Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6814

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
02-812627-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:3325, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor het medeplegen van het wegvoeren en verbergen van een lijk, het voorradig hebben van en het de handel in verdovende middelen en Kamagra en het voorhanden hebben van een stroomstootwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/812627-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

raadsman mr. Buntsma, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 oktober 2015 waarbij de officier van justitie mr. Koning en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2013 tot en met 20 april 2013 te Tilburg en/of te Hilvarenbeek en/of te Goirle, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen het lijk van [slachtoffer] heeft begraven en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van

het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededaders

- het lijk van die [slachtoffer] in een zeil gewikkeld en/of

- het lijk van die [slachtoffer] met een touw en/of een spanband omwikkeld en/of

- het lijk van die [slachtoffer] met een auto vervoerd en/of

- het lijk van die [slachtoffer] begraven en/of verborgen en/of weggemaakt in een greppel, althans in een bosperceel;

art 151 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 2013 tot en met 1 juli 2013 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer (gebruikers) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaine en/of GHB (Gamma Hydroxy Boterzuur) en/of MDMA en/of

tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetemine en/of amfetamine, zijnde cocaine en/of GHB en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of

N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetemine en/of amfetamine, (telkens) een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 2 juli 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 0,5 liter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (Gamma Hydroxy Boterzuur) en/of ongeveer 188 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of GHB en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 2 juli 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 200 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 2 juli 2013 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een of meer geneesmiddel(en), te weten Kamagra (1264 stuks) en/of Kamagra Oral Jelly (145 stuks) en/of Cialis (184 stuks) en/of Rush original (22 stuks) en/of Cenforce FM (12 stuks) en/of Cobra 120 (5 stuks), waarvoor geen handelvergunning geldt, in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of heeft ingevoerd of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht;

art 40 lid 2 Geneesmiddelenwet

5.

hij op of omstreeks 02 juli 2013 te Tilburg (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 baseert hij zich op de verklaringen van verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 1] , dat [slachtoffer] op vrijdag 19 april een seksdate had op het [adres] , terwijl in het lichaam van [slachtoffer] seksspeeltjes werden aangetroffen en zijn onderbroek achterste voren zat, hetgeen er op wijst dat de date daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat [slachtoffer] tijdens die seksdate in de woning aan verdachte is overleden. Daarnaast baseert hij zich op de plaats en de wijze van aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , in samenhang met de telecomgegevens van [slachtoffer] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , de ARS gegevens van de auto van [slachtoffer] , de Volkswagen Passat in gebruik bij [medeverdachte 2] , de door verdachten gehuurde Volkswagen Caddy, de aangeschafte goederen en de afgelegde verklaringen. Dit alles in onderlinge samenhang bezien maakt dat hij van mening is dat verdachte samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het lichaam van [slachtoffer] heeft verborgen en weggevoerd.

Voor de overige feiten baseert de officier van justitie zich op de bekennende verklaring van verdachte en het feit dat de drugs, medicijnen en het stroomstootwapen op 2 juli 2013 in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Ten aanzien van feit 4 kan volgens hem echter alleen een bewezenverklaring volgen voor het voorradig hebben van de Kamagra tabletten. Het onderzoek op basis van de foto’s in combinatie met het feit dat de pillen kennelijk als een zodanig middel werden verkocht is voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Van de overige onder dit feit opgenomen middelen dient verdachte echter te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Zo zegt het op korte afstand rijden achter de auto van [slachtoffer] niets over dit feit en dat onderdeel is evenmin ten laste gelegd. Voorts heeft verdachte een plausibele verklaring gegeven voor het rijden gedurende de nachtelijke uren van 19 op 20 april 2013. Meer duidelijkheid kan hierover niet worden verschaft in verband met repercussies die dan zullen volgen. Onder verwijzing naar de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] staat volgens de verdediging bovendien niet vast dat het lichaam van [slachtoffer] in de nacht van 19 op 20 april 2013 naar het bosperceel aan de Goirlesedijk te Hilvarenbeek is gebracht. Daar komt verder nog bij dat er verschillen in afmeting bestaan over het zeil waarin [slachtoffer] gewikkeld was en het zeil dat bij de Praxis wordt verkocht. Tot slot stelt de verdediging dat het enige verwijt dat verdachte gemaakt zou kunnen worden, de overtreding van artikel 8 van de Wet op de lijkbezorging is, mits bewezenverklaard.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3 en 5. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 wordt eveneens gerefereerd met dien verstande dat verdachte de verkoop van de verdovende middelen alleen heeft gepleegd. Onder verwijzing naar jurisprudentie dient verdachte volgens de verdediging van het tenlastegelegde onder 4 te worden vrijgesproken. Een onderzoek alleen op basis van foto’s is immers onvoldoende om de werking van de pillen vast te kunnen stellen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Tijdstip overlijden [slachtoffer]

Bij de beoordeling van dit feit zal de rechtbank allereerst moeten vaststellen wanneer het slachtoffer [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) is overleden. Zij gaat daarbij uit van het volgende.

Op 14 mei 2013 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in een greppel naast een zandpad in een bosperceel aan de Goirlesedijk te Hilvarenbeek1. Het stoffelijk overschot was grotendeels afgedekt met circa maximaal twintig centimeter zand2 en deels gewikkeld in een groen/blauw zeil hetgeen op diverse plaatsen was omwikkeld met een rood touw alsmede een geelkleurige spanband3.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] is gebleken dat zijn overlijden verklaard kan worden door hartfunctiestoornissen ten gevolge van ziekelijke afwijkingen aan de kransslagaders en het hart in combinatie met negatieve effecten op het hart door de aangetoonde stoffen cocaïne en sildenafil (Viagra)4. Bij deze sectie werden tevens in de anus aan een koord een tweetal ronde lichaamsvreemde structuren van circa 4 x 3,5 centimeter aangetroffen die goed kunnen passen bij structuren die gebruikt worden in het kader van het opwekken/stimulatie van seksuele opwinding en –activiteiten5. Voorts is geconstateerd dat [slachtoffer] ten tijde van het aantreffen van zijn lichaam zijn onderbroek achterstevoren droeg6.

