Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6673

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
C/02/277603 / HA ZA 14-141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bestuurder vennootschap. De vennootschap van gedaagde heeft van eiseres een vennootschap gekocht en de koopsom geleend. Uiteindelijk kan hij de vennootschap die lening niet terugbetalen. Geen persoonlijke aansprakelijkheid. Voldoet niet aan Beklamel-norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/728
OR-Updates.nl 2016-0095
INS-Updates.nl 2016-0136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/277603 / HA ZA 14-141

Vonnis van 30 september 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEHEERMAATSCHAPPIJ KLEIN MOLENBEEK ten deze vertegenwoordigd door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOLDING KLEIN MOLENBEEK,

gevestigd te Tholen,

eiseres,

advocaat mr. C.A. Mascini te Breda,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.A.A. Maat te Goes.

Partijen zullen hierna BKM en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 juli 2014

  • -

    akte houdende overlegging producties en aanvulling rechtsgronden zijdens BKM van 1

december 2014

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 1 december 2014

  • -

    akte tot in het geding brengen producties van 17 december 2014

  • -

    de conclusie van repliek van 21 januari 2015

  • -

    de conclusie van dupliek van 4 maart 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het verdere geschil

2.1.

BKM voert ter onderbouwing van haar vordering samengevat opgenomen in rechtsoverweging 3.1. van het vonnis van 9 juli 2014 het navolgende aan. BKM stelt gemotiveerd, onder verwijzing naar jurisprudentie, dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en aansprakelijk is voor de schade die BKM lijdt als gevolg van het feit dat Autodax B.V. – verder Autodax – niet aan haar verplichtingen uit de koopovereenkomst voldoet. Volgens BKM is [gedaagde] in zijn hoedanigheid van middellijk statutair directeur van Autodax met het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de koop door Autodax van de aandelen in Autobedrijf Klein Molenbeek B.V. en het sluiten van de overeenkomst van geldlening voor (het grootste deel van) de koopsom, te gemakkelijk grote financiële verplichtingen in naam van Autodax aangegaan. [gedaagde] heeft bewust het risico genomen dat Autodax niet aan haar verplichtingen uit die overeenkomsten zou kunnen voldoen, althans dat Autodax geen verhaal zou bieden. [gedaagde] kon ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten aan de hand van de jaarrekening 2010 van Autodax en uit de jaarcijfers van Autobedrijf Klein Molenbeek B.V. weten of had moeten weten dat Autodax de voor haar uit de overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen voldoen. In 2009 en 2010 werd verlies geleden welk verlies in de jaren daarna is opgelopen. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst waren er geen middelen beschikbaar om de vordering van BKM en de afgesproken managementvergoeding te voldoen. Voorts heeft [gedaagde] er zorg voor gedragen dat BKM haar vordering niet op Autodax kon verhalen.

