Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6522

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
02/820503-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:2539
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen moord, eerwraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/820503-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,

raadsman mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 2 en 3 juli 2015 en

28 september 2015, waarbij de officier van justitie mr. G.V. van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft

verdachte en/of diens mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, door het

hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] ( [ voornaam 1] ) en/of [medeverdachte 2] ( [voornaam 2] ) op of omstreeks 25 september

2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft genoemde verdachte(n) en/of diens

mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer]

met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, door het hoofd geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 25

september 2013 te Dordrecht en/of IJzendijke en/of elders in Nederland

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft verdachte,

- [slachtoffer] naar de plaats, alwaar het bovengenoemde delict is gepleegd,

gebracht, en/of

- één of meer andere werknemers van het bouwbedrijf alwaar [slachtoffer] ook

werkzaam was en welke onderweg waren/was naar de plaats alwaar bovengenoemde

delict zou worden gepleegd opdracht gegeven nog niet te komen, en/of

- één of meer andere werknemers van het bouwbedrijf alwaar [slachtoffer] ook

werkzaam was en welke waren/was gearriveerd op de plaats alwaar

bovengenoemde delict zou worden gepleegd opdracht gegeven te vertrekken (om

enige goederen op te halen), en/of

- het pistool alwaar het bovengenoemde delict mee is gepleegd

geleverd/overhandigd/beschikbaar gesteld/gereed gemaakt, en/of

- nagelaten die [slachtoffer] te waarschuwen voor [medeverdachte 1] ( [ voornaam 1] ) en/of [medeverdachte 2]

( [voornaam 2] ) en/of (een) ander(en) en/of nagelaten bijstand/hulp in te

roepen van politie en/of (een) ander(en) en/of

- niet ingegrepen en/of laten ingrijpen door (een) ander(en) ter voorkoming

dat die [medeverdachte 1] ( [ voornaam 1] ) en/of [medeverdachte 2] ( [voornaam 2] ) en/of (een) ander

tot de uitvoering van het plegen van bovengenoemd misdrijf zou(den) overgaan

en/of (aldus) (op geen enkele wijze) (niet) te voorkomen dat die [slachtoffer]

het leven zou laten;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 september 2013 te Dordrecht en/of IJzendijke, gemeente

Sluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie II/III, te weten enig vuurwapen (Walther-P1), en/of munitie van categorie II/III, te weten twee, althans één of meer patro(o)n(en) (9 mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 Inleidend

Aangezien alle drie verdachten in deze zaak genaamd zijn [familienaam] zullen zij in het vonnis - mede - worden aangeduid met slechts hun voornaam, te weten [ voornaam 1] , [verdachte] en [voornaam 2] .

4 De voorvragen

4.1

De geldigheid van de dagvaarding voor wat betreft feit 2

4.1.1

Het standpunt van de verdediging

Ten laste is gelegd het voorhanden hebben van ‘één of meer wapens, (…), te weten enig vuurwapen (Walther-P1)’. Eén Walther P1 kan geen meervoud van wapens zijn. Om die reden is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en wordt verzocht deze voor dit feit nietig te verklaren.

4.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt geformuleerd.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer. Bij het opstellen van de dagvaarding is kennelijk over het hoofd gezien om in de zinsnede ‘één of meer wapens (…)’ haakjes om de ‘s’ te plaatsen. Bij een bewezenverklaring kan een taalkundig juiste zin worden gemaakt door de letter ‘s’ achter ‘wapens’ door te strepen. Verdachte weet waartegen hij zich dient te verdedigen en wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De dagvaarding ten aanzien van feit 2 is daarom geldig.

4.2

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

4.2.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat sprake is van diverse vormverzuimen. Zo heeft het openbaar ministerie het LEC-rapport niet verstrekt bij de voorgeleiding en raadkamer gevangenhouding. Dit rapport bevat een verklaring van [dochter van medeverdachte 1] (hierna te noemen: [dochter van medeverdachte 1] ) dat [verdachte] wist van haar relatie met het slachtoffer [slachtoffer] en dat hij geen moeite had met die relatie. Er is toen dus ontlastend materiaal buiten het dossier gelaten.

Voorts heeft de officier van justitie aan de vader van het slachtoffer en aan [dochter van medeverdachte 1] verteld dat er vingerafdrukken van [verdachte] op het moordwapen zijn aangetroffen, terwijl deze personen nog door de politie moesten worden gehoord. Dit komt dicht bij beïnvloeding van getuigen.

Ten slotte is de verbaliseringsplicht op diverse momenten geschonden. Bij drie verschillende getuigen was de vrouw van die getuige bij het verhoor aanwezig, zonder dat daarvan melding werd gemaakt in het proces-verbaal, terwijl in één van die gevallen de vrouw zich bemoeide met de inhoud van het verhoor. In processen-verbaal van twee andere getuigen zijn enkele ontlastende onderdelen van hun verklaring niet opgenomen.

De raadsman verbindt aan het voorgaande niet de consequentie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar heeft de rechtbank verzocht vast te stellen dat deze vormverzuimen zijn begaan.

4.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het LEC-rapport weinig ontlastende elementen bevat. De verklaring van [dochter van medeverdachte 1] , zoals aangehaald door de raadsman in dit kader, blijkt ook al uit haar politieverhoren. Voorts ziet de officier van justitie niet hoe enige ontlastende waarde aan de door de raadsman aangehaalde passages kan worden toegekend.

De officier van justitie dient de belangen van de slachtoffers af te wegen tegenover de belangen van [verdachte] . Als het onderzoek daardoor niet wordt geschaad kunnen relevante onderdelen van het onderzoek worden gedeeld met de slachtoffers. De belangen van [verdachte] zijn niet geschaad door het delen van de genoemde informatie met de nabestaanden van het slachtoffer.

Voor zover schending van de verbaliseringsplicht heeft plaatsgevonden is niet gebleken dat dit doelbewust en met het oog op schending van de belangen van [verdachte] zou zijn gebeurd. De verhoren konden door de verdediging worden beluisterd en sommige verhoren zijn woordelijk uitgewerkt. De gang van zaken is dus controleerbaar en daarom moet eventuele schending van de verbaliseringsplicht geen gevolgen hebben.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de inhoud van het LEC-rapport in zijn geheel kan niet worden geconcludeerd dat het enkele onderdeel van de verklaring van [dochter van medeverdachte 1] – dat [verdachte] geen moeite had met haar relatie met het slachtoffer – een ontlastend element vormt. Uit het rapport volgt immers juist dat dit een cruciale inschattingsfout van haar was. Daaruit volgt dat niet kan worden gezegd dat ten tijde van de voorgeleiding en de behandeling in raadkamer gevangenhouding ontlastend materiaal buiten het dossier is gehouden door het rapport pas in een later stadium aan het dossier toe te voegen. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim.