Op 20 april 2013 omstreeks 11.35 uur is door [echtgenote slachtoffer] , de echtgenote van [slachtoffer] , bij de politie gemeld, dat haar man sinds vrijdagavond 19 april 2013 werd vermist7. [slachtoffer] heeft op 19 april 2013 tussen 10 uur en 11 uur de woning verlaten en is vertrokken met zijn personenauto, een zwarte [merk auto] voorzien van het kenteken

[kenteken 1] . Zijn echtgenote heeft op 19 april 2013 omstreeks 19.00 uur geprobeerd telefonisch contact met hem op te nemen maar zijn telefoon bleek op dat moment uit te staan8. Uit onderzoek van het hotmail-account van [slachtoffer] bleek dat hij op 19 april 2013 om 12.00 uur een seksdate had op het adres [adres]9.

Op het adres [adres] zijn woonachtig [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) en verdachte (verder: [verdachte] )10. [medeverdachte 1] en [verdachte] organiseren seksparty’s waaronder wap-dates waarbij drugs werden gebruikt. Ook zijn er tijdens de seksparty’s Kamagra pillen beschikbaar ter stimulering van een erectie. [slachtoffer] kwam al enkele jaren bij hen voor seksafspraken, zo ook op 19 april 2013. [slachtoffer] had die dag een seksafspraak met [medeverdachte 1] en [verdachte] van 12 uur tot 16 uur111213. Volgens hen zou hij die dag om 15.30 uur zijn vertrokken in verband met een andere afspraak.

[slachtoffer] is die dag door anderen gezien bij [medeverdachte 1] en [verdachte] in de woning. Zo kwam getuige [getuige 3] op 19 april 2013 omstreeks 14.00 uur wiet halen. [getuige 3] heeft hierover verklaard dat zij [slachtoffer] behoorlijk “wap” op de bank zag zitten, waarmee ze bedoelde dat hij onder invloed van drugs verkeerde. [slachtoffer] was erg passief, was niet helemaal aanwezig en zat onderuit gezakt op de bank14.

Omtrent het drugsgebruik en het gebruik van erectie stimulerende middelen door [slachtoffer] tijdens seksdates bij [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft getuige [getuige 4] verklaard dat de dag dat zij bij [medeverdachte 1] en [verdachte] een seksdate had, waar [slachtoffer] ook bij was, er wit poeder aanwezig was wat volgens haar coke was. Zij vermoedt dat [medeverdachte 1] bij die gelegenheid aan [slachtoffer] een glas met GHB gaf. [slachtoffer] gebruikte volgens haar ook poppers15.

[getuige 3] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer] tijdens eerdere seksdates cocaïne gebruikte16.

Uit de telecomgegevens van het telefoonnummer van [slachtoffer] blijkt dat het laatste telefoongesprek heeft plaatsgevonden om 12.23 uur. Om 12.24 uur werd een internetsessie van 11337 seconden gestart, hetgeen betekent dat deze om 15.33.45 uur is beëindigd. Bij de inkomende oproepen vanaf 19.45 uur zijn geen imei-nummers en zendmastgegevens geregistreerd wat inhoudt dat het telefoontoestel van [slachtoffer] op dat moment uit stond of zich buiten het bereik van de zendmasten van de Nederlandse providers bevond17.

Met betrekking tot de telefooncontacten van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , de zoon van [verdachte] en [medeverdachte 1] , en [verdachte] op 19 april 2013 is het volgende gebleken. [medeverdachte 2] maakte tot 19 april 2013 gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en vanaf 17 april 2013 van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]18. Uit de telefoongegevens van deze telefoonnummers blijkt dat [medeverdachte 1] hem op 19 april 2013 om 14.52 en 14.54 uur op het nummer [telefoonnummer 2] heeft gebeld. Tevens blijkt hieruit dat [medeverdachte 2] met het nummer [telefoonnummer 1] om 14.54 heeft gebeld naar [verdachte] op [telefoonnummer 3] . Om 15.28.41 uur heeft [verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] naar [medeverdachte 2] gebeld op het telefoonnummer [telefoonnummer 2]1920.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] al zo’n zeven à acht jaar bij haar en haar echtgenoot komt voor seksdates. [slachtoffer] heeft bij hen de wap-date geïntroduceerd. [slachtoffer] verlengde regelmatig zijn bezoek bij hen, hij wilde dan langer blijven dan was afgesproken. Het gebeurde dat hij dan een uur bijboekte. [slachtoffer] had op 19 april 2013 een afspraak bij hen van 12 uur tot 16 uur. Over de anaalballetjes heeft zij verklaard dat zij er een aantal heeft21.

[medeverdachte 3] , de vriendin van [medeverdachte 2] , heeft verklaard dat zij met [medeverdachte 2] bij haar zus in Goirle was toen hij een telefoontje van zijn vader kreeg. [medeverdachte 2] moest alleen naar de woning van zijn ouders komen. Zij waren rond 15.00 uur à 15.15 uur bij de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 2] is daarop de woning binnengegaan en kwam even later weer naar buiten waarbij hij [medeverdachte 3] zei dat zij beter weg kon gaan omdat zijn vader hem nodig had. Zij is niet binnen geweest en weer vertrokken22.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] op 19 april 2013 tijdens de seksdate met [medeverdachte 1] en [verdachte] is overleden.

Deze conclusie is allereerst gebaseerd op de geconstateerde doodsoorzaak van [slachtoffer] in combinatie met het feit dat er door hem tijdens de seksdates bij [medeverdachte 1] en [verdachte] verdovende middelen en erectie stimulerende middelen werden gebruikt. Gebleken is dat het gebruik van verdovende middelen en erectiemiddelen past in het gangbare verloop van de seksdates van [slachtoffer] bij [medeverdachte 1] en [verdachte] . Dat [slachtoffer] tijdens de seksdate niet meer zo fit was blijkt ook uit de verklaring van [getuige 3] die omstreeks 14.00 uur heeft waargenomen dat hij zich passief gedroeg en een afwezige indruk maakte.