De door Autobedrijf Klein Molenbeek aan Autodax overgedragen auto’s zijn door Autodax, op het moment dat zij na betaling van de laatste leasetermijn eigenaresse werd, overgedragen aan Mobility B.V. Autodax had het bedrag van € 256.209,00 dat zij ontving uit hoofde van de verkoopovereenkomst met Mobility B.V. aan kunnen wenden om BKM te betalen maar heeft dat nagelaten. De inkomsten die Autodax genereerde met lease en verkoop van auto’s aan andere groepsmaatschappijen heeft Autodax bewust aangewend ter voldoening van andere schuldeisers, met name de andere groepsmaatschappijen, vennootschappen van [gedaagde] . Autodax heeft BKM bewust onbetaald gelaten. BKM verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van betallingsonwil naar de in de jurisprudentie ter vaststelling daarvan ontwikkelde criteria en stelt gemotiveerd dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. BKM was ten tijde van het faillissement de enige onbetaald gelaten ‘externe’ crediteur. [gedaagde] wist dat BKM door deze handelingen zou worden benadeeld. [gedaagde] heeft dus ook onrechtmatig jegens BKM gehandeld. BKM betwist gemotiveerd de verwijten die [gedaagde] de bestuurders van BKM, [bestuurders BKM] , maakt. [gedaagde] heeft zijn stellingen dienaangaande niet onderbouwd. Nog afgezien daarvan heeft hetgeen [gedaagde] [bestuurders BKM] verwijt geen aandeel gehad in de onmogelijkheid van Autodax om de vordering van BKM te voldoen. BKM betwist gemotiveerd dat in het onderhavige geval de Beklamel-norm niet van toepassing is. Autodax had, in tegenstelling tot hetgeen Autodax daartoe aanvoert, ten tijde van het uitspreken van het faillissement naast BKM wel degelijk andere schuldeisers. Bovendien rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat er geen andere schuldeisers zouden zijn niet het feit dat voor [gedaagde] niet voorzienbaar was dat Autodax niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. BKM betwist dat de door [gedaagde] gestelde crisis in de uitzendbranche van invloed is geweest op het resultaat van Autodax. Autodax had het wagenpark bij koopovereenkomst tussen haar en Autobedrijf Klein Molenbeek op 19 april 2012 al verkocht aan Mobility B.V.

2.2.

[gedaagde] voert verweer. Hij stelt primair dat Autodax de overeenkomst heeft gesloten. Aan de zijde van BKM is sprake is van een onterechte vereenzelviging van [gedaagde] met Autodax. [gedaagde] betwist dat sprake is van de criteria zoals geformuleerde in het Beklamel-arrest. Ook heeft hij de norm die de Hoge Raad in Ontvanger/Roelofsen stelt niet met voeten getreden. [gedaagde] stelt gemotiveerd dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten niet voorzienbaar dat Autodax deze niet zou kunnen nakomen. Autodax heeft aanvankelijk gedurende een behoorlijke tijd, van mei 2011 tot en met maart 2012, aan haar betalingsverplichtingen, ook ter zake van de managementvergoeding, voldaan. De omzet in het uitzendwerk in Nederland is na aankoop van de aandelen in 2011 sterk achteruit gelopen. BKM betwist dat de krimp in de uitzendmarkt niet van invloed kan zijn geweest op de resultaten van Autodax omdat het wagenpark op 19 april 2012 was verkocht. Verkoop aan Mobility B.V. was bovendien noodzakelijk om een faillissement te voorkomen. Indien en voor zover er wel sprake was van voorzienbaarheid bij [gedaagde] kan hem geen ernstig persoonlijk verwijt gemaakt worden. Er zijn geen noemenswaardige overeenkomsten met derden gesloten en er zijn geen schulden bij derden. [gedaagde] betwist te gemakkelijk grote financiële verplichtingen in naam van Autodax te zijn aangegaan. [bestuurders BKM] is zelf op meerdere onderdelen tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en heeft gehandeld in strijd met gemaakte afspraken, als gevolg waarvan Autodax schade heeft geleden. [bestuurders BKM] heeft Autodax op enig moment ook oneigenlijke concurrentie aangedaan als gevolg waarvan Autodax minder presteerde. De continuïteit van Autodax en betaling van het door haar verschuldigde bleek daardoor niet langer haalbaar. Volgens [gedaagde] is ook niet sprake geweest van selectieve betaling. Autodax betaalde in 2013 en 2014 haar lopende lasten niet zelf. Die werden betaald door het moederbedrijf Daxxa Holding B.V. Zij heeft alle resterende schulden voor haar rekening genomen en betalingen gedaan. Als gevolg daarvan had zij een aanzienlijke vordering op Autodax. Daxxa Holding heeft BKM niet betaald omdat met betrekking tot die vordering een procedure in hoger beroep liep en die vordering mitsdien betwist werd. Het niet toezien op tijdig voldoen door een vennootschap van een vordering is onvoldoende om te komen tot onrechtmatig handelen door de bestuurder. De vordering Daxxa Holding B.V. op Autodax had is gedeeltelijk verrekend met de vordering die Autodax op Daxxa Uitzendorganisatie B.V. had uit hoofde van facturatie voor verhuur van auto’s. Autodax heeft met de reële door Mobility B.V. betaalde koopsom niet de eigen vennootschappen voldaan. Na verkoop resteerde geen positief saldo. Sprake was van betalingsonmacht, niet betalingsonwil. [gedaagde] betwist gemotiveerd dat sprake was van een ongebruikt groepskrediet. Door [gedaagde] is geen specifieke zorgvuldigheidsnorm geschonden. Er is dan ook niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. Niet is sprake van het schenden van een norm die strekt tot bescherming van de schade zoals BKM stelt die te hebben geleden. [gedaagde] stelt rauwelijks te zijn gedagvaard hetgeen in de weg staat aan een proceskosten veroordeling.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank overweegt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap die namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld indien hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van een verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder in het geval dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt wordt aangenomen indien het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