Voorts is niet gebleken dat [verdachte] in zijn belangen is geschaad door het informeren van de vader van het slachtoffer en van [dochter van medeverdachte 1] door de officier van justitie over het DNA van [verdachte] op het vuurwapen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het handelen van de officier van justitie te kwalificeren als vormverzuim.

Ten aanzien van de verbaliseringsplicht geldt dat deze is geschonden. In de processen-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] had moeten worden opgenomen dat daarbij ook hun echtgenotes aanwezig waren. Dit was vooral van belang geweest bij het verhoor van [getuige 1] op 27 september 2013, nu de rechtbank ter terechtzitting van 2 juli 2015 tijdens het beluisteren van enkele geluidsfragmenten van dit verhoor heeft gehoord dat de echtgenote zich op diverse momenten actief heeft bemoeid met de inhoudelijke verklaring van [getuige 1] .

Ook is met betrekking tot de verhoren van [getuige 4] en [getuige 5] verzuimd elementen op te nemen die zouden kunnen zien op het al dan niet aanwezig zijn van voorbedachte raad.

Omdat niet is gebleken dat deze schending van de verbaliseringsplicht doelbewust heeft plaatsgevonden met het oog op schending van de belangen van [verdachte] zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering dat op dit punt een vormverzuim is gepleegd, en hieraan verder geen consequenties verbinden.

4.3

De overige voorvragen

De rechtbank is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [ voornaam 1] [familienaam] het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op onder meer de tijdlijn betreffende de ochtend van 25 september 2013, zoals die volgt uit de bewijsmiddelen in het dossier. Hieruit blijkt dat [verdachte] met het slachtoffer [slachtoffer] naar de werkplek langs de N61 is gereden. Hij heeft diverse malen gebeld naar één van zijn collega’s in de andere werkbus die ook onderweg naar de werkplek waren. Hij heeft gezegd dat de collega’s eerst naar de palletboer moesten rijden en niet rechtstreeks naar de werkplek moesten komen. Uit de tijdlijn volgt dat de schoten rond 09:00 uur zijn gelost en dat toen [verdachte] nog op de plaats delict was, en [ voornaam 1] rond 09:02 daar arriveert. Laatstgenoemde belde om 09:03 uur naar 112. Uitgaande van de tijdlijn kan geconcludeerd worden dat [verdachte] de schoten heeft gelost en dat [ voornaam 1] diens plaats als schutter heeft ingenomen om zodoende [verdachte] in de gelegenheid te stellen de plaats delict te ontvluchten. Er was gelet op de tijdlijn onvoldoende tijd om uitvoering te kunnen geven aan het door [ voornaam 1] geschetste alternatieve scenario.

Op het gebruikte vuurwapen is DNA van zowel [verdachte] als [ voornaam 1] aangetroffen. [verdachte] is na het doden van het slachtoffer spoorslags via Duitsland naar Turkije vertrokken. [verdachte] heeft, hoewel hij daartoe voldoende in de gelegenheid is gesteld, geen enkele verklaring gegeven voor deze belastende omstandigheden.

Ook de verklaring van gevangenbewaarder [getuige 8/bewaarder] kan als bewijs worden gebruikt. Hij verklaart consistent en geloofwaardig. Zijn verklaring vormt een nadere onderbouwing van het door het openbaar ministerie gevolgde scenario.

Het motief voor de moord is gelegen in eerwraak, gelet op hetgeen naar voren is gebracht in het LEC-rapport en op hetgeen in de diverse tapgesprekken tussen leden van de familie [familienaam] hierover is gezegd.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1, zodat vrijspraak dient te volgen. Zij stelt daartoe dat op basis van het dossier aangetoond kan worden dat het slachtoffer nog leefde toen [verdachte] van de werklocatie was weggereden. De Audi van [verdachte] wordt om 09:03:45 uur geregistreerd bij de rotonde Parkzicht. De recherche heeft berekend dat de afstand tussen het tankstation en de rotonde in 85 seconden is te overbruggen. [verdachte] is dus om 09:02:20 uur weggereden. Getuige [getuige 6] heeft rond 09:02 uur twee personen op het zandbed gezien, en verder niemand anders. [verdachte] was dus al weg daar, terwijl het slachtoffer gewoon aan het werk was. Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat hij rond 09:02 uur langs de plaats delict reed en hij heeft blijkens zijn verklaring twee personen gezien: [ voornaam 1] en het slachtoffer.

De verklaring van [getuige 8/bewaarder] moet terzijde worden gesteld, omdat deze niet betrouwbaar is. Ook het LEC-rapport kan niet worden gebruikt, gelet op de inhoud van het rapport van dr. Ermers, die het rapport op diverse punten gemotiveerd betwist.

Forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat [ voornaam 1] betrokken is geweest bij het schieten. Op basis van direct bewijs noch op basis van verklaringen van getuigen kan worden onderbouwd dat [verdachte] de schutter is. Het scenario dat [verdachte] alle kogels heeft afgeschoten is niet goed onderzocht, en ook bij het schotrestenonderzoek met betrekking tot [ voornaam 1] kunnen kanttekeningen worden geplaatst. Het ‘interdisciplinair rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop in IJzendijke op 25 september 2013’ van 14 april 2015 en de onderliggende rapporten zouden daarom ter zijde gesteld moeten worden.

Ook op de tapgesprekken, en met name die genoemd in het proces-verbaal ‘ [verdachte] is de schutter’, valt het nodige af te dingen. Niet kan worden vastgesteld dat het [verdachte] is over wie in de gesprekken in dat proces-verbaal wordt gesproken.

Het wegrijden uit IJzendijke door [verdachte] is onvoldoende voor het bewijs van medeplegen. Ook bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde voorbedachte raad.

Ook voor feit 2 wordt vrijspraak bepleit nu uit het dossier niet blijkt waar en wanneer de biologische sporen van [verdachte] op het vuurwapen terecht zijn gekomen, en onder welke omstandigheden hij het vuurwapen in handen heeft gehad. Het kortstondig in handen hebben van een vuurwapen is onvoldoende voor het medeplegen van het voorhanden hebben ervan.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [ voornaam 1] [familienaam] tezamen, al dan niet met een of meer anderen, een plan hebben beraamd om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat zij dat plan ook hebben uitgevoerd, zoals primair ten laste gelegd. [verdachte] heeft daarbij het slachtoffer neergeschoten. [ voornaam 1] is kort daarvoor of kort daarna op de plaats delict gearriveerd, heeft het vuurwapen van [verdachte] overgenomen en heeft 112 gebeld om zich te melden als dader. [verdachte] is vanaf de plaats delict via Duitsland naar Turkije gevlucht. Het motief voor deze moord is gelegen in eerwraak.

