Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6652

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
C/02/268078 / HA ZA 13-611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout notaris. Erflater had de wens een stichting op te richten voor zijn nalatenschap en van daaruit uitkeringen te doen aan behoeftige mensen. Eisers waren geen erfgenaam maar mogelijk begunstigden van een uitkering door die stichting. Vlak voor de dood van erflater wilde deze zijn testament wijzigen. De notaris heeft daar niet meer aan kunnen voldoen. De lijn was te kort. Is handelen van notaris onrechtmatig jegens deze derden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/268078 / HA ZA 13-611

Vonnis van 10 juni 2015

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. A.M.C. Marius-van Eeghen te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[vennootschap] ,

gevestigd te Bergen op Zoom,

gedaagden,

advocaat mr. J. Mencke te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagde sub 1 alleen zal worden aangeduid als [gedaagde sub 1] , gedaagde sub 2 als de vennootschap.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte houdende producties

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlating producties tevens akte houdende vermeerdering van eis.

[gedaagden] is niet in de gelegenheid gesteld op laatstgenoemde akte te reageren. Dat had wel moeten gebeuren. Nu de vermeerdering van eis echter de omvang en hoogte van de gestelde schade betreft, terwijl gevorderd is die in een afzonderlijks schadestaatprocedure vast te stellen, ziet de rechtbank aanleiding om [gedaagden] niet in deze procedure alsnog in de gelegenheid te stellen op de vermeerdering van eis te reageren.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] zijn broers en zussen; zij zijn de kinderen van [naam vader] en [naam moeder] (hierna: moeder). Moeder is overleden op [overlijdensdatum] . Moeder was een van de vijf kinderen van [naam opa] en [naam oma] . De andere vier zijn [tante Maria] (hierna: Tante Maria, gehuwd geweest en kinderloos gebleven), [oom Emiel] (hierna: Oom Emiel; niet gehuwd en kinderloos gebleven), [tante Dora] (hierna: Tante Dora; niet gehuwd en kinderloos gebleven, overleden op [overlijdensdatum] ) en [tante Lenie] (hierna: Tante Lenie; niet gehuwd en kinderloos gebleven).

2.2.

[gedaagde sub 1] is notaris; hij oefent zijn praktijk uit in de vennootschap, waarvan hij enig bestuurder en enig aandeelhouder is.

2.3.

Oom Emiel heeft een uiterste wilsbeschikking gemaakt, opgenomen in een op 3 februari 2000 bij [gedaagde sub 1] gepasseerd testament. Het testament bevat – voor zover hier van belang – de navolgende bepalingen:

“(…)

TEN TWEEDE

Voor het geval ik vóór mijn zuster [tante Lenie] , (…), kom te overlijden, beschik ik als volgt:
legaat
Ik legateer, vrij van rechten en kosten, af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden, aan mijn zuster [tante Lenie] , voornoemd:
mijn aandeel in de door ons gezamenlijk bewoonde woning met erf, tuin en verdere aangehorigheden aan de [adres] , alsmede mijn aandeel in de daarin aanwezige inboedel als bedoeld in artikel 5 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

erfstelling

Onder de last van voormelde legaten, benoem ik tot mijn enige en algehele erfgename:

Een bij mijn overlijden op te richten Stichting die ernaar zal streven het vermogen zoveel mogelijk bijeen te houden en welke Stichting ten doel zal hebben:

- het financieel steunen van mensen in nood middels schenkingen, dit ter beoordeling van het bestuur; en

- het boven vijf procent (5%) van het oorspronkelijk ingebrachte vermogen van de Stichting uitgestegene uitkeren aan de wettige afstammelingen van [naam moeder] .

Voor de eerste maal dienen tot bestuurders van de hiervoor bedoelde Stichting te worden benoemd:

de heer (…) Rouws van de maatschap Rouws en Ceulen, kantoor houdende Breda, (…); en

[eiser sub 5] (…).

De twee zittende bestuurders zullen samen een derde bestuurder benoemen. (…)Voor het beheer van de effecten ontvangt de heer Rouws, voornoemd, de vastgestelde premie.

De tot mijn vermogen behorende tweehonderd twee en zestig (262) aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “ [naam B.V.] (…) dienen te worden ingebracht in de hiervoor bedoelde Stichting. (…).

Voorts is het mijn uitdrukkelijke wens dat de stichting zorgdraagt voor het onderhoud en dergelijke van de graven van [naam opa] en [naam oma] , hun kinderen en kleinkinderen.

