Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6530

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2075
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

14/2075, 14/2077, 14/2108 en 14/2109.

Inkomstenbelasting.

Belanghebbende en zijn broer hebben middels hun holdings een kruislingse financiering tot stand gebracht waarbij leningen zijn verstrekt in Turkse Lira en belanghebbenden per saldo geen enkel valutarisico hebben gelopen. De rechtbank oordeelt dat de opgezette constructie in strijd is met doel en strekking van de wet (fraus legis).

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2404
V-N 2015/65.2.1
FutD 2015-2746
NTFR 2016/654 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers AWB 14/2075, 14/2077, 14/2108 en 14/2109

uitspraak van 8 oktober 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2007 tot en met 2010 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, alsmede bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht en vergrijpboeten opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 5 maart 2014 de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 31 maart 2014, ontvangen bij de rechtbank op 1 april 2014, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende viermaal griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn broer, [Naam broer] , en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] , en namens de inspecteur, [gemachtigden] .

1.7.

Partijen hebben ter zitting pleitnota’s voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding. Voor het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1.8.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is directeur-grootaandeelhouder van [BV 1] Zijn broer, [Naam broer] (hierna: de broer), is directeur-grootaandeelhouder van [BV 2]

2.2.

Tot 1 juli 2007 had belanghebbende een eigenwoningschuld bij ING bank van € 317.646,15. Daarover was hij jaarlijks 5,6% rente verschuldigd.

2.3.

Op 1 juli 2007 heeft belanghebbende een lening in Turkse Lira verstrekt aan [BV 2] De lening had een tegenwaarde van € 100.000 en is verstrekt tegen een rentepercentage van 19%. Op dezelfde dag heeft de broer onder nagenoeg identieke voorwaarden eenzelfde lening verstrekt aan [BV 1]

2.4.

Eveneens op 1 juli 2007 heeft [BV 1] een lening in Turkse Lira verstrekt aan belanghebbende, met een tegenwaarde van, eveneens, € 100.000, tegen een rente van 20%. Daarnaast heeft [BV 2] eenzelfde lening verstrekt aan de broer. Met de leningen hebben belanghebbende en de broer hun eigenwoningschuld geherfinancierd. In dat kader hebben zij op 19 juli 2007 hun leningen bij ING bank deels afgelost.

2.5.

Op de leningen in Turkse Lira hebben geen aflossingen plaatsgevonden en de rentepercentages zijn ongewijzigd gebleven, in de geschil zijnde jaren.

2.6.

Naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 2011 van de broer heeft de inspecteur aan hem vragen gesteld over de daarin opgenomen eigenwoningschuld. De door de broer verstrekte informatie gaf de inspecteur aanleiding om ook aan belanghebbende vragen te stellen. De inspecteur heeft de aftrek van rente, voor zover hoger dan 5,6%, geweigerd. Dat heeft geleid tot de (navorderings)aanslagen. Daarbij zijn boeten opgelegd van 50% van de over de correctie verschuldigde IB/PVV. Het betreft de volgende bedragen:

Betreft

IB/PVV 2007

IB/PVV 2008

IB/PVV 2009

IB/PVV 2010

Aanslagnummer

[Aanslagnummer] .H.77

[Aanslagnummer] .H.87

[Aanslagnummer] H.97

[Aanslagnummer] H.06

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 89.236

€ 88.749

€ 94.943

€ 95.770

Vergrijpboete

€ 1.915

€ 2.802

€ 2.824

€ 3.033

Heffingsrente

€ 701

€ 737

€ 474

€ 280

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de (navorderings)aanslagen en de boetebeschikkingen terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Is sprake van een nieuw feit dan wel kwade trouw dat navordering rechtvaardigt?

2. Is sprake van een schijnhandeling of van fraus legis?

3. Zijn terecht vergrijpboeten opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en vernietiging van de navorderingsaanslagen en vermindering van de aanslag over het jaar 2010 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.102. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Nieuw feit/kwade trouw

4.1.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AWR kan een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of te kwade trouw rust op de inspecteur.

4.2.

In de regel mag de inspecteur uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (Hoge Raad 9 januari 2009, nr. 07/10292, BNB 2009/64). Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. (vgl. HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, HR 16 april 2010, nr. 08/05088, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082 en HR 31 mei 2013, nr. 11/03452, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de inspecteur niet aan de juistheid van de in de aangiften opgenomen gegevens te twijfelen. Een toename van de rentelast van € 10.000 op de eigenwoningschuld is als zodanig geen reden voor twijfel over de juistheid. Bovendien blijkt uit de aangifte niet dat sprake is van samenstel van rechtshandelingen tussen belanghebbende, zijn holding en de broer en diens holding. De ontdekking dat daarvan sprake is, is naar het oordeel van de rechtbank een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Aftrekbaarheid rente

4.4.