De rechtbank komt tot deze beoordeling op basis van de volgende bewijsmiddelen.1

Tijdlijn 25 september 2013

07:48 uur de witte Audi Q7 met daarin [verdachte] en [slachtoffer] rijdt langs het

tolpoortje van de Westerscheldetunnel naar Zeeuws-Vlaanderen.2

07:57 uur de witte Mercedes-bus met de andere werknemers ( [getuige 9] , [getuige 5] , [getuige 1] en [getuige 2] ) passeert het tolpoortje van de Westerscheldetunnel naar Zeeuws-Vlaanderen.

08:12 uur de witte Audi Q7 passeert ARS-camera bij de kruising Tivoli richting rotonde Parkzicht, en is dan bijna bij de werkplek.3

08:18 uur [verdachte] belt naar getuige [getuige 9] .4 [verdachte] zegt dat zij maar even door

moeten rijden, want [verdachte] wil een ‘torrie doen’ (iets stelen).5

08:22 uur [verdachte] belt nogmaals naar getuige [getuige 9] .6 [verdachte] zegt weer dat ze door moeten rijden.7

08:26 uur [ voornaam 1] rijdt in zijn zwarte Mercedes stationwagen langs het

tolpoortje van de Westerscheldetunnel naar Zeeuws-Vlaanderen.8

08:27 uur de witte Mercedes-bus met de andere werknemers rijdt weg bij tankstation Aers (schuin tegenover de werkplek aan de andere kant van de weg) en rijdt vervolgens naar de werkplek waar zij dan rond 08:30 uur arriveren. De werknemers zien op de werkplek [verdachte] en [slachtoffer] . [verdachte] zegt tegen [getuige 5] dat ze eerst naar de boer moeten gaan waar de haspels staan. Alle werknemers behoudens [verdachte] en [slachtoffer] vertrekken met de witte Mercedes-bus naar de boer.9+ 10

08:48 uur [verdachte] belt naar getuige [getuige 9] .11 [verdachte] zegt dat ze nog even moeten

wachten met terugkomen omdat er politie is.12

08:51 uur [verdachte] belt 34 seconden naar [slachtoffer] .

08:53 uur getuige [getuige 11] passeert de ARS-camera bij de kruising Tivoli13 en rijdt

direct achter de Mercedes van [ voornaam 1] . [getuige 11] verklaart dat de – langzaam rijdende - Mercedes zonder te stoppen doorrijdt tot de rotonde Parkzicht.14

08:54 uur getuige [getuige 24] passeert de ARS-camera bij de kruising Tivoli15. Zij

ziet op het zandbed een kraantje, en zij ziet twee mannen lopen op het zandbed.16

De rechtbank gaat ervan uit dat de twee mannen die deze getuige heeft gezien [verdachte] en [slachtoffer] zijn, omdat – gelet op de verklaring van getuige [getuige 11] - [ voornaam 1] op dat moment nog in zijn auto rijdt.

08:55:05 uur getuige [getuige 25] passeert ARS-camera Parkzicht richting kruising Tivoli.17

Zij is om circa 08:56:30 uur ter hoogte van tankstation Aers. Zij ziet dat er op het zandbed een kraantje staat met een man erin. Er stond een vrij grote witte auto in de buurt van dat kraantje.18

De rechtbank acht het aannemelijk dat deze witte auto de Audi Q7 is waarmee [verdachte] naar de werkplek is gereden.

08:56 uur [ voornaam 1] belt naar [verdachte] , er wordt niet opgenomen.

08:57 uur [ voornaam 1] belt naar [verdachte] , er wordt niet opgenomen.19

08:57:09 uur getuige [getuige 7] passeert de ARS-camera bij de kruising Tivoli richting rotonde Parkzicht.20 Gelet op de afstand van deze camera tot de plaats delict – 300 meter – en een gemiddelde snelheid van 40 kilometer per uur duurt het ongeveer 13 seconden voordat hij goed zicht heeft op het zandbed21. Om circa 08:57:22 uur ziet hij op het zandbed een kraantje met iemand erin. Hij ziet 20 meter van het kraantje nog een man lopen. Het viel hem op dat deze man een grote haardos had. Hij ziet dat de mannen contact hebben met elkaar.22

De rechtbank acht het aannemelijk dat de man in het kraantje [slachtoffer] is. De omschrijving van de tweede man die hij ziet sluit aan bij het uiterlijk van [verdachte] , zoals omschreven door de getuigen [getuige 5] 23 en [getuige 2] 24 . In ieder geval sluit die niet aan bij het uiterlijk van [ voornaam 1] , zoals dat te zien is op foto’s van hem vlak na zijn arrestatie 25 . De rechtbank gaat er daarom vanuit dat getuige [getuige 7] als tweede man [verdachte] heeft gezien.

08:58:10 uur [ voornaam 1] passeert met zijn Mercedes stationwagen de ARS-camera bij de rotonde Parkzicht, richting tankstation Aers/kruising Tivoli26.

Gelet op de afstand van de ARS-camera bij de kruising Tivoli tot de ARS-camera Parkzicht ZL_N61_02_A, is de tijd die [ voornaam 1] hierover deed relatief lang. Dit past echter bij de verklaring van getuige [getuige 11] die heeft verklaard dat de Mercedes voor hem heel langzaam reed – 40 tot 50 kilometer per uur – alsof hij een afslag naar rechts aan het zoeken was.

08:58:35 uur getuige [getuige 6] passeert de ARS-camera bij de kruising Tivoli richting rotonde Parkzicht27. Hij is om circa 08:58:48 uur ter hoogte van het zandbed. Hij heeft verklaard dat hij ter hoogte van het tankstation een aantal minuten stilstond. Hij ziet op het zandbed een klein kraantje met daarin een man. De man lag voorover in het kraantje. Hij ziet ook een zomers geklede man lopen. De mannen hebben volgens de getuige geen contact met elkaar.28

De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende man niet [ voornaam 1] was, gelet op het feit dat die op dat moment nog in de auto aan het rijden was. Ook de omschrijving van de kleding past niet bij de kleding zoals [ voornaam 1] die droeg op het moment dat hij werd aangehouden 29 . De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze lopende man [verdachte] betrof.

08:58:58 uur [ voornaam 1] belt naar [verdachte] , er wordt niet opgenomen.30

08:59:59 uur De Mercedes van [ voornaam 1] rijdt langs de benzinepompen op het tankplein van tankstation Aers, waarna deze om 09:00:05 uur langs de shop rijdt en daar wordt geparkeerd31.