TEN DERDE

Ik benoem tot uitvoerster van mijn uiterste wil, beredderaar van mijn boedel en bezorgster van mijn begrafenis: mijn voornoemde zuster; zulks met alle macht en gezag als aan een executrice kan worden gegeven, speciaal met het recht tot inbezitneming van de goederen van mijn nalatenschap, een en ander totdat zij als zodanig door de erfgenamen zal zijn gedechargeerd, (…)”

2.4.

Bij brief van 16 april 2002 van ABN-Amro Private Banking aan [gedaagde sub 1] zijn – naar aanleiding van een met Oom Emiel besproken advies – aanwijzingen gegeven tot wijziging van het testament. Hij wenste niet langer dat een op te richten stichting erfgenaam zou zijn, maar dat de eisers sub 2, 4 en 5 dat ieder voor een derde zouden zijn, zulks onder de last van diverse legaten. Oom Emiel is drie dagen later, op [overlijdensdatum] , overleden. Wijziging van zijn testament had toen nog niet plaatsgevonden.

2.5.

Op 25 juli 2002 vond een bespreking plaats waarbij aanwezig waren Tante Lenie, eiser 5, [gedaagde sub 1] en vermogensbeheerders/adviseurs van Oom Emiel. Op die bijeenkomst heeft Tante Lenie aangegeven de benoeming, opgenomen in het testament onder “TEN DERDE”, niet te aanvaarden.

2.6.

Bij brief van 23 januari 2004 heeft [gedaagde sub 1] aan de Belastingdienst een voorstel tot afwikkeling van de nalatenschap van Oom Emiel (hierna: de Nalatenschap) gedaan (waarbij nog steeds werd uitgegaan van een op te richten stichting als erfgenaam, die van het te ontvangen vermogen 5% zou uitkeren aan goede doelen en 95% aan [eisers] ). Bij brief van 30 januari 2004 is [eisers] over dit voorstel geïnformeerd. Vervolgens is er tussen [gedaagde sub 1] en [eisers] verder gecorrespondeerd.

2.7.

Bij brief van 4 oktober 2004 hebben eisers 4 en 5 namens [eisers] [gedaagde sub 1] opdracht gegeven tot het doen van successieaangifte en het liquide maken van de aandelen en effecten, opdat de belasting kan worden betaald. Op 13 oktober 2004 is [gedaagde sub 1] ingeschreven als boedelnotaris. Kort daarna is door [eisers] , Tante Lenie en Tante Maria een boedelvolmacht afgegeven aan eisers 4 en 5 en hebben zij allen de nalatenschap van Oom Emiel beneficiair aanvaard.

2.8.

Op 15 november 2004 heeft [gedaagde sub 1] een verklaring van erfrecht betreffende Oom Emiel afgegeven. Als erfgenamen van Oom Emiel zijn daarin – verwijzend naar het testament van 3 februari 2000 – vermeld Tante Maria en Tante Lenie elk voor één derde deel en [eisers] elk voor één vijftiende deel. Voorts is vermeld dat alle erfgenamen de Nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.

2.9.

Op 19 november 2004 heeft [gedaagde sub 1] ABN-Amrobank opdracht gegeven de effectenportefeuille van Oom Emiel te liquideren; de opbrengst was € 1.101.117,03. Op 10 december 2004 heeft [gedaagde sub 1] vervolgens ABN-Amrobank opdracht gegeven (vanuit die opbrengst) de voorlopige successieaanslag van € 1.159.417,-- te betalen.

2.10.

Bij brief van 1 februari 2005, herhaald bij brief van 15 december 2009, is [gedaagde sub 1] – bij eerstgenoemde brief namens Tante Lenie en [eisers] , bij de herhaling alleen namens [eisers] – aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van zijn

“tekortkomingen, onjuiste of onzorgvuldige adviezen ofwel nalatige handelingen aan (zijn) zijde met betrekking tot de advisering en opstelling en afwikkeling van het testament van (Oom Emiel)”

geleden en nog te lijden schade.

2.11.

Bij notariële akte van 20 april 2005, verleden ten overstaan van [gedaagde sub 1] en vermeldend Tante Lenie en [eisers] als deelgenoten, is het legaat aan Tante Lenie afgegeven; het aandeel van Oom Emiel in de woning te Ossendrecht is aan haar geleverd. Op dezelfde wijze is op 3 mei 2005 een in de Nalatenschap gevallen perceel grond in [adres] aan de Gasunie geleverd. Op 16 juni 2006 zijn bij notariële akte, verleden ten overstaan van [gedaagde sub 1] , de tot de Nalatenschap behorende aandelen in het kapitaal van [naam B.V.] op naam van [eisers] gesteld.

2.12.