3.2.

De rechtbank overweegt dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst door Autodax met BKM op 6 mei 2011 de jaarrekening van Autodax over 2010 nog niet gereed was. Deze jaarrekening is op 27 januari 2012 goedgekeurd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Autodax en op 30 januari 2012 gepubliceerd. [gedaagde] had daar ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dan ook nog geen kennis genomen. Voor zover BKM de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] derhalve baseert op bekendheid van [gedaagde] met de jaarcijfers over 2010 wordt dat door de rechtbank gepasseerd. Niet valt voorts in te zien waarom de omstandigheid dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen niet door Autobedrijf Klein Molenbeek B.V. konden worden gedragen de conclusie rechtvaardigt dat [gedaagde] wist althans had moeten weten dat Autodax niet aan de overeenkomst zou kunnen voldoen. Immers, de overeenkomst werd aangegaan met het oog op het voordeel dat overname van Autobedrijf Klein Molenbeek B.V. zou opleveren wanneer zij onderdeel van de Daxxa Uitzendorganisatie zou uitmaken en met het oog op het verwachten aantrekken van de uitzendmarkt. Autodax heeft voorafgaand aan de overname een geconsolideerde begroting op laten maken, waarvan door BKM niet is gesteld dat deze niet reëel zou zijn. Op grond van die begroting moest worden aangenomen dat na overname 2011 al een positief resultaat zou laten zien, welk resultaat in 2012 en 2013 nog (aanzienlijk) zou oplopen. Dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet in de rede lag dat Autodax niet aan de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zou kunnen voldoen volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de omstandigheid dat Autodax de eerste drie kwartalen, tot het eerste kwartaal van 2012, ook aan haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan en er daarnaast verrekening heeft plaatsgevonden van een vordering van Autodax op BKM van een bedrag van € 27.000,00. Aannemelijk is dat Autodax vervolgens niet aan haar verplichtingen kon voldoen omdat het verwachte herstel op de uitzendmarkt uitbleef en de verwachte groei, ingezet het laatste kwartaal van 2010 en voortgezet de eerste twee kwartalen van 2011, omsloeg in daling en uiteindelijk krimp in het tweede kwartaal van 2012, het bestaan van welke omstandigheden door BKM ook niet is bestreden. Dit is een omstandigheid die behoort tot het ondernemersrisico. Het niet voorzien van een dergelijke ontwikkeling leidt niet tot persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met BKM [gedaagde] niet geacht kan worden te hebben geweten of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat Autodax niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Of het handelen van [bestuurders BKM] al dan niet bijgedragen heeft aan het niet langer kunnen voldoen aan de overeenkomst kan naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het vorenstaande, buiten beschouwing blijven. De rechtbank laat hetgeen partijen daaromtrent over en weer hebben gesteld dan ook onbesproken.

3.3.

