Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6574

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
02/995532-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opslag van en handel in honderden kilogrammen illegaal (zwaar) vuurwerk en bezit van en handel in hard drugs. Strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummers: 02/995532-13 en 02/995529-13

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 13 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

raadsvrouw mr. C.M. Koole, advocaat te Goes.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 september 2015 waarbij de officier van justitie mr. I.M. Koopmans en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen.

De rechtbank heeft de feiten ter terechtzitting gevoegd en van een doorlopende nummering voorzien. Verdachte staat terecht, ter zake

Parketnummer 02/995532-13

1.

hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2013 tot en met 18 november 2013, te Goes, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, te weten onder andere:

- 12.000 althans een aantal nitraatklappers;

- 21.000 althans een aantal nitraatklappers;

- 3, althans een aantal Cobra's;

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft opgeslagen, voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld terwijl dit bestemd was voor particulier gebruik;

art 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit

2.

hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2013 tot en met 29 oktober 2013 te Goes, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk vuurwerk waaronder:

een of meer soort(en) Cobra('s);

een of meer soort(en) nitraatklappers/vlinders;

een of meer soort(en) mortier(en)(salutes);

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad;

art 1.2.4 lid 1 Vuurwerkbesluit

3.

hij op of omstreeks 18 november 2013 te Goes, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 549, althans een aantal MDMA-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, en/of 3,4-methyleen-dioxyethylamfetamine

(MDEA), en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine

(MDA), zijnde amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA),

en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA),

zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van deze wet (pagina 721 e.v. proces-

verbaal;

- 31,9, althans een aantal gram, althans een hoeveelheid cocaïne, zijnde (een)

middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a vijfde lid van deze wet (pagina 721 e.v. proces-verbaal);

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 18 november 2013 te Goes, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad

(telkens) een of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA), en/of

3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA), zijnde

amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA), en/of

3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA), (een)

middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a vijfde lid van deze wet en/of

(telkens) een of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) cocaine, althans van een materiaal bevattende cocaine, (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van deze wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

5.

Parketnummer 02/995529-13:

hij op of omstreeks 29 december 2012, te Goes, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk professioneel vuurwerk te weten:

- 422,5, althans een aantal kg vuurwerk bestaande uit onder meer knalvuurwerk en

flowerbeds en/of

- 165, althans een aantal Shell's/Mortieren en/of

- 160, althans een aantal Signalrakete/Lawinepijlen en/of

- 6, althans een aantal Flowerbeds en/of

- 24, althans een aantal Super Cobra's 6 en/of

- 41, althans een aantal Bangers/Vlinders en/of

- 98, althans een aantal stuks vuurwerk waaronder:

* een aantal Shell's/Mortieren met een diameter van respectievelijk 295 mm en

180 mm;

* een aantal Shell's/Mortieren die (door middel van) een lont waren verlijmd,

althans aan elkaar verbonden;

* een aantal Bangers, althans een hoeveelheid knalvuurwerk,

heeft opgeslagen en/of voorhanden gehad, terwijl dit bestemd was voor particulier gebruik;

art 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit

3 De voorvragen

- De dagvaarding is geldig.

- De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging wegens een combinatie van factoren.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden. Dit geldt in ieder geval voor de zaak met parketnummer 02/995529-13 (feit 5). Het betreft hier een termijn van twee jaar en bijna negen maanden tussen het eerste moment van vervolging en de datum van berechting. Verdachte heeft ook in de zaak met parketnummer 02/995529-13 (feiten 1 tot en met 4) langer dan nodig op zijn berechting moeten wachten. Hier betreft het een termijn van een jaar en zeven maanden na zijn invrijheidstelling vanaf de schorsing van zijn voorlopige hechtenis.

Behalve deze termijnoverschrijding en procesvertraging is sprake van een door de rechter-commissaris onrechtmatig geachte inverzekeringstelling in de zaak met parketnummer 02/995529-13 en is in die zaak aan de verdediging geen einddossier van politie gezonden, maar slechts wat losse processen-verbaal zonder doorlopende paginanummering.