Voorts baseert de rechtbank zich op de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen anaalbolletjes en de onderbroek die hij achterste voren aanhad. Ook het gebruik van seksattributen past in het gangbare verloop van de seksdates die [slachtoffer] had bij [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het feit dat deze bolletjes nog in de anus van [slachtoffer] zaten alsmede de onderbroek die hij achterste voren aan had, duidt naar het oordeel van de rechtbank op een plots overlijden tijdens seksuele activiteit waarna hij vluchtig is aangekleed.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] tussen 14.00 uur en 15.00 uur hebben gelegen. Het tijdstip van 14.00 uur is immers het tijdstip waarop [slachtoffer] door anderen dan door de verdachten voor het laatst in leven is gezien. Vanaf iets voor 15.00 uur hebben er telefonische contacten plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en hun zoon [medeverdachte 2] . Gebleken is dat [medeverdachte 2] naar de woning van zijn ouders moest komen, maar wel alleen. De rechtbank concludeert hieruit dat [slachtoffer] was overleden en zij de hulp van [medeverdachte 2] nodig hadden bij het wegmaken van zijn lichaam.

Het gevoerde verweer dat [slachtoffer] omstreeks 15.30 uur bij [medeverdachte 1] en [verdachte] is vertrokken in verband met een andere afspraak wordt verworpen. Dit allereerst omdat het dossier daartoe geen enkele aanwijzing geeft. Maar ook omdat het kennelijk ongebruikelijk was dat [slachtoffer] eerder vertrok van een seksdate. Daar komt nog bij dat er na 15.30 uur geen enkel teken van leven van [slachtoffer] meer is geconstateerd. Op zijn minst zou het gebruik van zijn telefoon bij een andere afspraak voor de hand hebben gelegen. Bovendien is gebleken dat de echtgenote van [slachtoffer] om 19.00 uur die avond heeft geprobeerd haar man telefonisch te bereiken maar dat dit niet is gelukt omdat zijn telefoon uitstond. Daaruit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat zij zich rond die tijd begon af te vragen waar [slachtoffer] bleef en zij hem kennelijk al eerder die avond thuis had verwacht. Dat past niet bij een opvolgende afspraak. Een opvolgende afspraak die dan, wanneer de anaalballetjes van die afspraak afkomstig zijn ook een seksdate zou hebben betroffen, hetgeen de rechtbank onwaarschijnlijk voorkomt.

Wegmaken van het lichaam

Uit de gegevens van ARS Traffic & Transport Technology, een bedrijf dat zich bezig houdt met verkeersmonitoring middels kentekenregistratie met camera’s, blijkt met betrekking tot de auto van [slachtoffer] met het kenteken [kenteken 1] dat dit voertuig op 19 april 2013 om 16.31.26 uur is geregistreerd op de N65 ter hoogte van Berkel-Enschot in de rijrichting van Vught23. Uit de verstrekte gegevens blijkt tevens dat het voertuig van [slachtoffer] na dit tijdstip niet meer heeft gereden op wegen alwaar detectiepunten van ARS aanwezig waren24. De auto van [slachtoffer] is op 27 april 2013 onbeheerd en afgesloten aangetroffen op de Nicolaas van Eschstraat te Oisterwijk25.

Uit de gegevens van ARS blijkt met betrekking tot de Volkswagen Passat met kenteken

[kenteken 2] , die in gebruik was bij [medeverdachte 2]26, dat dit voertuig op 19 april 2013 om 16.31.28 uur is geregistreerd door hetzelfde detectiepunt dat het voertuig van [slachtoffer] voor het laatst heeft gedetecteerd. Hieruit blijkt voorts dat beide voertuigen op slechts twee seconden afstand achter elkaar hebben gereden27.

Verder is de Volkswagen Passat op 19 april 2013 nog gedetecteerd om 16.57.54 uur op de Kempenbaan te Tilburg in de richting van Hilvarenbeek-Tilburg28.

Uit de analyse van de historische verkeersgegevens van het op naam van [verdachte] staande telefoonnummer [telefoonnummer 4] blijkt dit nummer op 19 april 2013 tot 16.21 uur aanstraalde op de zendmast aan de Ringbaan oost te Tilburg. Daarna zijn de volgende contactbewegingen en aanstralingen op zendmasten te zien:

  • -

    16.26 uur mobiel internet via de zendmast aan de Gemeniweg/Orionstraat te Tilburg;

  • -

    16.28 uur en 16.29 uur mobiel internet via de zendmast aan de Kerkstraat 5 te Berkel-Enschot;

  • -

    16.35 uur en 16.37 uur mobiel internet via de zendmast aan de Sprendlingenstraat 22 te Oisterwijk;

  • -

    16.37 en 16.40 uur mobiel internet en twee inkomende telefoongesprekken met een duur van 47 en 66 seconden. De gesprekken zijn gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Deze contacten verlopen via de zendmast aan De Lind 52 te Oisterwijk.

De zendmast aan de Sprendlingenstraat is circa één kilometer gelegen vanaf de locatie waar de auto van [slachtoffer] is aangetroffen. De zendmast aan De Lind is circa 400 meter gelegen vanaf de locatie van de auto van [slachtoffer] .

Om 17.10 uur en 17.20 uur verliep het mobiele internet dat werd gevoerd weer via de zendmast aan de Ringbaan oost 102 te Tilburg29.

[medeverdachte 2] maakte tot 19 april 2013 gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en vanaf 17 april 2013 van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]30.

Verder is uit onderzoek van de telefonische verkeersgegevens in Oisterwijk gebleken dat niet alleen het telefoonnummer [telefoonnummer 4] van [verdachte] maar ook de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [medeverdachte 2] , en [telefoonnummer 3] op 19 april 2013 aanstraalden op de zendmasten in Oisterwijk. Het laatste nummer was eveneens in gebruik bij [verdachte] maar werd ook wel eens opgenomen door [medeverdachte 1] . Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] was op 19 april 2013 te 16.20 uur in Tilburg, om 16.41 uur in Oisterwijk waarbij het aanstraalde op de zendmast aan de Sprendlingenstraat en om 16.51 uur in Moergestel. Daarna hebben er die dag met dit nummer geen contacten meer plaatsgevonden. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] was op 19 april 2013 om 16.20 uur in Tilburg, van 16.38 uur tot 16.43 uur in Oisterwijk waarbij het aanstraalde op de zendmast aan de Sprendlingenstraat en is daarna nooit meer in gebruik geweest. Voornoemde telefoonnummers hebben enkel op 19 april 2013 aangestraald op deze zendmasten in Oisterwijk31.