[eisers] heeft op 25 september 2006 een klacht tegen [gedaagde sub 1] ingediend bij de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Breda (hierna: de Kamer). Bij beslissing van 24 april 2007 is de klacht voor zover deze de niet voortvarende afwikkeling van de Nalatenschap en de ontijdige informatieverstrekking betrof, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. [gedaagde sub 1] is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

2.13.

In 2006 heeft [eisers] de opdracht aan [gedaagden] om op te treden als boedelnotaris ingetrokken. Voor de verdere afwikkeling van de Nalatenschap heeft hij zich daarna gewend tot een andere notaris.

2.14.

In een procedure tussen [eisers] enerzijds en Tante Maria en de erven van de op [overlijdensdatum] overleden Tante Lenie anderzijds (die tegen het gevorderde geen verweer hebben gevoerd) heeft de rechtbank bij vonnis van 13 oktober 2010 voor recht verklaard dat het testament van Oom Emiel van 3 februari 2000 onuitvoerbaar is en heeft zij de verdeling bevolen overeenkomstig een aan dat vonnis gehecht verdelingsvoorstel (waarin – kort gezegd – [eisers] ieder één vijfde deel van de Nalatenschap krijgen toegedeeld).

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] in het kader van de Nalatenschap in zijn hoedanigheid van notaris:

1) niet heeft gehandeld als een redelijk en bekwaam notaris;

2) jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld en in strijd met zijn zorgplicht als notaris;

3) aan [eisers] niet tijdig de juiste informatie heeft verstrekt;

4) uit hoofde van opdracht, voor zover daarvan sprake is, jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten;

5) aansprakelijk is voor de door [eisers] reeds geleden en in de toekomst te lijden schade als gevolg van zijn handelwijze en dat hij deze aan [eisers] behoort te vergoeden;

- [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eisers] van:

1) alle door hen reeds geleden en in de toekomst te lijden schade;

2) wettelijk rente over die schadeposten vanaf de datum van verschuldigdheid, althans die van de dagvaarding althans die van het in deze te wijzen vonnis, tot die der feitelijke betaling;

- bepaalt dat de concrete hoogte van de schade van [eisers] nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet;

- [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eisers] van de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, die laatste te voldoen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis en bij niet voldoening binnen die termijn te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf (14 dagen na) de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.1.

[eisers] stellen daartoe het navolgende. [gedaagde sub 1] heeft bij de afwikkeling van de

Nalatenschap diverse beroepsfouten gemaakt, door (onder meer):

a. a) een testament van Oom Emiel op te stellen dat (naar hij later zelf ook constateerde) onuitvoerbaar was en vervolgens, nadat er een verzoek tot wijziging van dat testament was gedaan traag te handelen, waardoor die wijziging niet meer voor het overlijden van Oom Emiel tot stand is kunnen komen;

b) [eisers] eerst circa twee jaar na het overlijden van Oom Emiel te informeren dat zij bij de Nalatenschap betrokken waren c.q. erfgenaam waren, terwijl hij wist dat er het nodige speelde in de Nalatenschap: in september 2002, met rappel in november 2003, heeft de belastingadviseur van Tante Lenie het aangifteformulier successie aan [gedaagde sub 1] gezonden met de vraag dit af te handelen. Op 16 december 2003 is tussen [gedaagde sub 1] , de vermogensbeheerder en de belastingadviseur overleg gevoerd. [gedaagde sub 1] zou met de belastingdienst contact opnemen en de successie regelen; afgewikkeld zou worden met [eisers] als erfgenamen;

c) ondanks dat hij als notaris aldus diverse activiteiten in het kader van de Nalatenschap had verricht (en hem op 25 juli 2002 al opdracht is gegeven uit te zoeken hoe met het testament moest worden omgegaan), als notaris voor het overige passief te blijven, met name ten aanzien van het beheer van de (naar hij al sinds 1999/2000, maar in elk geval na het overleg op 25 juli 2002 wist of kon weten: omvangrijke) activa ervan, zoals de grote effectenportefeuille, de onroerende zaken (o.m. aan de [adres] ), de aandelen [naam B.V.] enz. De aangifte successie is ten onrechte niet aangepast; de voorlopige aanslag is definitief geworden en voldaan;

d) [eisers] ten aanzien van die activa niet te informeren en hen niet te waarschuwen dat bij niets doen schade zou kunnen worden geleden (zoals nadien ook bleek het geval te zijn);

e) zonder overleg met [eisers] (kennelijk: in 2004) in overleg te treden met de fiscus over de successie, terwijl hij – [eisers] – in dat overleg met name wordt genoemd;

f) zeer traag te reageren op door en namens [eisers] herhaaldelijk gestelde vragen over de Nalatenschap en [eisers] niet te voorzien van voldoende informatie (o.m. over de implicaties van het niet-aanvaarden door Tante Lenie van haar benoeming tot executeur);