09:00:17 uur Gelet op de gemiddelde rijtijd vanaf de camera bij rotonde Parkzicht, die zij om 08:59:17 uur passeerde32, tot het tankstation Aers rijdt getuige [getuige 26] rond 09:00:17 uur langs Aers. Zij ziet daar dan een man in oranje/groene werkkleding vanaf het tankstation de weg schuin oversteken. De man liep heel langzaam en verdwaasd. Het door haar gegeven signalement van de man luidt: 1.70 meter tot 1.75 meter groot, grof postuur, gekruld zwart haar.33

Geconcludeerd kan worden dat de man die de getuige ziet [ voornaam 1] is, gelet op plaats, tijdstip en diens uiterlijk zoals dat te zien is op foto’s in het dossier van vlak na zijn aanhouding.

09:01:41 uur de afstand van het tankstation Aers naar de plaats delict is in rustig wandeltempo af te leggen in één minuut en 26 seconden.34 Uitgaande van het tijdstip van circa 09:00:17 uur waarop getuige [getuige 26] [ voornaam 1] ziet, is hij om circa 09:01:41 uur op de plaats delict.

09:03:09 uur [ voornaam 1] belt naar 112.35 Het gesprek duurt ruim vijf minuten, tot 09:08:32 uur.

09:03:35 uur [verdachte] belt naar [ voornaam 1] , maar krijgt geen gehoor.36

[ voornaam 1] is op dat moment immers naar 112 aan het bellen. [verdachte] en [ voornaam 1] zijn dan kennelijk niet meer bij elkaar op dezelfde plaats.

09:03:45 uur de witte Audi Q7 passeert de ARS-camera ZL_N61_02_B bij de rotonde Parkzicht.37 De afstand tussen deze camera en de andere ARS-camera bij de rotonde Parkzicht (ZL_N61_02_A) is 100 meter.38 De afstand tussen ARS-camera 02_A en tankstation Aers – ter hoogte van de plaats delict – is circa 1750 meter.39 De afstand tussen de plaats delict en de ARS-camera 02_B is derhalve circa 1850 meter.

Uitgaande van eerdere tijd-afstandsberekeningen kan die afstand worden afgelegd in een tijdspanne van 1 tot 1,5 minuut. [verdachte] heeft dan, terugrekenend, de plaats delict verlaten tussen 09:02:15 en 09:02:45 uur. Dit betekent dat [verdachte] en [ voornaam 1] enige tijd gelijktijdig op de plaats delict aanwezig waren.

09:15:06 uur [verdachte] belt naar getuige [getuige 9] .40 Hij zegt dat hij weg is en dat ze (de andere werknemers) naar de werkplek kunnen komen. De andere werknemers rijden daarna terug naar de werkplek.41

14:43 uur de in Essen, Duitsland, woonachtige [getuige 10] koopt in Gelsenkirchen, Duitsland, een ticket voor [verdachte] voor de vlucht van Düsseldorf (Duitsland) naar Istanbul (Turkije). Deze vlucht vertrekt om 18:25 uur.42+ 43

14:53 uur het hierboven genoemde ticket wordt betaald.44

Werkplanning/rooster

Getuige [getuige 18] , als planner werkzaam bij het bedrijf [naam bedrijf] sinds augustus 2013, heeft verklaard dat zij het werk voor 25 september 2013 had ingepland, en dat zij [verdachte] niet had ingepland aan het karwei aan de N6145. Dit wordt bevestigd door de getuige [getuige 19] , de adjunct-directeur van [naam bedrijf]46 [verdachte] had volgens [getuige 18] last van zijn rug. Ook [verdachte] oom [getuige 20] , een broer van [ voornaam 1] en [voornaam 2] , heeft verklaard over rugproblemen bij [verdachte] ; [verdachte] had op 25 september 2013 vrij genomen, omdat hij rugpijn had47. Schoonzus [getuige 12] heeft eveneens verklaard over de rugpijn van [verdachte] , en dat hij niet kon werken.48 Werknemer [getuige 1] heeft verklaard dat hij geen reden zag waarom [verdachte] op de werkplek moest zijn.49

Werknemer [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij bijna altijd samen naar het werk gingen. Dat [verdachte] die ochtend [slachtoffer] had opgehaald was volgens [getuige 2] bijzonder.50

Gelet op deze verklaringen gaat de rechtbank ervan uit dat er geen logische verklaring was voor de aanwezigheid van [verdachte] op de werkplek en dat ook het daarheen rijden samen met [slachtoffer] afweek van het normale patroon. [verdachte] heeft voor zijn aanwezigheid op de werkplek geen enkele verklaring gegeven.

Het dossier bevat aanwijzingen dat ook de aanwezigheid van [slachtoffer] op de werkplek op

25 september 2013 niet vanzelfsprekend was. Getuige [getuige 17] , een goede vriend van [slachtoffer] en bekend met de relatie tussen [slachtoffer] en [dochter van medeverdachte 1] , heeft verklaard dat [slachtoffer] hem had verteld dat hij wilde stoppen met werken bij [naam bedrijf] [voornaam 2] en [slachtoffer] hadden besloten dat [slachtoffer] op 25 september 2013 zijn laatste werkdag zou hebben. [slachtoffer] zou op 24 en 25 september 2013 ziek gemeld worden, zodat hij in de ziektewet kon blijven, maar hij moest die 25 september 2013 nog wel komen werken.51 Getuige [getuige 2] verklaart soortgelijk.52

Het bellen van [verdachte] naar getuige [getuige 9]

Getuige [getuige 9] heeft verklaard dat [verdachte] hem op de hierboven genoemde tijdstippen heeft gebeld. [verdachte] belde om te zeggen dat hij een ‘torrie’ ging doen (iets ging stelen) en dat daarom de andere werknemers door moesten rijden, en niet eerst naar de werkplek moesten komen. De andere werknemers komen toch eerst naar de werkplek. [verdachte] zegt tegen getuige [getuige 5] dat ze naar de boer moeten gaan waar de kabelhaspel ligt. De werknemers vertrekken daarop allemaal in de werkbus naar de boer. Om 08:48 uur belt [verdachte] nogmaals naar [getuige 9] om te zeggen dat ze nog niet terug mogen komen, omdat er veel politie is. Uit het dossier blijkt niet dat rondom dat tijdstip de politie daar in de buurt is geweest. Om 09:15 uur belt [verdachte] dat ze naar de werkplek kunnen komen, en dat hij ‘geklaard’ heeft. Dat laatste wil zeggen dat het was gelukt om te stelen wat hij wilde stelen.53 Uit het dossier blijkt overigens niet dat er een kabel of haspel gestolen is van of in de buurt bij de werkplek.

