ten aanzien van beide kogels zoals weergegeven in het onderzoeksrapport (voetnoot 18).

Op grond van het hiervoor overwogene is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de fatale schoten op [slachtoffer 1] heeft gelost.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft geschoten, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Voorbedachte raad

Uit het dossier komt naar voren dat er in het kader van de hierboven onder 4.3.1 omschreven vete al diverse confrontaties hadden plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] , waarbij het laatste incident plaatsvond ongeveer drie weken vóór 30 november 2014. Ook in de nacht van 30 november 2014 kwam het tussen hen weer tot een ruzie, waarbij nu ook [naam neef] en [slachtoffer 1] waren betrokken. Er ging een dreiging uit van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , omdat [slachtoffer 1] volgens getuigen steeds met zijn hand in zijn zogenoemde pipatasje zat waardoor de indruk bestond dat hij een wapen bij zich droeg. Ook verdachte en [naam neef] lieten zich volgens de getuigen verbaal niet onbetuigd.

Bij deze ruzie raakte op enig moment [naam neef] door een messteek van [slachtoffer 2] gewond aan zijn nek. [naam neef] merkte pas even later toen hij ter hoogte van café

[naam café] stond dat hij gewond was. Op dat moment waren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] net weggelopen. [naam neef] heeft toen tegen verdachte verteld dat hij gewond was. Verdachte, die al meermalen gewelddadig door [slachtoffer 2] was bejegend en die van [naam neef] hoorde dat hij door [slachtoffer 2] was gestoken, is in die gemoedstoestand met een vuurwapen achter [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan gerend en heeft op hen geschoten.

Voor voorbedachte raad is vereist dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Gelet op de beschreven situatie gaat de rechtbank er van uit dat verdachte genoemde gelegenheid niet heeft gehad en dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Er is dan ook geen sprake geweest van voorbedachte raad zodat verdachte van het onderdeel ‘na kalm beraad en rustig overleg’ zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen zoals onder 4.4 weergegeven.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen. Uit de hierboven gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het verdachte was die op 30 november 2014 heeft geschoten, te weten de verklaring van [slachtoffer 2] , het DNA van verdachte op het vuurwapen en de bevindingen ten aanzien van de ‘straatkogels’ dat het – kortgezegd – meer dan waarschijnlijk is dat deze uit het vuurwapen zijn afgevuurd.

Daarnaast bevat het dossier ten aanzien van feit 2 de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij door een door verdachte afgevuurde kogel gewond is geraakt26. Deze verklaring wordt ondersteund door onderzoek verricht op 29 december 2014 bij [slachtoffer 2] , bestaande uit foto’s van het letsel en een medische verklaring hierover dat de bij [slachtoffer 2] waargenomen letsels het gevolg kunnen zijn van schotwonden.27 De plaatsen waar de ‘straatkogels’ zijn aangetroffen acht de rechtbank eveneens ondersteunend voor de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij, nadat op [slachtoffer 1] was geschoten, in de Havenstraat richting de Noordstraat rende terwijl op hem werd geschoten. Vooral de kogels met spoornummers 5 en 7 passen hierbij, omdat deze zijn aangetroffen in de Havenstraat richting de Noordstraat voorbij de Brouwerijstraat waar [slachtoffer 1] is aangetroffen, en in de Noordstraat. Aangezien [slachtoffer 1] , nadat op hem was geschoten, de Brouwerijstraat in is gegaan, moeten de kogels met spoornummers 5 en 7 gericht zijn geweest op [slachtoffer 2] .28 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij na het schietincident in het centrum met de auto is opgehaald door [naam 1] en [naam 2] . [naam 1] heeft dit bevestigd en verklaard dat toen [slachtoffer 2] in de auto stapte hij vertelde dat hij ‘geschoten was’. [slachtoffer 2] deed toen zijn jas open en liet zien dat hij een wondje aan zijn zij had.29

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op korte afstand in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten. Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachtes opzet erop was gericht dat hij [slachtoffer 2] zou raken, hetgeen ook is gebeurd. Verdachte heeft daarmee tenminste de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] daarbij gedood zou worden.

Ten aanzien van de ten laste gelegde elementen medeplegen en voorbedachte raad gelden dezelfde overwegingen als hierboven onder feit 1 zijn opgenomen. De rechtbank acht het feit bewezen zoals hieronder weergegeven.