[verdachte] heeft hierover verklaard dat hij op 19 april 2013 samen met [medeverdachte 2] met de Volkswagen Passat in Oisterwijk is geweest32.

[medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat zijn vader hem op 19 april 2013 heeft gebeld om te komen. Hij was om 16.45 uur bij de woning van zijn ouders en is samen met zijn vader met de Volkswagen Passat naar het centrum van Oisterwijk gereden. Hij moest stoppen op de kruising De Lind en Johan Lenartzstraat. Hij heeft aldaar om 16.38 uur naar zijn vader gebeld en later nog eens. Om 16.43 uur heeft zijn vader hem gebeld. Rond 17.20 uur waren zij weer thuis33.

Met betrekking tot het feit dat de Volkswagen Passat om 16.31 uur op twee seconden afstand achter de auto van [slachtoffer] reed heeft [medeverdachte 2] eerst verklaard dat hij niet weet wie er voor hem reed op de N65 om 16.31 uur. Hij verklaart [slachtoffer] niet te kennen. Later heeft hij verklaard dat hij inderdaad achter [slachtoffer] aan reed omdat zij tegelijkertijd zijn weggereden vanaf de woning van zijn ouders. Hij weet zeker dat het [slachtoffer] was, hij toeterde en zwaaide naar zijn vader toen hij wegreed.

Op grond van het voorgaande, in het licht van de eerdere vaststelling dat [slachtoffer] in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] moet zijn overleden, concludeert de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte 2] de auto van [slachtoffer] naar Oisterwijk hebben gebracht. Kort na het overlijden van [slachtoffer] heeft [verdachte] telefonisch contact gezocht met [medeverdachte 2] waarop laatstgenoemde naar de woning van zijn ouders is gegaan. Vervolgens zijn zij achter elkaar met de auto van [slachtoffer] en de Volkswagen Passat naar Oisterwijk gereden en hebben zij de auto van [slachtoffer] daar achter gelaten. Het verweer dat zij samen naar Oisterwijk zijn gegaan om Kamagra dan wel Viagra pillen weg te brengen, kan niet geverifieerd worden omdat zij niet verklaard hebben wie de koper van de pillen zou zijn geweest en waar zij die pillen hebben afgeleverd. Het had echter op de weg van verdachte gelegen daarover duidelijkheid te verschaffen. Dit verweer wordt dan ook verworpen. Het wegmaken van de auto van [slachtoffer] is op zichzelf geen handeling die gericht is op het wegmaken van zijn lichaam, maar wel een die het feit van zijn overlijden in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] verheelt.

Voor het wegmaken van het lichaam gaat de rechtbank voorts uit van het volgende:

Touw en zeil

Naar aanleiding van het groen/blauwe zeil en het rode touw waarin het lichaam van [slachtoffer] is gewikkeld is onderzoek gedaan naar de verkoop van deze goederen in de periode rond zijn verdwijning. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er op 19 april 2013 te 18.15 uur bij kassa 1 van de Praxis aan de [adres 1] te Tilburg een polypropeleen koord voor een bedrag van 5,49 euro en een dekzeil met een afmeting van 2 x 3 m voor een bedrag van 6,89 euro is afgerekend. Er werd contant betaald met een bedrag van 20 euro34.

Uit de telecomgegevens blijkt dat omstreeks het tijdstip van de verkoop van het dekzeil en het touw bij de Praxis het telefoonnummer van [medeverdachte 2] om 18.15.32 uur aanstraalde op de zendmast aan Sint Willebrordstraat 49 te Tilburg. Het betrof een uitgaand gesprek van 41 seconden naar het nummer van [medeverdachte 3] . Voorts heeft het telefoonnummer van [verdachte] om 18.17.23 uur aangestraald de zendmast aan de Bosscheweg 322 te Tilburg. Dit betrof een binnenkomend sms-bericht. Deze twee zendmasten dekken de locatie van de Praxis aan de [adres 1] . Over de gevorderde periode van 1-1-2013 t/m 24-4-2013 zijn deze telefoonnummers onderzocht op aanstralingen op deze masten. Beiden stralen in deze periode slechts eenmaal aan35.

Verweer afmeting dekzeil

Het verweer van de verdediging inhoudende dat de maten van het dekzeil waarin het lichaam van [slachtoffer] was gewikkeld niet overeenkomen met de maten van het dekzeil dat bij de Praxis wordt verkocht wordt verworpen. De verdediging refereert daarbij voor wat betreft de maten van het dekzeil waarin het lichaam van [slachtoffer] was gewikkeld aan de aanvragen voor onderzoek door het NFI. Dit betreft echter slechts een weergave ter informatie voor het onderzoek dat moet worden verricht en geen officiële informatie over de maten van het betreffende dekzeil. De rechtbank merkt daarbij op dat in het onderzoek dat door het NFI is verricht geen maten staan weergegeven van het betreffende dekzeil waarin het lichaam van [slachtoffer] was gewikkeld. Gelet op de aanschaf van een dekzeil en een touw op 19 april 2013 en het ter zitting door de officier van justitie overgelegde proces-verbaal van bevindingen afdekzeil moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat het lichaam van [slachtoffer] in een dergelijk zeil was gewikkeld als verkocht bij de Praxis met de afmetingen van 1.90 meter x 2.84 meter.

Volkswagen Caddy

Op 19 april 2013 omstreeks 17.27 uur is er op naam van [NN] , geboren op

[geboortedag NN] 1975 te [geboorteplaats NN] , wonende te [adres NN] en met telefoonnummer [telefoonnummer 5] bij Bo Rent Tilburg een Volkswagen Caddy met het kenteken [kenteken 3] gehuurd. De huurovereenkomst is ondertekend met [medeverdachte 3] . Het kopie rijbewijs stond op naam van [medeverdachte 3] . De kilometerstand van de Volkswagen Caddy betrof op dat moment 40603. De Volkswagen Caddy is op 20 april 2013 te 11.04 uur teruggebracht bij Bo Rent Tilburg. De kilometerstand betrof toen 4064236.

Uit de ARS gegevens van de Volkswagen Caddy met het kenteken [kenteken 3] blijken de volgende detecties op 20 april 2013 op basis waarvan de daarbij hieronder weergegeven conclusies in het proces-verbaal worden getrokken:

01.13.18

uur: Provincialeweg N269 Hilvarenbeek thv Beekse Bergen richting Tilburg-Hilvarenbeek.

