Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6861

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
3662550-CV-EXPL 14-9781
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

(quote)

Beroep op rechtsdwaling. Dwaling bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst omdat Achmea geen volledige dekking voor de kosten van een gekozen advocaat verleende, terwijl later (uit de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 7 november 2013) bleek, dat zij daartoe krachtens de Richtlijn 87/344/EEG wel verplicht was?

(unquote)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton [woonplaats 2]

Zaaknummer: 3662550 CV EXPL 14-9781

Vonnis van 11 november 2015 in de zaak van

[eiser] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

eiser, verder ook: [eiser] ,

gemachtigde: mr. S.M.E. van Dijsseldonk,

tegen

de [gedaagde] ,

gevestigd in [woonplaats 2] ,

gedaagde, verder ook: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. H.A.J.M. Geven.

1 Het procesverloop

Dat blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

Voormelde stukken dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 Het geschil

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 16.827,99, vermeerderd met rente en kosten.

[gedaagde] heeft de vordering bestreden.

3 De beoordeling

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.

a.

In 2009 heeft [eiser] een rechtsbijstandsverzekering gesloten met FBTO. FBTO laat de uitvoering van deze overeenkomst over aan [gedaagde] .

b.

Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft (het bestuur van) de stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aan [eiser] een onderzoek opgelegd naar zijn geschiktheid een motorrijtuig te besturen.

c.

Bij besluit van 25 mei 2011 heeft CBR het rijbewijs van [eiser] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

d.

Op 31 mei 2011 heeft [eiser] krachtens de door hem gesloten rechtsbijstandsverzekering, aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, verbonden aan het aantasten van het besluit van CBR van 25 mei 2011.

e.

Bij e-mail van 1 juni 2011 is zijdens [gedaagde] aan [eiser] in reactie hierop onder meer medegedeeld:

“U heeft al contact met een advocaat gespecialiseerd op CBR zaken gehad. Ik begreep van u dat u meende dat u op kosten van onze stichting een advocaat kon inschakelen. Helaas moet ik u vertellen dat dit niet het geval is. In de polisvoorwaarden die van toepassing zijn op uw verzekering is bepaald dat de zaken door juristen in dienst van de stichting [gedaagde] rechtsbijstand worden behandeld.

Na de recente uitspraak in kort geding tegen DAS rechtsbijstand over vrije advocaatkeuze, waartegen Das overigens hoger beroep heeft ingesteld, heeft ook onze stichting haar beleid hierover nog eens tegen het licht gehouden.

De uitkomst daarvan is dat de stichting haar beleid handhaaft. Met dien verstande dat als een verzekerde een andere opvatting heeft de behandelaar de zaak aan het klachtenbureau binnen de Stichting voorlegt. Dit bureau bespreekt dan de kwestie met een verzekerde en zoekt dan naar een passende oplossing (…)”.

f.

Bij e-mail van 3 juni 2011 heeft [eiser] aan [gedaagde] onder meer medegedeeld:

“Daar het belang van deze zaak voor mij zeer groot is, wil ik graag gebruik maken van de advocaat waar ik al eerder contact mee heb gehad.

Het gaat hier om mr. [naam] (…). Buiten het feit om dat ik een goed gevoel heb bij deze advocaat, is mr. [naam] zeer ervaren met vergelijkbare zaken tegen het CBR. Ik ben dan ook van mening dat we hier kunnen spreken van een specialisme. (…) Ik hoop dat u mijn standpunt begrijpt en dat het klachtenbureau van uw stichting met een passende oplossing komt.”.

g.

Bij e-mail van 3 juni 2011 is zijdens [gedaagde] aan [eiser] onder meer medegedeeld:

“Vooralsnog zie ik niet op welke grond wij moeten afwijken van de polisvoorwaarden. Artikel 8.1 bepaalt dat de rechtsbijstand door juristen van de stichting [gedaagde] Rechtsbijstand wordt verleend. In enkele gevallen heeft u aanspraak op een zelf te kiezen advocaat, maar deze gevallen doen zich hier niet voor. Ik kan u verzekeren dat onze juristen ruimschoots kennis en ervaring hebben, en uitstekend werk leveren.”.

h.