Gelet op de gebeurtenissen op de werkplek in de tijd dat de andere werknemers daar niet waren, in combinatie met het feit dat de informatie die [verdachte] [getuige 9] geeft tijdens het bellen niet wordt ondersteund door stukken in het dossier, en met het feit dat [verdachte] hierover geen enkele verklaring heeft afgelegd, kan de rechtbank het belgedrag van [verdachte] niet anders begrijpen dan dat hij de plaats delict heeft vrij gemaakt en gehouden zodat daar geen andere personen aanwezig zouden zijn dan hijzelf, het slachtoffer en [ voornaam 1] .

Forensisch onderzoek

[slachtoffer] is op 25 september 2015 dood aangetroffen op het zandbed van de werkplek van de N61 te IJzendijke.54 Uit het forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat [slachtoffer] drie maal door het hoofd is geschoten, waarvan éénmaal door de mond en tweemaal boven het oor. Uit het bloedsporenonderzoek aan het lichaam en de kleding van [slachtoffer] komt naar voren dat niet uitgesloten kan worden dat [slachtoffer] een (deels) verticale positie had op het moment dat het eerste doorschot door diens hoofd plaatsvond. Het betrof hier waarschijnlijk een schot door de mond naar het achterhoofd, waarbij [slachtoffer] zijn rechterarm waarschijnlijk enigszins geheven en gebogen voor zich heeft gehouden en waarbij zijn rechterhand met de rugzijde naar zijn mond was gericht. De twee andere doorschoten waren zeer waarschijnlijk vanaf de rechterzijde van het hoofd naar de linkerzijde van het hoofd toegebracht en waarschijnlijk lag [slachtoffer] tijdens deze doorschoten (deels) op zijn linker zijde.55

Met welk wapen is geschoten?

Uit forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat het even waarschijnlijk is dat een kogeldeel dat in het hoofd van [slachtoffer] is aangetroffen en een kogel die naast het hoofd van [slachtoffer] is aangetroffen zijn afgevuurd met het vuurwapen dat bij [ voornaam 1] werd aangetroffen op de plaats delict, als dat deze zouden zijn afgevuurd met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber. Van een beschadigde kogel die is aangetroffen nabij het slachtoffer is het waarschijnlijker dat die uit het aangetroffen vuurwapen is afgevuurd dan uit een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber.56 Gelet op het feit dat geen ander vuurwapen is aangetroffen gaat de rechtbank er op basis van deze onderzoeksresultaten van uit dat de fatale kogels zijn afgevuurd met dit vuurwapen.

Wie was de schutter?

Op dit vuurwapen zijn DNA-profielen aangetroffen van zowel [verdachte] als [ voornaam 1] . Het DNA-profiel van [ voornaam 1] is aangetroffen op de ruwe delen aan de rechterzijde van het vuurwapen. DNA-materiaal aangetroffen op de ruwe delen aan de linkerzijde van het vuurwapen kan van [ voornaam 1] zijn. Een partieel DNA-nevenprofiel dat matcht met het DNA-profiel van [ voornaam 1] wordt aangetroffen op de trekker, pinnen en trekhaak.57

Op de voorkant en bovenkant van de loop wordt DNA aangetroffen van [verdachte] . Het DNA-hoofdprofiel op de ruwe delen van de linkerzijde van het vuurwapen, de trekker, pinnen en trekhaak matcht met het DNA-profiel van [verdachte] . Op de patroonhouder is alleen DNA-materiaal van [verdachte] aangetroffen.58 [verdachte] heeft voor de aanwezigheid van zijn DNA op het vuurwapen en de patroonhouder geen enkele verklaring gegeven.

De rechtbank concludeert dat op de plaatsen op het vuurwapen die het meest worden beroerd indien daarmee wordt geschoten, het DNA-profiel van [verdachte] prominenter aanwezig is dan het DNA-profiel van [ voornaam 1] . De aanwezigheid van deze prominentere DNA-sporen van [verdachte] op het vuurwapen past niet bij de verklaring van [ voornaam 1] dat hij degene is die met zijn rechterhand geschoten heeft nadat hij het wapen had doorgeladen door de bovenzijde van het pistool naar achteren te trekken. Daarbij komt dat [ voornaam 1] wisselend heeft verklaard over de reden waarom hij met het vuurwapen naar de werkplek aan de N61 is gereden. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat dit was omdat hij bang was van jonge werknemers en ook van [slachtoffer] . Ter terechtzitting van 3 juli 2015 heeft [ voornaam 1] daarentegen verklaard dat hij het vuurwapen had meegenomen omdat hij een einde aan zijn eigen leven wilde maken. Deze omstandigheden doen af aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [ voornaam 1] dat hij de schutter was.

Op de linkermouw van de jas van [ voornaam 1] , aan de achterzijde, zijn weefselresten gevonden van [slachtoffer] .59 Op de overige delen van de jas van [ voornaam 1] zijn geen schot- of weefselresten aangetroffen. [ voornaam 1] noch [verdachte] heeft een verklaring gegeven voor deze bevindingen. Indien [ voornaam 1] degene was die op [slachtoffer] zou hebben geschoten ligt het niet voor de hand dat weefselresten van [slachtoffer] op de achterzijde van zijn linkermouw terecht zouden komen60, hetgeen overeenkomt met het scenario dat [verdachte] heeft geschoten. De kans dat de weefseldeeltjes terecht zijn gekomen op de achterzijde van de linkermouw van de jas van [ voornaam 1] door ‘back-spatter’ ten gevolge van minimaal één inschot aan het hoofd wordt door deskundige forensisch bloedspoorpatroononderzoek van het NFI Van der Scheer reëel geacht. Daarbij dient volgens hem te worden opgemerkt dat dit niet bewijzend is dat [ voornaam 1] daarmee de schutter is. Wel kan worden geconcludeerd dat [ voornaam 1] op korte afstand van de bron, in dit geval het hoofd van het slachtoffer, heeft verbleven tijdens het oplopen van ten minste één schotverwonding, aldus Van der Scheer.61 In de eerste voetnoot van zijn brief heeft Van der Scheer evenwel ook de mogelijkheid geschetst dat de weefseldeeltjes op enig moment door fysiek contact is overgedragen – gestempeld – op de achterzijde van de linkermouw van de jas.62

In een Interdisciplinair Forensisch Onderzoek (IDFO) zijn de resultaten van de forensisch technische onderzoeken bekeken in relatie tot diverse scenario’s waarbij [verdachte] of [ voornaam 1] of beiden de schoten op [slachtoffer] zouden hebben gelost. De uiteindelijke conclusie van de deskundigen is dat de kans op het waarnemen van de in dit onderzoek gevonden onderzoeksresultaten 10 tot 100 keer groter wordt geacht wanneer [verdachte] alle drie de schoten heeft gelost dan wanneer [ voornaam 1] één of meerdere schoten heeft gelost.63

Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het schotrestenonderzoek niet naar behoren is uitgevoerd.