Aangezien het voertuig later niet werd gedetecteerd op de N269 richting Reusel, is het aannemelijk dat het voertuig op de N269 rechtsaf is geslagen in de richting van de Tilburgseweg te Hilvarenbeek, dan wel linksaf geslagen in de richting van de Akkerstraat te Biest-Houtakker.

01.34.46

uur: Provinciale weg N269 Hilvarenbeek richting Hilvarenbeek-Tilburg.

Aangezien het voertuig niet eerder werd gedetecteerd op de N269 richting Reusel-Hilvarenbeek-Tilburg, is het aannemelijk dat het voertuig heeft gereden vanuit de richting van deTilburgseweg te Hilvarenbeek, danwel vanuit de richting van de Akkerstraat te Biest-Houtakker.

01.37.10

uur. Provincialeweg N269 Hilvarenbeek thv Beekse bergen richting Hilvarenbeek-Tilburg.

De kruiwagen

Op 19 april 2013 om 19.00 uur is een kruiwagen van het merk Ravendo gekocht bij de

Karwei aan de [adres 2] te Tilburg37. Op 11 april 2013 is in de berging van het perceel [adres medeverdachten 2 en 3] , waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] wonen, een kruiwagen in beslag genomen.38

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij de Volkswagen Caddy voor [medeverdachte 2] en [verdachte] heeft gehuurd. [medeverdachte 2] heeft haar hiervoor naar Bo Rent gebracht. [verdachte] had aan haar € 250,- gegeven voor de borg die betaald moest worden. Zij is vervolgens met de Caddy naar het [adres] gereden en heeft aldaar de sleutels aan [verdachte] gegeven. Rond 18.47 uur is zij met de Volkswagen Caddy samen met [verdachte] nog een kruiwagen gaan kopen bij Karwei. [verdachte] heeft deze kruiwagen contant betaald. De kruiwagen is in de Volkswagen Caddy blijven liggen39.

[verdachte] heeft hierover verklaard dat hij aan [medeverdachte 3] heeft gevraagd de Volkswagen Caddy te huren en haar € 250,- voor de borg heeft gegeven. Ook heeft hij bevestigd dat hij samen met haar met de Volkswagen Caddy een kruiwagen bij Karwei heeft gekocht40.

[medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat hij in de nacht van 19 op 20 april 2013 met de Volkswagen Caddy naar Hilvarenbeek geweest41.

Uit de administratie van Bo Rent blijkt dat de Volkswagen Caddy 39 kilometer heeft gereden. De politie heeft op basis van de verklaring van [medeverdachte 3] , de ARS-gegevens en de vindplaats van het lichaam van [slachtoffer] de met de Volkswagen Caddy vermoedelijk gereden route uitgestippeld. Volgens Google Maps bedraagt de afstand van deze route 38,3 kilometer hetgeen past binnen de gereden kilometers volgens Bo Rent42.

Volkswagen Passat

Uit de ARS gegevens van de Volkswagen Passat met het kenteken [kenteken 2] blijken de volgende detecties op 20 april 2013 op basis waarvan de daarbij hieronder weergegeven conclusies in het proces-verbaal worden getrokken:

  • -

    01.11.45 uur: Kempenbaan Tilburg richting Tilburg-Hilvarenbeek;

  • -

    01.34.41 uur: Provincialeweg N269 Hilvarenbeek richting Hilvarenbeek-Tilburg;

Aangezien het voertuig later niet werd gedetecteerd op de N269 richting Reusel, is het aannemelijk dat het voertuig op de N269 rechtsaf is geslagen in de richting Tilburgseweg Hilvarenbeek, dan wel linksaf geslagen in de richting Akkerstraat Biest-Houtakker.

  • -

    01.37.13 uur: provinciale weg N269 Hilvarenbeek, richting Hilvarenbeek-Tilburg;

  • -

    01.38.45 uur: Kempenbaan Tilburg richting Hilvarenbeek-Tilburg43.

Uit de ARS gegevens blijkt dat de Volkswagen Passat met het kenteken [kenteken 2] na om 01.11 uur Tilburg te hebben verlaten na 27 minuten via Hilvarenbeek weer terug was in Tilburg. De politie heeft de mogelijk gereden routes onderzocht vanaf de Kempenbaan te Tilburg naar de vindplaats van het lichaam van [slachtoffer] aan de Goirlesedijk te Hilvarenbeek. Dit leverde drie routes op waarvan de duur van route 1 en 2, 19 minuten bedroeg en route 3, twintig minuten. Dit bij een hoge verkeersintensiteit44.

[verdachte] heeft hierover verklaard dat hij samen met [medeverdachte 2] in de nacht van 19 op 20 april 2013 naar Hilvarenbeek is geweest. Daarbij heeft [medeverdachte 2] in de Volkswagen Caddy gereden en hijzelf in de Volkswagen Passat45.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank, in het licht van de eerdere vaststelling dat [slachtoffer] in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] moet zijn overleden en dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] vervolgens de auto van [slachtoffer] naar Oisterwijk hebben gebracht teneinde het overlijden van [slachtoffer] te verhelen, dat zij vervolgens samen zijn lichaam hebben weggevoerd en verborgen. Nadat zij terug waren in Tilburg vanuit Oisterwijk zijn hiervoor eerst de benodigde goederen aangeschaft. Zo zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] naar de Praxis gegaan om zeil en touw te kopen waarin het lichaam van [slachtoffer] vervolgens is gewikkeld. Hun beider telefoon heeft immers aangestraald op de zendmast die de locatie van de Praxis dekt. Vervolgens heeft [verdachte] een Volkswagen Caddy door [medeverdachte 3] laten huren waarbij [medeverdachte 2] haar naar het verhuurbedrijf heeft gebracht. Dit om hierin het lichaam van [slachtoffer] te vervoeren. Ook is er door [verdachte] samen met [medeverdachte 3] een kruiwagen bij de Karwei aangeschaft. Na zich de benodigde goederen te hebben verschaft, zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] op 20 april 2013 omstreeks 01.00 uur met twee auto’s en het lichaam van [slachtoffer] naar het bosperceel gereden aan de Goirlesedijk te Hilvarenbeek alwaar zij het lichaam in een greppel hebben verborgen door dit te bedekken met een laag zand.