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat het een belastingplichtige weliswaar vrij staat om de voor hem voordeligste weg te kiezen, maar dat die vrijheid niet zo ver gaat dat, met het oogmerk van belastingverijdeling, een kunstmatige en van elk reëel belang ontblote weg kan worden gekozen die ertoe leidt dat in strijd met doel en strekking van de wet wordt gehandeld (fraus legis).

4.5.

Belanghebbende en zijn broer hebben een opzetje gemaakt waardoor zij enerzijds een hoge rente ontvangen op een lening die belast wordt als inkomen uit sparen en beleggen terwijl zij daar tegenover diezelfde rente (zelfs 1%punt hoger) kunnen aftrekken van hun inkomen uit werk en woning, terwijl de hoge rentevoet wordt veroorzaakt door de valuta waarin de lening luidt maar betrokkenen per saldo geen enkel valutarisico lopen. De hoge rente wordt in dit geval dus niet gerechtvaardigd door het valutarisico, zoals dat normaal het geval zou zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat het samenstel van rechtshandelingen uitsluitend tot doel had het genereren van een fors belastingvoordeel door het benutten van het verschil in heffingsgrondslag en tarief tussen enerzijds inkomen uit werk en woning en anderzijds inkomen uit sparen en beleggen. Alleen daardoor is te verklaren waarom belanghebbende en zijn broer de uitgeleende gelden niet hebben uitgeleend aan hun eigen holdingen maar sprake is van kruislingse financieringen – bij uitlening aan de eigen holding zou de rente immers belastbaar zijn als resultaat van overige werkzaamheden en dus als inkomen uit werk en woning en zou het beoogde belastingvoordeel niet worden bereikt.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is de aldus opgezette constructie in strijd met doel en strekking van de wet. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een andere - meer dan bijkomstige - beweegreden dan belastingverijdeling is geweest voor het aangaan van de (rechts)handelingen.

4.7.

Nu de rechtbank oordeelt dat sprake is van fraus legis, moet aan de rechtshandelingen volledig voorbijgegaan worden. De inspecteur heeft renteaftrek geaccepteerd conform de eerder aan de ING betaalde rente op de oorspronkelijke eigenwoningschuld. De (navorderings)aanslagen zijn dan eerder te laag dan te hoog.

De boeten

4.8.

Op grond van artikel 67d, eerste lid, dan wel artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet (of grove schuld) van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan, respectievelijk dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. In dit geval zijn vergrijpboeten van 50% opgelegd.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat het aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door de opgezette constructie te weinig belasting zou worden geheven. Belanghebbende moet hebben beseft dat sprake was van een kunstgreep die louter was bedoeld om fiscale voordelen te behalen. Van een pleitbaar standpunt kan in dat geval geen sprake zijn. Verder heeft belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – onvoldoende aannemelijk gemaakt dat tijdens een telefoongesprek tussen de Belastingdienst en gemachtigde zou zijn toegezegd dat geen boeten zouden worden opgelegd. Belanghebbende is voorafgaand aan het opleggen van de boeten voldoende geïnformeerd over de gronden waarop het opleggen van de boeten berust. De rechtbank acht de opgelegde boeten passend en geboden.

4.10.

Belanghebbende heeft gesteld dat de boeten moeten worden gematigd gelet op de duur van de procedures. De boeten zijn aangekondigd in de brief van 10 oktober 2011. De rechtbank doet uitspraak op 8 oktober 2015. Er is derhalve ruimschoots meer dan twee jaar verlopen tussen de aankondiging van de boeten en de uitspraak van de rechtbank, wat impliceert dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee jaar (undue delay). Deze overschrijding geeft aanleiding tot matiging van de boeten met 20% tot € 1.532 over 2007, € 2.241 over 2008, € 2.259 over 2009 en € 2.426 over 2010.

Slot

4.11.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen gegrond voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond.

5 Proceskosten en griffierecht

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.470 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 maal 1,5 wegens samenhangende zaken en een wegingsfactor 1). De rechtbank beschouwt de zaken met procedurenummers 14/2075, 14/2077, 14/2108, 14/2109 ( [belanghebbende] ) en 14/2113 tot en met 14/2116 ( [Naam broer] ) als samenhangende zaken en zal aan beide belanghebbenden € 735 toekennen. Voor een vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding nu de beroepen enkel gegrond zijn in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase en belanghebbende in de bezwaarfase op overschrijding van die termijn geen beroep heeft gedaan.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond voor zover het de boeten betreft;

- vernietigt de uitspraken op het bezwaar tegen de boetebeschikkingen;

- vermindert de boeten tot € 1.532 over 2007, € 2.241 over 2008, € 2.259 over 2009 en € 2.426 over 2010;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 735;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 180 (viermaal € 45) aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 8 oktober 2015 door prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.drs. M.H. van Schaik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.