Deze fouten tezamen maken dat de beginselen van behoorlijke procesorde zodanig zijn geschonden dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van verdachte.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn voor berechting in de zaak met parketnummer 02/995529-13 fors is overschreden. Die termijn moet worden gerekend vanaf 29 december 2012, te weten de datum van de inverzekeringstelling van verdachte. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met negen maanden, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen. Conform vaste jurisprudentie leidt deze schending echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, maar dient deze te worden verdisconteerd in een eventueel aan verdachte op te leggen straf. Dezelfde conclusie heeft te gelden voor wat betreft de andere door de raadsvrouw genoemde omstandigheden, zowel elk afzonderlijk als in combinatie met elkaar. De rechtbank overweegt daarbij dat ter zake van die omstandigheden niet is gebleken dat de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank verwerpt het verweer.

- De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

- Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bekennende verklaringen van verdachte, de onderzoeksbevindingen van de verbalisanten en de deskundigenverklaringen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten kan komen, met dien verstande:

a. dat sprake is van een kortere periode van het dealen in XTC en cocaïne (feit 4), namelijk vanaf 1 juni 2013 in plaats vanaf 1 maart 2013 tot en met 18 november 2013, en

b. dat verdachte op 29 december 2012 minder vuurwerk had opgeslagen dan in de ten laste legging (feit 5) vermeld.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt over de bewijsverweren van de raadsvrouw als volgt.

Ad a. De rechtbank is van oordeel dat in het dossier geen bewijs aanwezig is dat verdachte in de periode van 1 maart tot eind mei 2013 heeft gehandeld in XTC en cocaïne. Weliswaar had hij volgens zijn verklaring van 27 november 2013 (p. 40, laatste alinea) al in maart 2013 XTC-pillen gekocht, maar niet blijkt dat hij vanaf die tijd ook al in XTC of cocaïne handelde. Daar is verdachte volgens zijn verklaringen van 27 november 2013 (p. 41, 4e alinea) en 17 februari 2014 (p. 11, laatste alinea van het aanvullend proces-verbaal) eind mei/begin juni 2013 respectievelijk het begin van de zomervakantie 2013 mee begonnen. De rechtbank acht daarom een handelsperiode vanaf

1 juni 2013 bewezen. Als einddatum van de handelsperiode acht de rechtbank 17 november in plaats van 18 november 2013 bewezen. Zij overweegt daartoe dat niet blijkt dat verdachte op de 18e november 2013 heeft gedeald in XTC of cocaïne, terwijl het aanwezig hebben ervan op die dag ten laste is gelegd onder feit 3. Ook overigens vallen de onder 4 ten laste gelegde handelingen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van de harddrugs (als bedoeld in artikel 2 B van de Opiumwet) telkens samen met het aanwezig hebben van die harddrugs (als bedoeld in artikel 2 C van de Opiumwet). Vanwege deze samenloop zal de rechtbank ten aanzien van feit 4, overeenkomstig artikel 55 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht slechts één strafbepaling toepassen, namelijk die waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Ad b. De raadsvrouw heeft haar verweer over de aangetroffen hoeveelheden vuurwerk gebaseerd op het proces-verbaal van de verbalisant [naam] van 1 januari 2013. De rechtbank stelt vast dat deze verbalisant op 8 januari 2013 een (nader) proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk heeft opgemaakt (pgs. 110-114 van het betreffende dossier), waarin de ten laste gelegde hoeveelheden vuurwerk zijn genoemd.

De verbalisant heeft in dit proces-verbaal gerelateerd dat hij eerder een proces-verbaal heeft opgemaakt waarin voorlopige cijfers werden weergegeven en dat aan het eerder opgemaakte proces-verbaal geen rechten ontleend kunnen worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Aangezien verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten bekennende verklaringen heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit anders dan hiervoor genoemd, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank die feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op de bekennende verklaringen van verdachte, afgelegd ter terechtzitting1 en ten overstaan van de rechter-commissaris2. Deze bewijsmiddelen zijn slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

t.a.v. feit 1 voorts:

- de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie3;

- verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]4;