Na nadere correspondentie heeft (een medewerker van het klachtenbureau van) [gedaagde] bij e-mail van 6 juni 2011 aan [eiser] medegedeeld:

“Ik heb aangegeven dat wij een tegemoetkoming kunnen aanbieden, maar ook niet meer dan dat. Het gaat om een bedrag van € 1.000,- incl. Dit is dan tegen finale kwijting: u kunt geen aanspraak meer maken op rechtsbijstand in deze zaak.”.

Bij e-mail van 15 juni 2011 heeft [gedaagde] aan [eiser] onder meer medegedeeld:

“Ik bood u € 1500 aan, met daarbij wel de aantekening dat ik verder dan dit echt niet kan gaan. Als u hiermee akkoord gaat betekent dit dat er geen beroep meer kan worden gedaan op ons voor rechtsbijstand in deze zaak.

Graag verneem ik van u of u dit voorstel accepteert. Het alternatief is dat wij de zaak intern zullen behandelen.

Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] bij e-mail van 20 juni 2011 aan [gedaagde] te kennen gegeven:

“Graag maak ik gebruik van uw aanbod van € 1.500,- in deze.”.

i.

Door mr. [naam] zijn voor de kosten van de behandeling van het geschil bij vier instanties in totaal in rekening gebracht € 15.345,74 inclusief btw.

j.

Bij vonnis van 8 maart 2011 (LJN: BP7547) heeft de voorzieningenrechter bij de rechtbank Amsterdam, onder meer en kort weergegeven, beslist dat op grond van de Richtlijn 87/344/EEG, waarvan artikel 4:67 van de Wet Financieel Toezicht (WFT) een uitvoering is, binnen het kader van een rechtsbijstandsverzekering, recht bestaat op vrije advocaatkeuze.

Daartegen is beroep en cassatie ingesteld. Naar aanleiding van door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen (ECLI:NL:HR:2012:567) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap op 7 november 2013 uitspraak gedaan (NJ 2015,54), kort weergegeven, inhoudende dat een verzekerde bij een gerechtelijke of administratieve procedure op grond van artikel 4, lid 1, onder a, van voormelde Richtlijn altijd de keuze heeft tussen behandeling van het geschil door een jurist van de verzekeraar of een zelf in te schakelen advocaat of jurist. Zie HR 21 februari 2014 (ECLI:NL:HR: 2014:396).

3.2

[eiser] heeft, kort weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de overeenkomst van partijen omtrent de tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van € 1.500,- tot stand is gekomen onder invloed van dwaling.

3.3

Daartegen heeft [gedaagde] , kort weergegeven, aangevoerd:

  • -

    dat [eiser] niet tot vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling bevoegd is omdat de gestelde dwaling een toekomstige omstandigheid betreft;

  • -

    dat, zo er al sprake zou zijn van dwaling, deze naar verkeersopvatting voor rekening van [eiser] dient te blijven omdat hij werd bijgestaan door de door hem ingeschakelde advocaat;

  • -

    dat de vordering tot vernietiging van het besluit in vier instanties is afgewezen, zodat geen sprake was van een redelijke kans op succes als bedoeld in de polisvoorwaarden, in welk geval zij niet of niet geheel tot dekking van de kosten van de gekozen advocaat gehouden is.

3.4

In artikel 6:228 BW is bepaald, kort weergegeven, dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling, en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is a) indien de dwaling is te wijten aan inlichtingen van de wederpartij, b) de wederpartij de dwalende had behoren in te lichten en c) bij wederzijdse dwaling.

Lid 2 luidt:

De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die uitsluitend een toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

3.5

Uit de hiervoor bij 3.1 sub e. tot en met h. aangehaalde correspondentie blijkt dat partijen ten tijde van het verzoek van [eiser] om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van mr. [naam] op de hoogte waren van het bepaalde in artikel 4, lid 1,onder a van de Richtlijn 87/344/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuurlijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandsverzekering alsmede het vonnis van de voorzieningenrechter bij de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2011.

3.6

[eiser] heeft het hiervoor gedeeltelijk aangehaalde aanbod van [gedaagde] van 15 juni 2011 aanvaard op de wijze zoals neergelegd in de hiervoor gedeeltelijk aangehaalde e-mail van [eiser] aan [gedaagde] van 20 juni 2011.