g) op 15 november 2004 een onjuiste verklaring van erfrecht op te stellen (in die verklaring worden ten onrechte Tante Lenie en Tante Maria als erfgenamen – ieder voor 1/3e deel – genoemd – terwijl [gedaagde sub 1] wist dat zij niet wilden erven – en [eisers] voor elk 1/15e deel, in plaats van alleen [eisers] elk voor 1/5e deel, zoals op 30 september 2004 besproken), waardoor de tenaamstelling van diverse onroerende zaken, die deel uitmaken van de Nalatenschap, onjuist was en transacties dienaangaande niet konden plaatsvinden; overigens handelde [gedaagde sub 1] inconsistent, nu hij de aandelen [naam B.V.] in 2006 wel op naam van alleen [eisers] heeft gesteld;

h) op 20 april 2005 een onjuiste akte tot afgifte van het legaat aan Tante Lenie op te stellen, waardoor het betreffende pand een onjuiste tenaamstelling heeft en onverkoopbaar is;

i. i) ook overigens extreem traag te werken in de afwikkeling van de Nalatenschap.

3.2.2.

[eisers] verwijst naar de beslissing van de Kamer. [gedaagde sub 1] heeft niet gehandeld als een redelijk handelend en een redelijk bekwaam notaris. Hij heeft jegens [eisers] onrechtmatig en in strijd met zijn zorgplicht en zijn informatieplicht gehandeld en hij is – nadat [eisers] een boedelvolmacht had getekend – tekort geschoten in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen. Die schade bestaat uit kosten van noodzakelijk (juridisch) advies en van een gerechtelijke procedure, waardedaling van hun erfdelen (bestaande uit onder meer effecten en onroerende zaken), kosten van extra notariële akten en extra inschrijvingen, noodzakelijk geworden door het handelen van [gedaagde sub 1] en kosten in verband met de vele tijd en juridische bijstand, die zij aan de afwikkeling van de nalatenschap van Oom Emiel hebben moeten besteden. [eisers] legt nota’s van de diverse kosten over en stelt dat de omvang ervan de dubbele redelijkheidstoets kan doorstaan. De omvang van de schade schat [eisers] voorlopig op minimaal € 400.000,--. Er is geen grond (een deel van) de schade voor rekening van [eisers] te laten.

3.2.3.

Ook de vennootschap is aansprakelijk; zij vormt met [gedaagde sub 1] een en dezelfde deelnemer in rechte. Mocht de schadeaanspraak slechts ten laste van de vennootschap komen, dan is voor het geval de vennootschap de schade niet volledig kan voldoen [gedaagde sub 1] als met de vennootschap te vereenzelvigen persoon, althans als bestuurder, die ter zake de onzorgvuldige taakuitoefening een ernstig verwijt kan worden gemaakt, voor de schade aansprakelijk.

3.3.1.

[gedaagden] voert verweer. Hij stelt dat [gedaagde sub 1] geen beroepsfouten heeft gemaakt; hij heeft steeds gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht.

ad a) [gedaagden] betwist dat het testament van Oom Emiel (opgesteld met bijstand van zijn vermogensbeheerder) niet uitvoerbaar zou zijn geweest; een eventuele onuitvoerbaarheid was het gevolg van de ontstentenis van de beoogd executeur. Dat kan [gedaagden] niet worden verweten. Dat de opdracht van Oom Emiel om het testament te wijzigen op het moment van zijn onverwachte overlijden drie dagen na ontvangst van die opdracht nog niet was uitgevoerd kan [gedaagden] niet worden verweten. Het maken, bespreken en verlijden van een gewijzigd testament was in die korte tijd niet mogelijk.

ad b) [eisers] was blijkens het testament geen erfgenaam; toen bleek dat niet overeenkomstig het testament kon worden afgewikkeld werd [eisers] belanghebbende. Dat was in januari 2004; toen is hij ook geïnformeerd. Gedurende de eerste twee jaar had de notaris geen (leidende) rol bij de afwikkeling van de Nalatenschap. Wel is bij de bespreking op 25 juli 2002 aan de orde geweest dat het niet-aanvaarden van de benoeming tot executeur door Tante Lenie implicaties had;