Het verweer dat zij samen naar Hilvarenbeek zijn gereden om hennep af te leveren, acht de rechtbank ongeloofwaardig nu verdachte hierover geen verder informatie heeft willen geven waardoor verificatie onmogelijk is. Het verweer, gegrond op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , dat het lichaam later dan 20 april 2013 naar het bosperceel moet zijn gebracht, wordt eveneens terzijde geschoven. Op de foto op pagina 226 van onderdeel II van het eindproces-verbaal staat de aangetroffen situatie afgebeeld eerst nadat ontdekt was dat er een lichaam in de greppel lag. Daaruit blijkt dat de aangehaalde verklaringen niets zeggen over het feit of het wel of niet zichtbaar was dat er iets in de greppel lag. Op de foto is immers door het zand, niet waarneembaar dat het lichaam van [slachtoffer] in de greppel begraven lag. Het lichaam is ontdekt door een hond die aansloeg op de geur.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn zoon [medeverdachte 2] samen het lichaam van [slachtoffer] hebben weggemaakt. Zij hebben naar haar oordeel het oogmerk gehad om het feit van overlijden van [slachtoffer] tijdens de seksdate waarbij verdovende middelen waren gebruikt te verhelen, waarmee tegelijk het verweer van de verdediging dat ziet op de Wet op de Lijkbezorging wordt verworpen.

Feit 2

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 oktober 2015;

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]46;

- de kennisgeving van inbeslagneming betreffende de cocaïne, GHB en XTC47;

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de GHB48;

- het rapport van het NFI49;

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de hoeveelheid aangetroffen cocaïne50;

- de getuigenverklaringen van [getuige 5]51, [getuige 6]52 en [getuige 7]53.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gepleegd. Verdachte [medeverdachte 1] heeft hierover immers verklaard dat [verdachte] in hoofdzaak de handel in de verdovende en andere stimulerende middelen regelde maar dat zijzelf ook wel eens verkoopt als [verdachte] niet thuis is, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een zodanige verwevenheid van haar rol bij dit feit inhoudt dat gesproken kan worden van medeplegen.

Feit 3

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 oktober 2015;

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]54;

- de kennisgeving van inbeslagneming55;

- het proces-verbaal van bevindingen56.

Feit 4

Op 2 juli 2013 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan het [adres] alwaar [medeverdachte 1] en [verdachte] woonachtig zijn. Bij deze doorzoeking blijken er grote hoeveelheden strips met Kamagra pillen te zijn aangetroffen en in beslag genomen. Voorts zijn er hoeveelheden Kamagra Oral Jelly, strips met Cialis, flesjes Rush, strips met Cenforce en strips met Cobra aangetroffen57.

Gelet op het proces-verbaal van Inspectie voor de Gezondheidszorg van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ontbreken van een duidelijke weergave van de aangetroffen hoeveelheden, is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de middelen Kamagra Oral Jelly, Cialis, Rush original en Cenforce.

Met betrekking tot de in de woning aangetroffen pillen Kamagra dient de rechtbank allereerst vast te stellen of deze als een geneesmiddel kunnen worden aangemerkt.

Uit het verrichte onderzoek door de Inspectie voor de Gezondheidszorg blijkt dat er onderscheid wordt gemaakt in geneesmiddelen "naar aandiening" en geneesmiddelen "naar werking". In het onderhavig geval zijn de producten niet onderzocht en daardoor is niet vast te stellen of de producten kunnen leiden tot een noemenswaardige wijziging van fysiologische functies en zijn zij mitsdien niet aan te merken als “geneesmiddel naar werking.

Een product wordt geacht te zijn aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen wanneer het uitdrukkelijk als zodanig wordt aangeduid of aanbevolen op het etiket, in de bijsluiter of mondeling. Een product wordt eveneens aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen wanneer het bij de met een gemiddeld onderscheidingsvermogen begiftigde consument door de wijze van aandiening de indruk wekt dat het die eigenschappen heeft.

In onderhavig geval gaat het om in doordrukstrips verpakte ruitvormige, groene tabletten, vier stuks per strip. Gelet op de omschrijvingen in de kennisgeving van inbeslagneming en in het proces-verbaal van de politie, waren deze strips kennelijk voorzien van het opschrift: Kamagra. Het rapport vermeldt dat, voor zover dit uit de foto’s valt op te maken, de strips niet afwijken van originele exemplaren. Originele strips zijn op de achterzijde tevens voorzien van de opdruk: Sildenafil Citrate 100 mg.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de uiterlijke vorm van de tabletten reeds een eerste aanwijzing dat de tabletten moeten worden aangemerkt als een "geneesmiddel naar aandiening". Verder is het een feit van algemene bekendheid dat Kamagra een medicijn is, dat net als Viagra Sildenafil bevat en bestemd is voor mannen met een erectiestoornis. Gelet op deze omstandigheden wekken de tabletten de indruk dat zij therapeutische of profylactische eigenschappen hebben. De tabletten kunnen mitsdien als "geneesmiddel naar aandiening" worden aangemerkt58.

Het verweer van de verdediging dat het verrichte onderzoek op basis van foto’s onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat er sprake is van een geneesmiddel wordt verworpen. De rechtbank is van oordeel dat de foto’s van de tabletten zodanig duidelijk zijn dat er geen twijfel bestaat omtrent de waarneming van de inspecteur.

Voorts dient de rechtbank vast te stellen of in deze tabletten is gehandeld.

Verdachte heeft dit bekend. Ook werd de Kamagra gebruikt tijdens de seksdates om stijver te worden. Iedereen mocht vrij pakken59.

[medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat verdachte hierin in hoofdzaak handelde. Zij verkocht zelf echter ook wel eens als [verdachte] niet thuis was. Kamagra werd tijdens seksdates gebruikt, het zat bij de prijs inbegrepen. Het was echter ook buiten de seksdates om bij hen te verkrijgen60.