Uit de aan deze overeenkomst voorafgaande correspondentie blijkt dat partijen van mening verschilden over het antwoord op de vraag of [eiser] krachtens de verzekeringsovereenkomst het recht had een advocaat te kiezen op kosten van [gedaagde] . [eiser] meende van wel, [gedaagde] meende van niet. Partijen hebben hun geschil beëindigd doordat [gedaagde] aan [eiser] een vergoeding van € 1.500,- heeft aangeboden, welk aanbod [eiser] onvoorwaardelijk heeft aanvaard. Gelet hierop hebben partijen op 20 juni 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900 BW.

Artikel 7:900, lid 1, BW luidt als volgt:

Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.

3.7

[eiser] stelt zich thans op het standpunt dat er sprake is van dwaling bij de (totstandkoming van de) vaststellingsovereenkomst. De aard van deze overeenkomst brengt mee dat een beroep op dwaling wel zal slagen, indien zij betrekking heeft op bij die overeenkomst als vaststaand beschouwde feiten, maar in beginsel niet wanneer de dwaling betrekking heeft op omstandigheden waaromtrent onzekerheid of geschil bestond, daar de vaststellingsovereenkomst er juist toe dient om deze te beëindigen.

Het geschil van partijen betrof het antwoord op de vraag of [gedaagde] krachtens de rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst verplicht was de kosten te dekken van mr. [naam] voor de behandeling van het geschil van [eiser] met CBR inzake de ongeldig verklaring van zijn rijbewijs door het voeren van (bestuursrechtelijke) procedures.

Dat geschil is beëindigd doordat [eiser] heeft ingestemd met het aanbod van [gedaagde] om daarvoor een bijdrage te betalen van € 1.500,-.

Nu over de verplichting van vergoeding van deze kosten geschil bestond en de dwaling betrekking heeft op de aanspraak op vergoeding van deze kosten krachtens de overeenkomst van verzekering, komt aan [eiser] geen beroep op dwaling toe omdat de vaststellingsovereenkomst juist bedoeld is om het geschil daaromtrent te beëindigen. Waar zowel [eiser] als [gedaagde] op de hoogte waren van de inhoud van het vonnis van de Voorzieningenrechter bij de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2011 – waaruit blijkt dat over de uitleg van artikel 4 van de Richtlijn en het daarop gebaseerde artikel 4:67 van de Wet op het financieel toezicht wat betreft de aanspraak op vergoeding van kosten van een advocaat bij een vrije advocatenkeuze, verschillend kan worden gedacht – is de mogelijkheid van dwaling in zoverre in de overeenkomst verdisconteerd.

Gelet op de aard van de overeenkomst dient de dwaling dan ook voor rekening van [eiser] te blijven

3.8

In dit verband wordt voorts overwogen dat een partij in beginsel niet kan dwalen omtrent de rechtsvraag die partijen met de vaststellingsovereenkomst hebben beantwoord, omdat de vaststellingsovereenkomst nu juist omtrent die rechtsvraag zekerheid beoogd te bieden. Als later in rechte een ander antwoord wordt gegeven op die rechtsvraag dan is verwoord in de vaststellingsovereenkomst, dan is er (wederzijds) gedwaald omtrent het recht. Hadden partijen geweten dat het recht anders luidde ten tijde van de vaststellingsovereenkomst, dan hadden zij die vaststellingsovereenkomst niet (zo) gesloten. In zoverre is geen sprake van een toekomstige omstandigheid, zoals [gedaagde] betoogt. Evenwel kan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn van een geslaagd beroep op rechtsdwaling omdat dit in het algemeen in strijd met de rechtszekerheid moet worden geacht. Zo zou door een gewijzigd inzicht in het recht, de rechtstoestand tussen partijen zoals die daarvoor geldt, met terugwerkende kracht moeten worden gewijzigd, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter slechts toelaatbaar zou zijn indien het ongewijzigd in stand houden van die rechtstoestand naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat laatste is niet gesteld, en ook overigens niet gebleken.

3.9

Nu aan [eiser] geen beroep op dwaling toekomt, dient de vordering te worden afgewezen.

4 De kosten

[eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van [gedaagde] gevallen, te worden verwezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van [gedaagde] gevallen, en tot op heden begroot op € 600,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.