ad c, d en i) [gedaagde sub 1] betwist passief en traag te zijn geweest. Hij is aanvankelijk niet gevraagd om de Nalatenschap af te wikkelen; juist is wel dat hij aan de op 25 juli 2002 gedane toezegging advies bij deskundigen te vragen, geen gevolg heeft gegeven. In december 2003 is er weer gesproken; in (deel-)opdracht voerde [gedaagde sub 1] daarna het overleg met de Belastingdienst. In april 2004 werd hem de omvang van de Nalatenschap meer precies duidelijk (dat deze een aanzienlijk vermogen betrof wist hij al in 2002). In oktober 2004 werd [gedaagde sub 1] boedelnotaris en zijn hem opdrachten gegeven, onder meer tot het doen van successieaangifte en het liquideren van de effectenportefeuille. Hij is toen voortvarend te werk gegaan. Dat de effectenportefeuille na overlijden van Oom Emiel in waarde was gedaald, valt [gedaagden] niet te verwijten. Ook als wordt aangenomen dat [gedaagden] eerder bij de afwikkeling van de Nalatenschap in beeld was, is hij voor de waardedaling van de effectenportefeuille – behoudens bijzondere omstandigheden, die niet zijn gesteld – niet aansprakelijk. Overigens vond de waardedaling grotendeels plaats in 2002 en 2003, toen [gedaagden] bij de afwikkeling niet was betrokken. Tot het verdelen van de aandelen [naam B.V.] is pas in april 2006 opdracht gegeven; een maand daarna is de akte verdeling gepasseerd. Dat [eisers] voorafgaand aan de akte verdeling zijn stemrecht niet heeft kunnen uitoefenen is onjuist. [gedaagden] heeft geen opdracht gekregen de levering van door [eisers] genoemde onroerende zaken te effectueren.

ad e) het onder 2.6 genoemde voorstel aan de belastingdienst is gedaan onder voorwaarde van instemming van [eisers] ; hij is daarna ingelicht en heeft ingestemd. De Belastingdienst heeft op 25 juni 2004 in lijn met het voorstel van [gedaagde sub 1] een voorlopige aanslag opgelegd. Die is aanvaard en vervolgens voldaan;

ad f) op vragen van [eisers] heeft [gedaagde sub 1] steeds gereageerd. Op 30 september 2004 sprak [gedaagde sub 1] met eisers 4 en 5 en hun advocaat en heeft hij een voorstel voor verdere stappen gedaan en aangegeven dat hij alleen nadat hem daartoe opdracht wordt gegeven, zaken zal regelen. Daarna is gehandeld als weergegeven onder 2.7 tot en met 2.9.

ad g) de verklaring voor erfrecht – waarin als erfgenamen van Oom Emiel de erfgenamen volgens de wet worden genoemd – is correct opgesteld; op dat moment werd uitgegaan van onuitvoerbaarheid van het testament en was afwikkeling conform het versterferfrecht de enige optie. (Ook) Tante Lenie en Tante Maria hadden beneficiair aanvaard; zij hebben [gedaagden] niet laten weten van hun erfdeel af te (willen) zien. Dat de erfgenamen later voor een andere afwikkeling hebben gekozen, kan [gedaagden] niet worden verweten. Hoe door deze verklaring problemen zouden zijn ontstaan met levering van onroerende zaken en dat er schade is geleden heeft [eisers] niet toegelicht

ad h) [eisers] heeft niet toegelicht wat er aan de akte afgifte van het legaat onjuist is. Er is geen sprake van een onjuiste tenaamstelling; de akte noemt – in overeenstemming met de verklaring voor erfrecht – alle erfgenamen volgens de wet. Dat een eventuele onjuiste tenaamstelling schade tot gevolg heeft gehad is onvoldoende toegelicht; de akte staat aan de rechtsgeldigheid van een eventuele levering aan een derde van de betreffende woning overigens niet in de weg

3.3.2.

[gedaagden] betwist verder dat er causaal verband bestaat tussen zijn handelen en de gestelde schade. Voorts betwist hij dat daadwerkelijk schade is geleden. Was het testament overeenkomstig de wil van Oom Emiel afgehandeld, dan had [eisers] niets uit de nalatenschap ontvangen. [eisers] is door het handelen van [gedaagden] bevoordeeld. [eisers] lichten de gestelde kosten niet toe. [gedaagden] is niet in staat gesteld eventuele gebreken te herstellen. Dat de woning in Ossendrecht en dat andere onroerende zaken in waarde zijn gedaald is niet toegelicht. Dat de aangifte successiebelasting tot schade heeft geleid is niet onderbouwd. In ieder geval dient alle schade die is ontstaan vanaf overlijden tot het moment dat [gedaagden] bij de afwikkeling werd betrokken, voor rekening van [eisers] te blijven. De schade ten gevolge van een onjuiste tenaamstelling van bestanddelen van de nalatenschap dient eveneens voor rekening van [eisers] te blijven. Als die tenaamstelling al tot problemen heeft geleid – [gedaagden] betwist dat – dan had dat snel kunnen worden hersteld. Daartoe heeft [eisers] echter pas zeer laat stappen toe ondernomen.