- de waarnemingen en bevindingen van verbalisanten5, en

- de bevindingen betreffende het explosievenonderzoek inzake soortgelijk knalvuurwerk met lont en Cobra’s van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)6;

t.a.v. feit 2 voorts:

- de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie7;

- de waarnemingen en bevindingen van verbalisanten8, en

- de bevindingen betreffende het explosievenonderzoek inzake soortgelijk knalvuurwerk met lont en Cobra’s van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)9;

t.a.v. feit 3 voorts:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie10;

- de waarnemingen en bevindingen van verbalisanten11, en

- de bevindingen betreffende het drugs en precursoren-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)12;

t.a.v. feit 4 voorts:

- de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie13, en

- verklaringen van [medeverdachte 1] , [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3]14;

t.a.v. feit 5 voorts:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie15;

- de waarnemingen en bevindingen van verbalisanten16, en

- de bevindingen betreffende de aard van het aangetroffen (knal-)vuurwerk van de politie en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)17.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2013 tot en met 18 november 2013, te Goes, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, te weten onder andere:

- 12.000 althans een aantal nitraatklappers;

- 21.000 althans een aantal nitraatklappers;

- 3, althans een aantal Cobra's;

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft opgeslagen, voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld terwijl dit bestemd was voor particulier gebruik;

2.

hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2013 tot en met 29 oktober 2013 te Goes, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk vuurwerk waaronder:

een of meer soort(en) Cobra('s);

een of meer soort(en) nitraatklappers/vlinders;

een of meer soort(en) mortier(en)(salutes);

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 18 november 2013 te Goes, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 549, althans een aantal MDMA-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, en/of 3,4-methyleen-dioxyethylamfetamine

(MDEA), en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine

(MDA), zijnde amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA),

en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA),

zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van deze wet (pagina 721 e.v. proces-

verbaal;

- 31,9, althans een aantal gram, althans een hoeveelheid cocaïne, zijnde (een)

middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a vijfde lid van deze wet (pagina 721 e.v. proces-verbaal);

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart juni 2013 tot en met 18 november 2013 te Goes, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad

(telkens) een of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA), en/of

3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA), zijnde

amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA), en/of

3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA), (een)

middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a vijfde lid van deze wet en/of

(telkens) een of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) cocaine, althans van een materiaal bevattende cocaine, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van deze wet;

5.

hij op of omstreeks 29 december 2012, te Goes, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk professioneel vuurwerk te weten:

- 422,5, althans een aantal kg vuurwerk bestaande uit onder meer knalvuurwerk en

flowerbeds en/of

- 165, althans een aantal Shell's/Mortieren en/of

- 160, althans een aantal Signalrakete/Lawinepijlen en/of

- 6, althans een aantal Flowerbeds en/of

- 24, althans een aantal Super Cobra's 6 en/of

- 41, althans een aantal Bangers/Vlinders en/of

- 98, althans een aantal stuks vuurwerk waaronder:

* een aantal Shell's/Mortieren met een diameter van respectievelijk 295 mm en

180 mm;

* een aantal Shell's/Mortieren die (door middel van) een lont waren verlijmd,

althans aan elkaar verbonden;

* een aantal Bangers, althans een hoeveelheid knalvuurwerk,

heeft opgeslagen en/of voorhanden gehad, terwijl dit bestemd was voor particulier gebruik.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging