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank derhalve dat ten aanzien van [ voornaam 1] na aankomst op de plaats delict twee scenario’s mogelijk zijn: [ voornaam 1] was aanwezig toen [slachtoffer] door [verdachte] werd neergeschoten, of [ voornaam 1] kwam nadien op de plaats delict en heeft de weefselresten van [slachtoffer] op de achterzijde van zijn linkermouw overgedragen gekregen door fysiek contact met [verdachte] of [slachtoffer] .

Het vertrek van [verdachte] naar Turkije

[verdachte] is vanaf de werkplek aan de N61 in de witte Audi Q7 naar Duitsland gereden en van daaruit naar Turkije gevlogen. [getuige 10] (hierna: [getuige 10] ), een in Essen (Duitsland) woonachtig familielid van [ voornaam 1] en [verdachte] , heeft verklaard dat [verdachte] hem op 25 september 2013 heeft opgebeld en hem heeft gevraagd of hij een ticket naar Turkije voor hem kon regelen. [getuige 10] heeft dat gedaan. [verdachte] is met een witte Audi Q7 naar de woning van [getuige 10] gekomen, en [getuige 10] heeft [verdachte] naar het vliegveld in Düsseldorf gebracht.64 De Audi Q7 heeft een week bij het huis van [getuige 10] gestaan. Daarna heeft [getuige 10] de auto naar een neef in Grevenbroich gebracht.65

Het ticket is geboekt bij [naam reisbureau] in Gelsenkirchen. Het betrof vlucht [vluchtnummer] op 25 september 2013, met vertrek om 18:25 uur in Düsseldorf en aankomst om 22:30 uur in Istanbul. Uit de passagierslijst blijkt dat [verdachte] als [nummer] passagier incheckte op de vlucht.66

Getuige [getuige 4] – een vriendin van [verdachte] – heeft verklaard dat ze wist dat [verdachte] op vakantie wilde naar Turkije, maar ze wist niet wanneer hij wilde vertrekken.

Het vertrek van [verdachte] naar Turkije vrijwel direct na de moord op [slachtoffer] , terwijl op dat moment nog een ticket geboekt moest worden roept vragen op die door geen van de verdachten zijn beantwoord. De rechtbank kan dit vertrek van [verdachte] , in het licht van alle andere bewijsmiddelen, niet anders duiden dan als een vlucht om uit handen van justitie te blijven en aldus ook sporen te wissen die duidden op zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] .

Het motief/voorbedachte raad/medeplegen

Uit het dossier komt naar voren dat er problemen bestonden rondom het geplande huwelijk tussen [dochter van medeverdachte 1] en haar neef [getuige 13] , een zoon van [voornaam 2] . Laatstgenoemde heeft over dit voorgenomen huwelijk verklaard dat hij met [dochter van medeverdachte 1] wilde trouwen, maar dat daarover ‘eerst de oude mensen met elkaar gaan praten en die regelen het dan’. Uit de verklaringen van de diverse familieleden [familienaam] en uit de familieverbanden blijkt dat binnen de familie [familienaam] het trouwen met een neef of nicht gebruikelijk was. Dit sluit volgens het LEC-rapport aan bij de rurale gebruiken van Turkije. De verloving is op een laat moment verbroken. Er was zelfs al een huis gekocht voor [dochter van medeverdachte 1] en [getuige 13] . De verbreking van de verloving heeft tot grote problemen tussen [dochter van medeverdachte 1] en haar familie geleid. [dochter van medeverdachte 1] is in juni 2013 gevlucht voor haar familie en onder gebracht bij een Blijf van mijn Lijf huis. Er zijn vervolgens bemiddelingspogingen ondernomen door wijkagent [naam agent] . Voorts heeft een gesprek plaatsgevonden op het hoofdbureau van politie te ’s-Gravenhage bij het LEC EGG waarbij de ouders van [dochter van medeverdachte 1] en [dochter van medeverdachte 1] aanwezig waren. Hier is de toezegging gedaan dat [dochter van medeverdachte 1] niet met haar neef hoefde te trouwen, waarna zij op 9 augustus 2013 is teruggekeerd naar huis. Op 17 augustus 2013 is wijkagent [naam agent] naar de woning van de familie [familienaam] ( [ voornaam 1] ) gegaan waarbij hij het gevoel kreeg dat [ voornaam 1] aan het “vissen” was naar informatie. Op enig moment is [ voornaam 1] vertrokken en heeft de moeder van [dochter van medeverdachte 1] verteld dat er een roddel rondging binnen de familie dat [dochter van medeverdachte 1] iets gehad zou hebben met een man met twee kinderen. Op 19 september 2013 ontving LEC EGG deskundige Engel diverse sms’jes op haar diensttelefoon van [dochter van medeverdachte 1] waarin zij haar smeekte om opgehaald te worden van huis omdat zij een vermoeden had dat er iets “gaande” zou zijn. [dochter van medeverdachte 1] is vervolgens door de surveillance-eenheid opgehaald uit de woning van haar ouders en geplaatst in de noodopvang. Zij gaf daarbij aan dat zij niet meer naar huis wilde omdat zij alsnog met haar neef moest trouwen en dat ze bang is dat ze daarvoor naar Turkije zal worden gebracht. [dochter van medeverdachte 1] en [slachtoffer] hebben besloten dat zij samen verder zouden gaan, waarna [slachtoffer] zijn contract bij [naam bedrijf] heeft opgezegd. 67

[verdachte] was van de relatie tussen [dochter van medeverdachte 1] en [slachtoffer] op de hoogte68.

Het verbreken van de verloving was naar de rechtbank aanneemt op grond van het voorgaande, op basis van het LEC-rapport69 en op basis van de verklaring van [getuige 14]70, voor de familie een ongewenste ontwikkeling.

Het feit dat [dochter van medeverdachte 1] een relatie had met [slachtoffer] maakte de situatie nog erger.

In de eerste plaats was [slachtoffer] geen Koerd en geen familielid, en daarbij kwam nog dat hij getrouwd was toen zij een relatie kregen. De rechtbank gaat er van uit dat de familie [familienaam] deze relatie – ook tegen de achtergrond van de verbroken verloving met [getuige 13] – heeft opgevat als een eerschending. Zij leidt dit af uit diverse tapgesprekken.

Zo wordt in een tapgesprek van 3 februari 2014 tussen [getuige 15] en [getuige 16] (broers van [ voornaam 1] en [voornaam 2] ) gesproken over [dochter van medeverdachte 1] en [bijnaam verdachte]71, waarin [getuige 15] onder meer zegt: “Maar [bijnaam verdachte] heeft het goed gedaan. Hij heeft (…) hem koud gemaakt. (…) Voor onze eer (…) Ik zei: ‘als [bijnaam verdachte] hem niet had neergeschoten, dan waren wij met z’n allen in de graf zijn. Wij zouden met z’n allen eerloos zijn (…).”72.