3.3.3.

[gedaagden] voert verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad, subsidiair vordert hij aan die uitvoerbaarheid de voorwaarde te verbinden dat [eisers] tot een door de rechtbank te bepalen bedrag zekerheid stelt.

4 De beoordeling

4.1.

Ter vaststelling van de vraag of [gedaagde sub 1] niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam notaris, dan wel anderszins onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld, zullen in het navolgende de in 3.2.1, onder a tot en met i weergegeven verwijten van [eisers] jegens [gedaagden] , achtereenvolgens worden besproken.

a. testament onuitvoerbaar en niet tijdig gewijzigd;

4.2.1.

Tussen partijen staat voldoende vast dat het testament van Oom Emiel in de kern – daar waar het ging om het onderbrengen van zijn vermogen in een Stichting, welke als doel zou hebben mensen in nood te steunen – overeenkwam met de wens van Oom Emiel op het moment dat het testament werd opgesteld. [eisers] was geen erfgenaam. Hij was slechts begunstigde van een mogelijke uitkering vanuit de op te richten Stichting, indien het vermogen tot een bepaalde omvang zou groeien. Bij de opstelling en bij de voorziene uitvoering van het testament was [eisers] in het geheel niet betrokken. Onder die omstandigheden zal [gedaagde sub 1] bij de opstelling van het testament – ook wanneer daaraan gebreken blijken – niet snel jegens [eisers] een beroepsfout kunnen maken of onrechtmatig kunnen handelen. Daartoe zal [eisers] bijzondere omstandigheden dienen aan te voeren; dat heeft hij evenwel niet gedaan. Evenmin heeft hij aangegeven hoe hij door alleen de onuitvoerbaarheid van het testament schade heeft geleden. De door hem genoemde schade heeft immers niet rechtstreeks betrekking op de onuitvoerbaarheid van het testament; wel op het tijdsverloop dat ter vaststelling van hoe de Nalatenschap dan diende te worden afgewikkeld is verstreken, maar daarover heeft [eisers] afzonderlijke verwijten jegens [gedaagde sub 1] geformuleerd. Voor zover de vorderingen op de onuitvoerbaarheid van het testament zijn gebaseerd, worden ze afgewezen.

4.2.2.

De stelling dat [gedaagde sub 1] niet (tijdig) op het verzoek van Oom Emiel om het testament te wijziging zou zijn ingegaan, kan evenmin tot toewijzing van de vorderingen leiden. Vast staat dat het verzoek bij brief van 16 april 2002 aan [gedaagde sub 1] is gedaan en dat Oom Emiel op 19 april 2002 onverwacht is overleden. Wijziging van een testament vergt enige tijd; behoudens bijzondere omstandigheden kan niet worden gezegd dat een notaris, die voor een wijziging een termijn van meer dan drie dagen hanteert, daarmee een beroepsfout maakt. In het onderhavige geval zijn er geen bijzondere omstandigheden gesteld; het overlijden van Oom Emiel was immers (nog) niet verwacht en de notaris hoefde met een mogelijk snel overlijden bij de planning van zijn werkzaamheden dan ook geen rekening te houden. Dat op 19 april 2002 de wijziging nog niet was geëffectueerd leidt niet tot het oordeel dat [gedaagde sub 1] een beroepsfout heeft gemaakt dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.

b. pas na 2 jaar informeren

4.3.

Vast staat dat [gedaagde sub 1] bij de bespreking in juli 2002, waarin Tante Lenie aangaf de benoeming als executeur niet te aanvaarden, aanwezig is geweest. Bij die bespreking was ook een vertegenwoordiger van [eisers] (nl. eiser sub 5) aanwezig. Vervolgens is [gedaagde sub 1] kennelijk gevraagd de aangifte successie voor Tante Lenie te verzorgen. Daarmee is door [gedaagde sub 1] – maar ook door Tante Lenie (en haar adviseur) – geen haast gemaakt. [eisers] was op dat moment, nu hij geen erfgenaam was, geen belanghebbende bij de afwikkeling. Vervolgens is eind 2003 in een overleg tussen [gedaagde sub 1] en de kennelijk nog als zodanig optredende adviseurs van de Nalatenschap, gesproken over de afwikkeling. De in dat overleg bedachte wijze van afwikkeling is door [gedaagde sub 1] bij brief van 23 januari 2004 aan de Belastingdienst voorgesteld. In die constructie werd er niet van uitgegaan – zoals [eisers] kennelijk meent – dat [eisers] erfgenaam zou zijn. Het voorstel was alsnog een stichting op te richten die erfgenaam zou zijn en het vermogen via die Stichting uit te keren aan [eisers] . Ook al was [eisers] geen erfgenaam, hij diende vanaf dat moment wel als betrokkene te worden beschouwd en over de gang van zaken te worden geïnformeerd. Dat is begin 2004 ook gebeurd; gelet op het vorenstaande kan het feit dat dat niet eerder is gebeurd niet als beroepsfout of als onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] worden beschouwd.

c, d en i. passiviteit, met name ten aanzien van beheer, en traag handelen

4.4.1.