Nadere bewijsmotivering met betrekking tot feit 1

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de invoer van de hoeveelheid nitraten en Cobra’s uit België alleen heeft gepleegd. Ten aanzien van die invoer is in elk geval geen wettig bewijs voorhanden van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen. Dit is anders voor wat betreft de opslag, het voorhanden hebben en het aan een ander ter beschikking stellen van dat vuurwerk in de ten laste gelegde periode. Ter zake van die handelingen is sprake van medeplegen. Gelet op de wijze van ten laste leggen dient feit 1 derhalve te worden gekwalificeerd als het “medeplegen” en het “plegen” van de respectievelijk bewezen strafbare handelingen.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Zij houdt bij deze strafeis nadrukkelijk rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, aangezien volgens de Richtlijn voor strafvordering vuurwerkdelicten alleen al voor de ten laste gelegde vuurwerkfeiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 55 maanden kan worden geëist.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om de op te leggen straf te beperken tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een werk-/taakstraf. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans niet meer passend is gelet op de periode dat de behandeling van de zaken, buiten de schuld van verdachte, is vertraagd. Verdachte loopt hierdoor al ruim anderhalf jaar (namelijk vanaf 24 februari 2014) in de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, onder de bijzondere voorwaarde van verplicht contact met Reclassering Nederland. Verdachte heeft zich die hele periode aan de voorwaarden bij de schorsing gehouden. Ook heeft hij een intake gehad bij De Waag, maar die kunnen niets voor hem betekenen, omdat er geen sprake is van problematiek en verdachte geen hulpvraag heeft. Verdachte heeft inmiddels gebroken met zijn vroegere gewoontes en contacten en richt zich nu geheel op het werk in de stomerij, die hij van zijn ouders heeft overgenomen. Wanneer aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd zou dit het einde van de stomerij kunnen betekenen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor wat betreft de ernst van het bewezen verklaarde neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft gehandeld in grote hoeveelheden illegaal vuurwerk. Nadat hij eind 2012 was aangehouden voor de opslag van 422,5 kg zwaar vuurwerk in een garagebox, gelegen in een woonwijk, en toentertijd zei “dat hij het wel gezien had met vuurwerk”, is hij in 2013 gewoon doorgegaan met die handel. Hij haalde een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk vanuit België en sloeg dat op in een garage en tuinhuis van de vader van een vriend. Deze keer ging het opnieuw om enkele honderden kilo’s illegaal vuurwerk. Ook bewaarde hij illegaal vuurwerk op zijn kamer in de woning van zijn ouders. Bedoeld vuurwerk had een veel zwaardere lading dan toegestaan consumentenvuurwerk. Met name de aangetroffen Super Cobra 6 (bangers) is gevaarlijk vuurwerk. Dit vuurwerk veroorzaakt bij (verkeerd) gebruik aanzienlijke schade. Het behoort op dit moment tot de vijf gevaarlijkste soorten vuurwerk, de zogenoemde “big five”. Verdachte wist dat dit illegale vuurwerk bij ontploffing enorme schade aan de opslagplaatsen en de omliggende panden had kunnen aanrichten en letsel aan de bewoners had kunnen veroorzaken. Niettemin nam hij welbewust het risico om dat vuurwerk op te slaan en te vervoeren. Hij verhandelde het vuurwerk slechts uit puur winstbejag.

Daarnaast heeft verdachte gedurende een half jaar gehandeld in harddrugs (XTC en cocaïne) en had hij dealers-hoeveelheden van die harddrugs in voorraad. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs als XTC en cocaïne, eenmaal in handen van gebruikers, gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend.

Verdachte stelt dat hij deel uitmaakte van een organisatie die handelde in contrabande, zoals verboden vuurwerk, harddrugs en andere illegale handel. Hij zag zijn rol in die piramide-vormige organisatie als intermediair tussen de bazen en de afnemers. Hij was, zoals hij zegt, een soort “callcenter” tussen de leveranciers en de klanten en had daarin een aansturende rol. Na de inbeslagneming van het vuurwerk in 2012 moest hij wel doorgaan met die handel omdat anders repercussies van de organisatie jegens hem niet ondenkbeeldig waren.

Indien deze stelling al juist is overweegt de rechtbank dat verdachte moet beseffen dat dit zijn strafwaardigheid voor zijn aandeel in de feiten niet vermindert. Van psychische overmacht is niet gebleken. Sterker nog, verdachte handelde uit puur winstbejag en hij had, zoals hij ter zitting heeft verklaard, geen angst voor represailles van “de organisatie” na de inbeslagneming in 2012. Hij ging verder met de handel omdat naar zijn zeggen de reactie van justitie in vuurwerkzaken meeviel en de straffen laag zijn. Als er van de zijde van justitie strenger was opgetreden zou hij niet door zijn gegaan met deze activiteiten, aldus verdachte.