Op 29 januari 2014 vindt een gesprek plaats tussen [getuige 16] en ene “ [naam] ”. [getuige 16] is op bezoek geweest bij [ voornaam 1] en zegt: “ [ voornaam 1] zei tegen mij ‘maak je geen zorgen om mij (…) als wij dit niet hadden gedaan dan zou men zeggen dat de familie van [bijnaam] eerloos is. Het moest’.”73

In een gesprek op 5 november 2013 tussen [voornaam 2] en [getuige 21] wordt [dochter van medeverdachte 1] door [voornaam 2] herhaaldelijk ‘eerloze hoer’,‘hoer’ en ‘eerloze slet’ genoemd.74

Volgens [getuige 17] , een vriend van hem, wist [slachtoffer] dat hij als gevolg van de relatie met [dochter van medeverdachte 1] mogelijk vermoord zou worden, alleen niet wanneer75.

Gelet op de achtergrond van schending van de familie-eer door de relatie van [dochter van medeverdachte 1] met [slachtoffer] , zoals hierboven omschreven, acht de rechtbank het aannemelijk dat het doden van [slachtoffer] is gebeurd met als doel eerherstel. Dit motief sluit aan bij hetgeen dr. Ermers hierover in zijn rapport heeft geschreven.76 Dat brengt met zich mee dat het doden van [slachtoffer] niet is gebeurd in een spontane opwelling, maar dat hiervoor eerder een plan is gemaakt. Hetgeen hierboven is opgenomen onder ‘werkrooster/planning’ en ‘het bellen van [verdachte] naar getuige [getuige 9] ’ sluit hier naadloos op aan. [verdachte] heeft [slachtoffer] doodgeschoten. [ voornaam 1] is, gelet op de weefseldeeltjes van [slachtoffer] op de achterzijde van de linkermouw van zijn jas, hier bij aanwezig geweest, of deze sporen zijn op hem ‘gestempeld’ via [verdachte] of [slachtoffer] , toen [slachtoffer] al dood was. [ voornaam 1] was hoe dan ook bij het plan betrokken, omdat hij rond het tijdstip waarop [slachtoffer] is gedood op de plaats delict aan is gekomen, het wapen van [verdachte] heeft overgenomen en daar is gebleven om zich als dader te presenteren, terwijl [verdachte] ondertussen vluchtte naar Turkije. Ook is er voorafgaand aan en kort na het feit veel telefonisch contact tussen [verdachte] en [ voornaam 1] geweest, of is getracht elkaar telefonisch te bereiken, wat aanwijzingen zijn voor nauwe betrokkenheid en een gezamenlijk plan.

Op grond van het motief, het gemaakte plan en de wijze van uitvoering daarvan, zoals hierboven omschreven, is de rechtbank van oordeel dat tussen [verdachte] en [ voornaam 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het doden van [slachtoffer] (medeplegen) alsook van voorbedachten raad.

De verklaring van [getuige 8/bewaarder]

[verdachte] heeft op 2 juli 2015, na afloop van de terechtzitting op die dag en bij terugkomst in het huis van bewaring te Middelburg, gesproken met gevangenbewaarder [getuige 8/bewaarder] . [getuige 8/bewaarder] heeft verklaard dat [verdachte] tegen hem heeft verteld dat hij, [verdachte] , het vreemd vond dat tegen zijn vader [ voornaam 1] (ook) zo’n hoge straf was geëist, terwijl die het niet gedaan had omdat hij, zijn vader, er niet eens bij was. Ook heeft [verdachte] volgens [getuige 8/bewaarder] gezegd ‘ja, natuurlijk heb ik het gedaan’ en ‘ik zou het zo weer doen’. [verdachte] heeft ook hieromtrent tegenover de rechtbank niet willen verklaren. De verklaring van getuige [getuige 22] , die naar aanleiding van de verklaring van [getuige 8/bewaarder] is gehoord, sluit niet aan bij de verklaringen van bewaarders van de penitentiaire inrichting Middelburg over de verhoudingen tussen [verdachte] en bewaarders in het algemeen, en tussen [verdachte] en [getuige 8/bewaarder] in het bijzonder. Getuige en medebewaarder [getuige 23] heeft voorts verklaard dat [getuige 8/bewaarder] al direct na het luchtmoment in het kantoor tegen zijn collega’s heeft verteld over zijn gesprek met [verdachte] in bewoordingen als ‘Vertelt [verdachte] me net dat hij gewoon de dader is’. Het geheel van de verklaringen van de getuigen die zijn gehoord naar aanleiding van de verklaring van [getuige 8/bewaarder] biedt onvoldoende steun aan de stelling van de verdediging dat de verklaring van [getuige 8/bewaarder] als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt. Daarbij komt dat [getuige 8/bewaarder] , naast het hierboven genoemde, ook heeft verklaard dat [verdachte] hem in hetzelfde gesprek redelijk gedetailleerd heeft verteld over onder meer financiële problemen van [slachtoffer] , waarmee de familie [familienaam] [slachtoffer] meermalen zou hebben geholpen. [verdachte] noch zijn verdediging hebben deze details weersproken en evenmin een verklaring gegeven voor de vraag hoe het mogelijk is dat [getuige 8/bewaarder] dit zou kunnen weten als [verdachte] hem dit niet zou hebben verteld.

[getuige 8/bewaarder] heeft in zijn schriftelijk rapport over het gesprek met [verdachte] en in de verhoren bij de politie en de rechter-commissaris hierover steeds consistent verklaard.

De rechtbank acht de verklaring van [getuige 8/bewaarder] gelet op het bovenstaande betrouwbaar, zodat deze als bewijsmiddel kan worden gebruikt. De de-audituverklaring van [getuige 8/bewaarder] dat [verdachte] hem vertelde dat [ voornaam 1] er niet bij was, en dat [verdachte] het zelf heeft gedaan77 sluit overigens ook aan bij het hierboven genoemde bewijs.

Ten aanzien van feit 2

Gelet op het de bewezenverklaring van feit 1 primair, zoals hierboven weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] het vuurwapen waarmee [slachtoffer] om het leven heeft gebracht tezamen en in vereniging met [ voornaam 1] voorhanden heeft gehad. [verdachte] heeft ermee geschoten en [ voornaam 1] heeft het wapen van hem overgenomen en zich zo voorgedaan als de schutter78. Gelet op het plan dat bestond over de wijze waarop [slachtoffer] om het leven zou worden gebracht, wisten beide verdachten wie op welk moment het wapen bij zich zou dragen en met welk doel.