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat verdachte heeft gehandeld in het geneesmiddel Kamagra en dit tevens op voorraad heeft gehad. Daarvoor is een handelsvergunning vereist waarvan uit onderzoek is gebleken dat zowel verdachte [verdachte] als [medeverdachte 1] daarover niet beschikte61. Zij acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de handel in en het op voorraad hebben van het geneesmiddel Kamagra zonder de daarvoor vereiste handelsvergunning. De verklaring die [medeverdachte 1] hierover heeft afgelegd getuigt immers van een zodanige verwevenheid van haar rol bij dit feit dat gesproken kan worden van medeplegen.

Feit 5

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 oktober 2012;

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]62:

- het proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking ter inbeslagneming63;

- het proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie64.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2013 tot en met 20 april 2013 te Tilburg en/of te Hilvarenbeek en/of te Goirle, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen het lijk van [slachtoffer] heeft begraven en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van

het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededaders

- het lijk van die [slachtoffer] in een zeil gewikkeld en/of

- het lijk van die [slachtoffer] met een touw en/of een spanband omwikkeld en/of

- het lijk van die [slachtoffer] met een auto vervoerd en/of

- het lijk van die [slachtoffer] begraven en/of verborgen en/of weggemaakt in een greppel, althans in een bosperceel.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 2013 tot en met 1 juli 2013 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer (gebruikers) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of GHB (Gamma Hydroxy Boterzuur) en/of MDMA en/of

tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetemine en/of

amfetamine, zijnde cocaïne en/of GHB en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of

N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetemine en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;.

en/of

hij op of omstreeks 2 juli 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,5 gram, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 0,5 liter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (Gamma Hydroxy Boterzuur) en/of ongeveer 188 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of GHB en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;.

3.

hij op of omstreeks 2 juli 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 200 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 2 juli 2013 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een of meer geneesmiddel(en), te weten Kamagra (1264 stuks) en/of Kamagra Oral Jelly (145 stuks) en/of Cialis (184 stuks) en/of Rush original (22 stuks) en/of Cenforce FM (12 stuks) en/of Cobra 120 (5 stuks), waarvoor geen handelvergunning geldt, in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of heeft ingevoerd of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht;.

5.

hij op of omstreeks 02 juli 2013 te Tilburg (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 146 dagen met aftrek van het reeds door hem ondergane voorarrest. Hij rekent het verdachte daarbij met name aan dat hij met het tenlastegelegde onder 1 het opsporingsonderzoek naar de vermissing van [slachtoffer] heeft gefrustreerd, hetgeen grote emotionele gevolgen voor de nabestaanden van het slachtoffer heeft gehad. Onder verwijzing naar de jurisprudentie acht hij artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing en niet de Wet op de lijkbezorging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de eis van de officier van justitie, ook in het geval van een bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 1, behoorlijk fors is. Er is immers geen sprake van enige betrokkenheid bij het overlijden van [slachtoffer] . Bepleit wordt dan ook de eis te matigen en aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Daarnaast zou eventueel nog overwogen kunnen worden een taakstraf aan verdachte op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met zijn zoon het lichaam van [slachtoffer] , die tijdens een seksdate met hem en zijn partner is overleden door hartfalen na het gebruik van drugs en Kamagra, vervoerd en verborgen. Daarbij is door hen zeil en touw bij een bouwmarkt gekocht waarin zij het lichaam van [slachtoffer] hebben gewikkeld. Ook is er bij een andere bouwmarkt een kruiwagen gekocht en is er bij een verhuurbedrijf een bestelbusje gehuurd teneinde het lichaam vervolgens te kunnen vervoeren naar een bosperceel te Hilvarenbeek. Aldaar hebben zij het lichaam van [slachtoffer] in een greppel verborgen door dit met een laag zand te bedekken.

Dit gedrag van de verdachte is als moreel verwerpelijk en als volstrekt ontoelaatbaar aan te merken. Door dit handelen heeft verdachte immers het opsporingsonderzoek naar de door de nabestaanden als vermist opgegeven [slachtoffer] gefrustreerd. De nabestaanden hebben hierdoor wekenlang in onzekerheid verkeerd over het lot van hun echtgenoot en vader. Voorts zijn de nabestaanden hierdoor niet in de gelegenheid geweest op een normale manier afscheid te nemen van hun dierbare. Dit moet de verdachte zwaar aangerekend worden. De emotionele gevolgen die de nabestaanden van het slachtoffer hebben ondervonden en nog immer ondervinden blijkt uit de opgestelde verklaring van de dochter van [slachtoffer] die door de officier van justitie tijdens het requisitoir is voorgehouden. De wijze waarop men zich in dit geval van het lijk heeft ontdaan, heeft de samenleving geschokt.

Daarnaast is vast komen te staan dat verdachte zich samen met zijn echtgenote gedurende in ieder geval een half jaar schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne, GHB en XTC. Deze verdovende middelen werden niet alleen verstrekt aan de klanten van de wap-dates maar waren ook los van dergelijke dates bij hen verkrijgbaar. Deze harddrugs waren tevens voorradig in hun woning ten tijde van de doorzoeking. Ook is er een hoeveelheid softdrugs in hun woning aangetroffen. Het gebruik van dergelijke verdovende middelen is op zichzelf reeds schadelijk voor de volksgezondheid en leidt in de maatschappij bovendien tot overlast vanwege de verslaafdencriminaliteit die het doorgaans met zich meebrengt, hetgeen verdachte aangerekend dient te worden.

Voorts is vast komen te staan dat verdachte samen met zijn echtgenote als onderdeel van de seksdates die zij organiseerden, tevens handelden in erectiepillen. Deze waren echter evenals de drugs ook los van deze dates bij hen verkrijgbaar en voorradig in hun woning. Dit terwijl zij hiervoor geen handelsvergunning hadden. Dat een zodanige vergunning voor de handel het gebruik van dergelijke geneesmiddelen niet voor niets is voorgeschreven is in casu wel gebleken. Het handelen in geneesmiddelen waarvoor geen vergunning is afgegeven kan fatale gevolgen hebben, temeer wanneer zij in combinatie met andere verdovende middelen gebruikt worden. Verdachte en zijn echtgenote hebben voor dit gevaar geheel geen oog gehad en louter gehandeld uit winstbejag. De rechtbank acht de gedragingen van verdachte dan ook ernstig.