Voor wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 juli 2015 niet eerder wegens ‘vuurwerkfeiten’ met de politie in aanraking is gekomen.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reclasseringsadviezen van Reclassering Nederland over de persoon van verdachte d.d. 3 december 2013 en d.d. 18 december 2014, alsmede het voortgangsverslag toezicht van Reclassering Nederland d.d. 24 september 2015.

In deze rapportages is onder meer gerelateerd dat verdachte veel praat maar weinig zegt en dat het voor de reclassering nauwelijks mogelijk is zijn handel en wandel daadwerkelijk te controleren. Aan het toezicht kan praktisch geen invulling worden gegeven wegens een gebrek aan openheid door verdachte. Hij kiest/koos bewust voor een criminele levensstijl. Het recidiverisico wordt geschat als hoog/gemiddeld. Verdachte heeft weinig wroeging en bagatelliseert. Hoewel hij alle afspraken in het kader van het schorsingstoezicht is nagekomen, kan daar inhoudelijk praktisch geen inhoud aan worden gegeven. Het heeft volgens de reclassering geen meerwaarde om het toezicht voort te zetten.

Alles afwegende ziet de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten en het geschatte hoog/gemiddeld recidivegevaar, aanleiding om verdachte te veroordelen tot een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Zij ziet in de overschrijding van de redelijke termijn in de zaak met parketnummer 02/995529-13 (feit 5) en de bewezen kortere periode van het dealen in harddrugs (feit 4) aanleiding om de op te leggen straf te matigen. Zonder schending van de redelijke termijn en de kortere periode van dealen zou een straf, gelijk aan de eis van de officier van justitie passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden en de grondslag voor de veroordeling wegens het dealen in harddrugs in het voordeel van verdachte is veranderd, omdat de periode van de handel met enkele maanden is verkort, zal worden volstaan met het opleggen van een korter onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf. Dit onvoorwaardelijk deel van die straf is langer dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voor het opleggen van een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf of andersoortige straf zoals de raadsvrouw heeft bepleit ziet de rechtbank, in het hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, gelet op de aard en de ernst van de feiten, geen aanleiding.

De rechtbank ziet in de bevindingen van Reclassering Nederland over het verloop van het schorsingstoezicht geen aanleiding het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis te handhaven. Zij zal daarom dat bevel opheffen.

7 Het beslag

Het onder verdachte in de zaak met parketnummer 02/995529-13 in beslag genomen geldbedrag van € 1.233,00 is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat het bedrag aan verdachte toebehoort en aannemelijk is dat dit bedrag geheel of grotendeels uit de baten van de handel in vuurwerk in 2012 is verkregen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 47, 55, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 14 van de Opiumwet, de artikelen 9.2.2.1 en 22.2 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1.2.2, eerste lid, 1.2.4, eerste lid, en 5.4.3 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 1a, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan,
en

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel

9.2.2.1. van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

Feit 2: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

Feit 3: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 4: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 5: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan,

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (TWEE) jaar, waarvan 1 (EEN) jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (TWEE) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd een geldbedrag van € 1.233,00;

Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte in de zaak met parketnummer 02/995532-13.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. G.G.J.M. Pick, rechters, in tegenwoordigheid van P.L. Francke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 oktober 2015.

Mr. Pick is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal (Pv) wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een (voor kopie conform het origineel getekend exemplaar van een) ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar een paginanummer of bijlagen worden daarmee bedoeld: een pagina of bijlage opgenomen in het dossier van de Regiopolitie Zeeland, Districtelijke Afhandelploeg Oosterscheldebekken, met moeder-pv nummer 2013079108 d.d. 5 januari 2014 (doorlopende paginanummering 1 t/m 881). Wanneer wordt verwezen naar een paginanummer of bijlagen (met A) worden daarmee bedoeld: een pagina of bijlage opgenomen in het dossier van de Regiopolitie Zeeland, district Oosterscheldebekken, nummer PL1950 2012097634 d.d. 10 februari 2013 (doorlopende paginanummering 1 t/m 319).
Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 29 september 2015;

2 Pv’s rechter-commissaris d.d. 31 december 2012 en 20 november 2013;

3 Pv’s verhoor verdachte 20 november 2013, p. 29 3e alinea laatste zin en d.d. 27 november 2013, p. 43, 5e , 6e en één na laatste alinea;