Ten aanzien van feit 3

Gelet op de bewijsmiddelen opgenomen in de voetnoten 2, 21, 22 en 23 en op de overwegingen hierover opgenomen onder feit 1 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 november 2014 in Terneuzen een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op of omstreeks 30 november 2014 te Terneuzen

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat

opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met (een) vuurwapen(s)

meerdere althans (een) kogel(s) in op het lichaam en/of in de richting van het

lichaam van die [slachtoffer 1] afgevuurd.

2.

op of omstreeks 30 november 2014 te Terneuzen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te

beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met (een) vuurwapen(s) meerdere althans (een) kogel(s) in op het lichaam en/of in

de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

op of omstreeks 30 november 2014 te Terneuzen een of meer wapens van

categorie III, te weten een revolver, en/of munitie van categorie III, te

weten meerdere, althans (een) patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer 1] en poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen.

Doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als één van de ernstigste misdrijven. De bewezenverklaarde feiten zijn feiten die de rechtsorde zeer schokken en die ook buiten de directe omgeving van de slachtoffers angst en gevoelens van grote onveiligheid teweeg brengen. Dit geldt in dit geval in het bijzonder, nu Terneuzen al vaker is opgeschrikt door geweldsuitbarstingen als gevolg van de eerder genoemde vete. Kenmerkend voor de escalatie van de gebeurtenissen is dat beide partijen geweld niet schuwen. Dit levert ook gevaar op voor onschuldige omstanders. De geweldsescalaties hebben een ontwrichtend effect op de Terneuzense samenleving. De bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd op de openbare weg in het centrum van Terneuzen en kunnen worden gezien als een vergelding in verband met eerdere gewelddadige conflicten tussen verdachte en met name [slachtoffer 2] . Verdachte heeft het recht in eigen hand genomen door te schieten. Verdachte heeft geen enkel respect voor andermans leven getoond.

De rechtbank rekent hem dit alles zwaar aan.

Het spreekt voor zich dat de dood van de nog jonge [slachtoffer 1] een enorme schok teweeg heeft gebracht bij zijn nabestaanden. Het moet voor hen bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. Zijn twee kinderen moeten opgroeien zonder vader.

Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, zoals bewezen verklaard, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de bedreiging die daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat, welke dreiging zich in deze zaak heeft verwezenlijkt.

Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 juli 2015 is verdachte in 2011 veroordeeld wegens een mishandeling en is in 2012 aan hem een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd in verband met overtreding van de Wet wapens en munitie. De rechtbank houdt hier in verband met de strafoplegging in negatieve zin rekening mee.

Over de verdachte is geen reclasserings- of andersoortige (persoons)rapportage opgemaakt. Verdachte heeft zich ter zitting op zijn zwijgrecht beroepen. In die zin zijn geen omstandigheden omtrent de persoon van verdachte bekend waarmee rekening kan worden gehouden. Uit het dossier komt wel naar voren dat verdachte te kampen heeft gehad met geweld vanuit de zijde van [slachtoffer 2] als gevolg waarvan hij aangifte heeft gedaan. Daarnaast is verdachte er op 30 november 2014 -kort voor de bewezenverklaarde gebeurtenissen- bij aanwezig geweest dat zijn neef door [slachtoffer 2] in de nek is gestoken, hetgeen impact op verdachte zal hebben gehad.

De door verdachte gepleegde feiten zijn zo ernstig dat daarvoor slechts een gevangenisstraf van lange duur passend en geboden is. In aanmerking genomen de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten worden opgelegd, in combinatie met de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden van verdachte brengen de rechtbank ertoe verdachte een gevangenisstraf van dertien jaren op te leggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [vader slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 6.045,03 voor

feit 1 in verband met materiële schade. Tevens wordt gevorderd de wettelijke rente en de proceskosten volgens het liquidatietarief.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

De vordering is niet weersproken zodat die zal worden toegewezen.

De rechtbank zal daarbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: doodslag;

feit 2: poging tot doodslag;

feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 (dertien) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [vader slachtoffer 1] van € 6.045,03 ter zake van materiële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot € 500,- (2 punten liquidatietarief, € 250,- per punt);

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [vader slachtoffer 1] (feit 1), € 6.045,03 te betalen - en vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening - bij niet betaling te

vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. R.A. Borm, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 oktober 2015.

Mr. R.A. Borm is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het dossier van de Politie Eenheid Zeeland West Brabant, nummer 20TGO14010, ook bekend onder de onderzoeksnaam ‘Pocking I’.