Tot slot had verdachte samen met zijn echtgenote een stroomstootwapen in bezit. Het onbevoegd voorhanden hebben van een dergelijk wapen is vanwege de bedreiging van de veiligheid van anderen die daarvan uitgaat, maatschappelijk onaanvaardbaar.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte in het kader van de oorspronkelijke verdenking in deze zaak 56 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en verder een blanco strafblad heeft. Voorts constateert de rechtbank dat de redelijke termijn van berechting waar verdachte recht op heeft op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten. Gezien de aard en ernst van de feiten, de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS alsmede de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten worden opgelegd, kan naar haar oordeel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De nadruk ligt daarbij met name op het eerste feit, waarbij de initiërende rol van verdachte als strafverzwarende omstandigheid wordt meegewogen. Zij acht in dit geval, rekening houdend met het feit dat de redelijke termijn van berechting waarop verdachte recht heeft is overschreden, een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden passend en geboden. Dit met aftrek van het reeds door hem ondergane voorarrest.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57 en 151 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13 van de Opiumwet, de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet Wapens en Munitie, het artikel 40 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Medeplegen van een lijk verbergen en wegvoeren met het oogmerk om het feit/oorzaak van het overlijden te verhelen;

feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4: Het opzettelijk in voorraad hebben en verkopen van geneesmiddelen, waarvoor geen handelsvergunning geldt;

feit 5: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Hertsig en mr. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 oktober 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het proces-verbaal TGO Witte Duinen met onderzoeksnummer 20TG13005 en proces-verbaalnummer 2013093853 van politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1390, hierna eindproces-verbaal, onderdeel I ofwel een proces-verbaal van de Forensische Opsporing, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 378, hierna eindproces-verbaal onderdeel II, ofwel een proces-verbaal uit het BOB-dossier, opgemaakt in de wettelijke vorm en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 654, hierna eindproces-verbaal onderdeel III. Het proces-verbaal omschrijving locatie aantreffen slachtoffer, eindproces-verbaal onderdeel II, p. 24.

2 Het rapport van het NFI betreffende het forensisch archeologisch onderzoek aangaande een begraven stoffelijk overschot in bosperceel te Hilvarenbeek op 14 en 15 mei 2013 d.d. 14 juni 2013, eindproces-verbaal onderdeel II, p. 247.

3 Het rapport van het NFI betreffende forensisch-technische ondersteuning naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot op 14 mei 2013 in een bosgebied in Hilvarenbeek d.d. 24 juni 2013, eindproces-verbaal onderdeel II, p. 216.

4 Het rapport van het NFI betreffende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 23 augustus 2013, eindproces-verbaal onderdeel II, p. 193.

5 Het rapport van het NFI betreffende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 23 augustus 2013, eindproces-verbaal onderdeel II, p. 190 en 191.

6 Het proces-verbaal van bevindingen onderbroek slachtoffer, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 485.

7 Het meldingsformulier vermist persoon, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 383.

8 Het proces-verbaal aanleiding onderzoek Doubs, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 372.

9 De emailberichten van 15 en 16 april 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 392 en 393.

10 Het proces-verbaal aanleiding onderzoek Doubs, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 373.

11 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 3 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 156-159.

12 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 2 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 102-104.

13 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 8 augustus 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 128.

14 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 16 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 842 en 843.

15 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] d.d. 17 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 867.

16 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 16 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 840 en 841.

17 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 758 en 759.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 536.

19 De bijlage bij het verhoor van [medeverdachte 2] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 294.

20 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, onderdeel I, p. 553.

21 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] , d.d. 2 juli 2013, 10 juli 2013 en 9 augustus 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 156-159, 165, 168, 169 en 185.

22 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 10 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 344.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 403.

24 Het proces-verbaal van bevindingen aanvulling ARS gegevens voertuig [slachtoffer] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 504.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 403.

26 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 2 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 254.

27 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot voertuig [kenteken 2] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 506.

28 Het proces-verbaal van bevindingen voertuig [kenteken 2] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 513.

29 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 408 en 409.

30 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 536.

31 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, onderdeel I, p. 553 en 554.

32 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 8 augustus 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 128.

33 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] , d.d. 2 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 256 en 257.

34 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot aankoop polypropeleen en dekzeil 19 april 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 745.

35 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 754.

36 Het proces-verbaal van bevindingen Bo Rent Tilburg, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 926

37 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 951.

38 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 953.

39 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 10 juli 2013 en 11 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 347 en 348 en 357-360.

40 De ter terechtzitting van 8 oktober 2015 afgelegde verklaring van [verdachte] .

41 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 12 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 307.

42 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 945 en 946.

43 Het proces-verbaal van bevindingen voertuig [kenteken 2] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 513.

44 Het proces-verbaal van bevindingen rijroutes Tilburg-Goirlesedijk Hilvarenbeek [kenteken 2] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 519-521.

45 De ter terechtzitting van 8 oktober 2015 afgelegde verklaring van [verdachte] .

46 De processen-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 3 juli 2013 en 10 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 157 en p. 172-174.

47 De kennisgeving van inbeslagneming, blad 1, 2 en 3, volgnummers 1, 2, 4, 5 en 6, eindproces-verbaal onderdeel I.

48 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 1107 en 1108

49 Het rapport van het NFI van 29 augustus 2013, eindproces-verbaal onderdeel II, p. 264 en 266.

50 Het proces-verbaal van bevindingen betreffende de hoeveelheid aangetroffen en inbeslaggenomen cocaïne (los in dossier).

51 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 1254.

52 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 1283.

53 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] , eindproces-verbaal onderdeel I, p. 1332.

54 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 10 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I. p. 172.

55 De kennisgeving van inbeslagneming, blad 1 en 4, volgnummer 7, eindproces-verbaal onderdeel I.

56 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 1107 en 1108.

57 Het proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking ter inbeslagneming, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 82-85.

58 Het proces-verbaal van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van 29 augustus 2014 (los in het dossier).

59 De ter terechtzitting van 8 oktober 2013 afgelegde verklaring van [verdachte] .

60 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 10 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 172 en 173.

61 Het proces-verbaal van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. (Los in het dossier)

62 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 10 juli 2013, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 174.

63 Het proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking ter inbeslagneming, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 82, 83 en 84.

64 Het proces-verbaal van Regionaal Bureau Wapens en Munitie, eindproces-verbaal onderdeel I, p. 1344 en 1346.