4 Pv’s verhoor medeverdachten [medeverdachte 1] d.d 16 november 2013, pgs. 205 en 206, en [medeverdachte 2] d.d. 15 november 2013, p. 284, en d.d. 16 november 2013 p. 287;

5 Pv’s van bevindingen d.d. 15 november 2013, p. 599, 7e en 8e alinea, p. 600, 6e, 8e en 9e alinea en p. 601, 1e en 2e alinea, met foto’s pgs. 603 t/m 608 en d.d. 15 november 2013, p. 609, pv van onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk, pgs. 611 t/m 616, met foto’s pgs. 617 en 618 en d.d. 19 november 2013, p. 697, drie na laatste alinea en d.d. 16 november 2013, p. 642, met foto’s pgs. 643 t/m 649 en pv van onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk, pgs. 656-661, met foto’s pgs. 662 t/m 664;

6 NFI-rapporten d.d. 28 januari 2013 (pgs. 628-635 inzake nitraten), met bijlagen en d.d. 20 november 2013 (pgs. 860-868 inzake Cobra’s), met foto p. 869 en overige bijlagen.

7 Pv’s verhoor verdachte 20 november 2013, p. 29 3e alinea laatste zin en d.d. 17 februari 2014, p. 11, één na laatste alinea aanvullend pv;

8 Pv’s van bevindingen d.d. 19 november 2013, p. 699, 3e alinea van onderen en 18 november 2013, p. 713 met foto’s pgs. 714-715;

9 NFI-rapport d.d. 20 november 2013 (pgs. 860-868 inzake nitraten), met foto’s en bijlagen, respectievelijk Cobra’s (pgs. 869-871 en 880-881) en nitraten LUPO 26 (pgs. 872-875), Black Thunder (pgs. 876-877), REX 1 (pgs. 878-879).

10 Pv verhoor verdachte 27 november 2013, p. 40 laatste alinea;

11 Pv’s van bevindingen d.d. 18 november 2013, p. 696-697 met foto p. 701 en d.d. 22 november 2013, p. 721;

12 NFI-rapport identificatie drugs en precursoren d.d. 22 november 2013 (pgs. 724-726);

13 Pv’s verhoor verdachte 27 november 2013, p. 41 vanaf 4e alinea t/m p. 42 7e alinea en d.d. 17 februari 2014, p. 11, laatste alinea p. 11;

14 Pv’s verhoor [medeverdachte 1] d.d 21 november 2013, p. 222, [getuige 1] d.d. 21 november 2013, p. 378, [getuige 2] d.d. 26 november 2013, p. 422 laatste alinea en 423 laatste drie alinea’s en [getuige 3] , d.d. 12 februari 2014, aanvullend pv pgs. 34 laatste alinea en 35 laatste alinea;

15 Pv’s verhoor verdachte d.d. 29 december 2012, p. 18A 1e alinea, p. 19 2e en 3e alinea, p 22A, 2e alinea van onderen en d.d. 2 januari 2013, p. 31A, 3e alinea en d.d. 18 januari 2013, laatste alinea en p. 35A, 1e alinea;

16 Pv’s van bevindingen d.d. 29 december 2012, pgs. 41A-42A, met foto’s pgs 43A t/m 52A en d.d. 8 januari 2013, pgs. 110A t/m 113A, met foto’s pgs. 114A t/m 133A;

17 Pgs. 134A-136A (t,a.v. Shell's/Mortieren met een diameter van respectievelijk 295 mm en180 mm; Shell's/Mortieren die door middel van een lont waren verlijmd, althans aan elkaar verbonden); pgs. 139A-140A (t.a.v. Signalrakete/Lawinepijlen; pgs. 141A-142A (t.a.v. Flowerbeds); pgs. 143A-144A (t.a.v. Super Cobra's 6); pgs. 145A-146A (t.a.v. knalvuurwerk Bangers/Vlinders) en pgs. 147A-148A (t.a.v. (knal-)vuurwerk van de types FP3, DR01 en Flowerbeds van verschillende types) met NFI rapporten explosievenonderzoek inzake soortgelijk vuurwerk (p. 152A e.v.).