Waar [eisers] lijkt te menen dat van [gedaagde sub 1] mocht worden verwacht dat hij van aanvang af het beheer over de Nalatenschap zou voeren, zal de rechtbank hem niet volgen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] ooit is gevraagd de Nalatenschap te beheren. Het was primair aan de bij de nalatenschap betrokken personen – en met name Tante Lenie, nadat zij de benoeming tot executeur had geweigerd – om maatregelen te treffen zodanig dat in het beheer van de Nalatenschap kan worden voorzien. Tante Lenie en ook de Nalatenschap beschikte – zoals hiervoor onder 4.3 overwogen – kennelijk over (een) eigen adviseur(s), welke adviseur(s) meermalen contact heeft/hebben gezocht met [gedaagde sub 1] over bepaalde zaken. Gesteld noch gebleken is dat zij daarbij [gedaagde sub 1] ooit heeft gevraagd maatregelen te treffen ten aanzien van het beheer van de Nalatenschap. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat [gedaagde sub 1] , door niet uit zichzelf maatregelen ter zake van beheer van de Nalatenschap te nemen, onjuist of onrechtmatig heeft gehandeld. Dat wordt niet anders, wanneer daarbij wordt betrokken de omstandigheid dat het, naar [gedaagde sub 1] wist of kon weten, om een omvangrijke Nalatenschap ging. Dat wisten de bij de nalatenschap betrokkenen ook (althans het tegendeel is gesteld noch gebleken) en zij hadden derhalve ook zelf stappen kunnen ondernemen om voor goed beheer te zorgen.

4.4.2.

Vervolgens komt aan de orde het verwijt dat [gedaagde sub 1] traag heeft gehandeld. [gedaagde sub 1] heeft gesteld dat hij nadat hij opdracht had gekregen steeds met voortvarendheid heeft gehandeld. Uit de stellingen van partijen blijkt dat [gedaagde sub 1] in januari 2004 daadwerkelijk werkzaamheden ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap is gaan verrichten (hij heeft toen een voorstel gedaan aan de belastingdienst), dat hij vervolgens in oktober 2004 is benoemd tot boedelnotaris, dat hem toen gevraagd is een aantal zaken te regelen (waaronder het opmaken van een verklaring voor erfrecht, hetgeen op 15 november 2004 is gebeurd, en het liquideren van de effectenportefeuille, waartoe hij op 19 november 2004 opdracht heeft gegeven), Eerst in juni 2006 zijn de aandelen [naam B.V.] op naam van [eisers] gesteld; [gedaagden] heeft onbetwist gesteld dat hij niet eerder daartoe opdracht had gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze handelwijze van [gedaagde sub 1] wellicht niet altijd zo voortvarend geweest als had gekund (zoals door de Kamer, in tuchtrechtelijk zin, ook is vastgesteld), maar mede gelet op de complicerende omstandigheid van het niet uitvoerbare testament, kan niet worden gezegd dat [gedaagde sub 1] aldus niet handelde als een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot. Van onrechtmatig handelen is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

e. overleg met de belastingdienst zonder overleg met [eisers]

4.5.

Zoals al in 4.3 overwogen, werd in de brief aan de belastingdienst van [gedaagde sub 1] van 23 januari 2004 een voorstel tot afwikkeling van de Nalatenschap gedaan, waarin [eisers] geen erfgenaam was. Wel werd hij in dat voorstel bij de afwikkeling zodanig betrokken, dat hij daarover diende te worden geïnformeerd. Dat is ook gebeurd. Bovendien is het voorstel gedaan onder de voorwaarde van instemming van de zijde van [eisers] . Gelet op die omstandigheden is er geen sprake van onrechtmatig of onjuist handelen, nog daargelaten dat niet gesteld noch gebleken is op welke wijze het hier bedoelde handelen van [gedaagden] heeft geleid of bijgedragen aan de door [eisers] gestelde schade.

f. zeer traag reageren op vragen en geen informatie geven

4.6.