2 Verklaring van [slachtoffer 2] d.d. 18 december 2014, pagina 524, derde en vierde alinea.

3 Verklaring van [naam neef] d.d. 5 december 2014, pagina 391, derde alinea.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 november 2014, pagina 34, tweede tot en met vierde alinea.

5 Verklaring van [getuige 4] d.d. 1 december 2014, pagina 149, eerste alinea van haar verklaring en laatste alinea, en pagina 150, eerste alinea.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 november 2014, pagina 34, vijfde alinea, en pagina 35, eerste alinea.

7 Verklaring van [getuige 2] d.d. 30 november 2014, pagina 249, eerste tot en met derde alinea.

8 Verklaring van [getuige 2] d.d. 5 januari 2015, pagina 253, de op één na laatste alinea, in combinatie met de plattegrond op pagina 255 in verband met het door [getuige 2] genoemde cijfer 3, dat correspondeert met het cijfer 3 op de plattegrond.

9 Verklaring van [getuige 2] d.d. 30 november 2014, pagina 249, derde alinea.

10 Verklaring [getuige 1] d.d. 30 november 2014, pagina 274, negende, tiende en laatste alinea, en pagina 276, eerste tot en met vierde alinea, in combinatie met de plattegrond op pagina 278 in verband met de door [getuige 1] genoemde cijfers – met name de cijfers 7, 9 en 10 – die corresponderen met de cijfers op de plattegrond.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 november 2014, pagina 40, vijfde tot en met laatste alinea, en pagina 41.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2014, pagina 325.

13 Plattegrond ‘overzicht centrum Terneuzen’, pagina 124 van het forensisch dossier, in combinatie met de foto’s 91, 93 (‘beeld van de garage boxen en specifiek op de locatie waar het (licht) gewonde slachtoffer zou zijn aangetroffen (lees: voor garagedeur van meest linkse garage)’), 99 (‘platdak links van betreffende garagedeur uit foto 93’), 100 (‘op plat dak werd blauwe emmer aangetroffen’) en 102 (‘spoor onder blauwe emmer’) op de pagina’s 89, 90, 93 en 94 van het forensisch dossier.

14 NFI-rapport d.d. 3 maart 2015, ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, pagina 215, onder ‘6. Interpretatie van resultaten’, eerste alinea, van het forensisch dossier.

15 Proces-verbaal aanwezigheid bij scan en sectie d.d. 3 december 2014, pagina 193, onder ‘Sporendrager(s)’, van het forensisch dossier.

16 Proces-verbaal Sporenonderzoek d.d. 27 mei 2015, pagina 28, vierde alinea, en pagina 29, vierde alinea, en pagina 30, eerste alinea.

17 NFI-rapport d.d. 15 april 2015 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Terneuzen op 30 november 2014’, pagina 369, onder ‘Revolver [AAHF6519NL]’, van het forensisch dossier.

18 NFI-rapport d.d. 15 april 2015 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Terneuzen op 30 november 2014’, pagina 370, eerste alinea, van het forensisch dossier.

19 NFI-rapport d.d. 3 juni 2015 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Terneuzen op 30 november 2014’, pagina 378, eerste alinea onder ‘Vraag 1’, van het forensisch dossier.

20 NFI-rapport d.d. 3 juni 2015 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Terneuzen op 30 november 2014’, pagina 378, vierde alinea onder ‘Vraag 1’ van het forensisch dossier.

21 NFI-rapport d.d. 15 april 2015 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Terneuzen op 30 november 2014’, pagina 371 van het forensisch dossier.

22 NFI-rapport d.d. 3 juni 2015 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Terneuzen op 30 november 2014’, pagina 378 van het forensisch dossier.

23 TMFI-rapport d.d. 30 januari 2015 ‘Deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek’, pagina 346 van het forensisch dossier.

24 Forensisch dossier, pagina 123.

25 TMFI-rapport d.d. 17 februari 2015 ‘Deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek’, pagina 359, eerste rij van tabel 1, van het forensisch dossier.

26 Verklaring van [slachtoffer 2] d.d. 18 december 2014, pagina 524, vierde alinea.

27 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 2 februari 2015, pagina 278, met als bijlages een ‘rapportage letselschade’ d.d. 29 december 2014 op pagina’s 279 tot en met 282, waaronder kleurenfoto’s van het letsel op pagina’s 280 en 281.

28 Plattegrond ‘detail sporen Noordstraat-Havenstraat’, pagina 122 van het forensisch dossier.

29 Verklaring van [naam 1] d.d. 29 december 2014, pagina 245, twaalfde en dertiende alinea.