De rechtbank overweegt voorts dat BKM [gedaagde] verwijt dat hij bewust heeft bewerkstelligd dat Autodax BKM niet betaalde en geen verhaal bood. BKM grondt dit betoog hoofdzakelijk op de gang van zaken met betrekking tot de verkoop van het wagenpark door BKM aan Mobililty B.V. en de omstandigheid dat BKM als enige schuldeiser resteerde terwijl de groepsmaatschappijen wel zouden zijn voldaan. De beslissing om, met het oog op de krimpende markt en het voorkomen van (oplopende) verliezen het wagenpark van Autodax te verkopen is een beslissing die in het kader van de bedrijfsvoering door [gedaagde] is genomen en zonder dat sprake is van bijkomende omstandigheden, niet onrechtmatig is. Dergelijke bijkomende omstandigheden zijn door BKM niet gesteld en die zijn ook niet gebleken. Zo is onbestreden door [gedaagde] gesteld dat door Mobility B.V., overigens geen vennootschap behorende tot de Daxxa-groep, een reële, zakelijke, prijs is betaald. De enkele beslissing om de opbrengst niet aan te wenden ter betaling van de vordering van BKM is ook niet onrechtmatig. Ten tijde van de verkoop in april 2012 was op de vordering van BKM, inclusief de verrekening van € 27.000,00, € 64.500,00 afgelost terwijl volgens het aflossingsschema zoals opgenomen in de overeenkomst van geldlening op dat moment een bedrag van € 50.000,00 afgelost had moeten zijn. Nog afgezien daarvan staat het een ondernemer in het kader van zijn bedrijfsvoering in beginsel vrij te beslissen ter delging van welke vorderingen hij inkomsten aanwendt. BKM zelf stelt dat uit het arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch gewezen op het door Autodax tegen het vonnis van faillietverklaring ingestelde hoger beroep, volgt dat de groepsmaatschappijen ten tijde van het uitspreken van het faillissement van Autodax nog een bedrag van om en nabij de € 700.000,00 van Autodax te vorderen hadden. Indien en voor zover het bedrag ter zake van de verkoop aan Mobility B.V. aan de groepsmaatschappijen ten goede is gekomen, hetgeen door Autodax overigens wordt bestreden, kan op grond van die beslissing, gelet op de resterende vordering van de groepsmaatschappijen in verhouding tot het bedrag dat BKM nog te vorderen heeft, niet aangenomen worden dat sprake is van betalingsonwil aan de zijde van Autodax. BKM verwijt [gedaagde] voorts dat hij als bestuurder van andere groepsmaatschappijen toegelaten zou hebben dat deze groepsmaatschappijen vorderingen die Autodax op hen had verrekend hebben met hun vorderingen op Autodax. Wat daar ook van zij, dat betreft niet het handelen van [gedaagde] als bestuurder van Autodax en is in het kader van de onderhavige procedure derhalve niet aan de orde. Ook de stelling dat [gedaagde] heeft bewerkstelligd dat Autodax geen verhaal bood wordt gepasseerd. Uit de stellingen van BKM volgt dat er ten tijde van het faillissement in ieder geval nog sprake was van een debiteurenportefeuille van om en nabij de € 180.000,00.

3.4.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet sprake is van omstandigheden op grond waarvan voor [gedaagde] bij het namens Autodax sluiten van de overeenkomst wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat Autodax niet aan haar verplichtingen uit de overeenkomst zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. De rechtbank komt voorts tot het oordeel dat niet sprake was van betalingsonwil aan de zijde van Autodax en [gedaagde] niet bewust heeft bewerkstelligd dat Autodax geen verhaal bood. De rechtbank zal de vordering van BKM derhalve afwijzen.

3.5.

De rechtbank zal BKM als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.519,00

- salaris advocaat € 5.684,00

Totaal: € 7.203,00.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt BKM in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 7.203,00.

4.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2015.

MdB