Voor zover [gedaagde sub 1] hier traag handelen wordt verweten, verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen onder 4.4.2. Dat zodanig traag is gereageerd op vragen dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen is door [eisers] onvoldoende onderbouwd. Met name heeft [eisers] , nadat hij de gang van zaken vrij precies heeft weergegeven, niet aangegeven op welke momenten daarin dit verwijt betrekking heeft. Waar wel expliciet wordt gesteld dat de notaris had moeten aangeven wat de gevolgen waren van het niet aanvaarden door Tante Lenie van de benoeming tot executeur, kan het feit dat hij dat niet heeft gedaan geen onrechtmatig handelen jegens [eisers] opleveren, nu [eisers] geen erfgenaam was en aldus ook niet degene was jegens wie de notaris de (eventuele) verplichting helderheid over deze gevolgen te geven, had.

g. onjuiste verklaring voor erfrecht

4.7.

Waar [eisers] stelt dat al eind 2003 vast stond dat hij (enig) erfgenaam zou zijn, wordt dat door de overgelegde stukken niet bevestigd. Duidelijk was wel dat alle betrokkenen van oordeel waren dat (toen duidelijk was dat Tante Lenie de benoeming tot executeur niet zou aanvaarden) het testament niet uitvoerbaar was; ten aanzien van de successie werd in overleg met de Belastingdienst gezocht naar een constructie, waarin – met behoud van de in het testament genoemde Stichting – het vermogen grotendeels bij [eisers] zou terechtkomen. Voor de feitelijke vererving was er geen duidelijkheid; wel was duidelijk dat bij een eventueel opzijschuiven van het testament er 7 erfgenamen waren, namelijk de beide tantes voor elk 1/3e deel en [eisers] voor elk 1/15e deel. In het licht van de toen nog bestaande onduidelijkheid is het op zich niet onbegrijpelijk dat [gedaagde sub 1] er in oktober/november 2004 voor heeft gekozen een verklaring voor erfrecht op te maken, die uitging van vererving overeenkomstig het versterferfrecht (dus zonder testament). Mogelijk wilden Tante Lenie en Tante Maria niet erven, maar nergens blijkt dat dat aan [gedaagde sub 1] bekend was; integendeel, de beide tantes hebben nog in november 2004 volmachten afgegeven om namens hen beneficiair te aanvaarden en de afwikkeling verder ter hand te nemen. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de afgifte, op 15 november 2004, van de verklaring van erfrecht met daarin als erfgenamen de beide tantes en [eisers] , onjuist is, en derhalve een beroepsfout van [gedaagde sub 1] . Overigens valt niet in te zien dat de gestelde schade – met name de waardedaling van effecten – het gevolg is van deze handeling; de opdracht tot liquidatie van de effectenportefeuille is enkele dagen later door [gedaagde sub 1] gegeven. Dat als gevolg van deze verklaring van erfrecht er schade is ontstaan omdat onroerende zaken niet konden worden vervreemd, is onvoldoende toegelicht, terwijl evenmin duidelijk is waarom – als zich al een dergelijke barrière bij een voorgenomen transactie heeft voorgedaan – dat niet eenvoudig kon worden hersteld (en of daarom is gevraagd).

h. onjuiste akte tot afgifte legaat

4.8.

De akte tot afgifte van het legaat aan Tante Lenie van 20 april 2005 is in lijn met de hiervoor besproken verklaring van erfrecht. De niet nader toegelichte stelling dat het pand een onjuiste tenaamstelling heeft, is in dat licht niet begrijpelijk. Dat er daadwerkelijk een probleem is geweest voor [eisers] (het pand was immers gelegateerd aan Tante Lenie) en dat herstel van de tenaamstelling niet mogelijk was, is niet gesteld. Aldus blijkt onvoldoende van een beroepsfout van [gedaagde sub 1] en van schade door deze handeling aan de kant van [eisers]

4.9.

Blijkens het vorenstaande kan een beroepsfout aan de zijde van [gedaagden] , die hem aansprakelijk maakt voor de door [eisers] gestelde schade, niet worden vastgesteld. Dat leidt ertoe dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.

4.10.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eisers] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op:

- vast recht € 589,--

- salaris advocaat € 5.160,-- (2 x tarief VII, € 2.580,--)

totaal € 5.749,--,

te vermeerderen met de nakosten en met wettelijk rente, zoals door [gedaagden] gevorderd en niet bestreden.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eisers] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 5.749,-- en in de nakosten, begroot op een bedrag van € 131,--, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, op een bedrag van € 199,--, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na heden en wanneer dat niet binnen die termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag aan (na-)kosten vanaf 14 dagen na heden tot de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling in de kosten betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op10 juni 2015.