Dit wapen betrof een pistool van het in de tenlastelegging genoemde type.79 Nadat het vuurwapen op het zandbed was aangetroffen is het wapen veilig gesteld. In de kamer werd één kogelpatroon aangetroffen.80 Vlakbij het lichaam van [slachtoffer] zijn kogelprojectielen aangetroffen. Het is – kort gezegd - waarschijnlijk dat deze zijn afgevuurd met het onderzochte vuurwapen.81 Gezien de massa en de uiterlijke kenmerken passen de kogels het best bij het kaliber 9mm Parabellum.82

De rechtbank acht op grond hiervan feit 2 wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals hieronder weergegeven.

5.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 primair.

op of omstreeks 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft

verdachte en/of diens mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, door het

hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.

op of omstreeks 25 september 2013 te Dordrecht en/of IJzendijke, gemeente

Sluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie II/III, te weten enig vuurwapen (Walther-P1), en/of munitie van categorie II/III, te weten twee, althans één of meer patro(o)n(en) (9 mm), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negentien jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat een forse matiging van de strafeis op zijn plaats is, gelet op vergelijkbare zaken.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

[verdachte] heeft, ter uitvoering van een gezamenlijk met [ voornaam 1] opgesteld plan, het slachtoffer [slachtoffer] met een vuurwapen om het leven gebracht door hem drie keer door het hoofd te schieten. Hij is daarna gevlucht naar Turkije.

Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven, waardoor de samenleving ernstig wordt geschokt. In de onderhavige zaak heeft de moord kenmerken van een kille liquidatie, gelet op het gemaakte plan en de wijze van uitvoering daarvan. De moord is voltrokken op klaarlichte dag langs een openbare weg. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] tijdens het eerste schot mogelijk deels stond en zijn rechterarm waarschijnlijk enigszins geheven en gebogen voor zich heeft gehouden. Daarmee lijkt het er op dat hij zich in die laatste momenten van zijn leven heeft gerealiseerd wat er ging gebeuren en welk lot hem te wachten stond. [verdachte] en [slachtoffer] waren goed bevriend, maar zelfs dat heeft [verdachte] niet van zijn daad weerhouden. Het laat zich makkelijk raden dat [slachtoffer] zich in hoge mate verraden moet hebben gevoeld door de man die hij voor zijn vriend hield, [verdachte] . [verdachte] en [ voornaam 1] hebben geen enkel respect voor andermans leven getoond. De rechtbank rekent hen dit alles zeer zwaar aan. Eerwraak is bovendien een buitengewoon onacceptabel en ongewenst fenomeen, waarvoor in deze maatschappij geen plaats is.

De wijze waarop na het plegen van de moord is getracht [verdachte] weg te houden van justitie, en deze te misleiden door medeverdachte [ voornaam 1] [familienaam] als schutter naar voren te schuiven is verwerpelijk te noemen.

Het spreekt voor zich dat dit misdrijf met name ook een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Het heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet gebracht. Zijn nog jonge kinderen zullen moeten opgroeien zonder hun vader.

Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, zoals bewezen verklaard, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege het gevaar dat daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat, welk gevaar zich hier heeft verwezenlijkt.

Blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 mei 2015 is [verdachte] door de politierechter in Rotterdam in 2013 veroordeeld wegens geweldsmisdrijven, waarvoor een werkstraf is opgelegd.

[verdachte] heeft geweigerd mee te werken aan onderzoeken omtrent zijn persoon. In het observatieverslag d.d. 8 januari 2015 van het Pieter Baan Centrum en in de brief d.d. 8 april 2014 van psychiater Kondakci over het voorgeleidingsconsult wordt naar voren gebracht dat [verdachte] in deze weigering een weloverwogen indruk maakt en dat hij zijn procespositie goed in het oog houdt. Volgens het Pieter Baan Centrum zijn er geen aanknopingspunten voor een ernstig psychiatrisch dan wel psychotisch ziektebeeld, en zijn er ook geen aanwijzingen voor problemen in zijn stemming en emotiehuishouding.

Nu door de weigerachtige houding van [verdachte] informatie omtrent zijn persoon in het dossier ontbreekt, kan de rechtbank hiermee in de bepaling van de strafmaat geen rekening houden.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten een gevangenisstraf voor de duur van negentien jaar noodzakelijk is. Bij de bepaling van de duur van die straf houdt de rechtbank rekening met het bovenstaande, waarbij zij in het bijzonder laat meewegen de planmatige aanpak en de kille uitvoering van de moord. De rechtbank ziet in het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht geen gronden om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

8 De benadeelde partijen

8.1

Benadeelde partij [echtgenote slachtoffer]

De benadeelde partij [echtgenote slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 30.932,62 voor feit 1.

De verdediging heeft de vordering betwist en heeft naar voren gebracht dat het huwelijksvermogensregime wordt aangetast door inschrijving van het echtscheidingsverzoek, hetgeen gevolgen heeft voor de toewijsbaarheid van de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat benadeelde partij [echtgenote slachtoffer] in de gelegenheid gesteld dient te worden om hierop te reageren. Zij was echter niet ter terechtzitting van 28 september 2015 aanwezig. Om haar in de gelegenheid te stellen alsnog op de stelling van de verdediging te reageren zou het noodzakelijk zijn om het onderzoek te heropenen en de zaak op een latere datum verder te behandelen. Gezien de aard van deze strafzaak zou dit een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.2

Benadeelde partij [dochter van medeverdachte 1]

De benadeelde partij [dochter van medeverdachte 1] vordert een schadevergoeding van € 1,- voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat [dochter van medeverdachte 1] op grond van artikel 51f, tweede lid, Sv juncto artikel 6:108, eerste en tweede lid, BW niet behoort tot de kring van voegingsgerechtigden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 2 geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Medeplegen van moord;

feit 2: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 19 (negentien) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [echtgenote slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [echtgenote slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [dochter van medeverdachte 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [dochter van medeverdachte 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. de Jager, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. R.A. Borm, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 oktober 2015.

Mr. N. van der Ploeg-Hogervorst is buiten staat om dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het dossier van de Regiopolitie Zeeland, nummer PL1900-20133067182, bekend onder de onderzoeksnaam ‘Teuven’.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75, vijfde alinea.

3 Pagina 85, derde regel in de tabel.

4 Pagina 117, gesprek op 25 september 2013, 08:18:23 uur naar een telefoonnummer op naam van [getuige 9] .

5 Verklaring van [getuige 9] , pagina 357, laatste alinea.

6 Pagina 117, gesprek op 25 september 2013, 08:22:03 uur naar een telefoonnummer op naam van [getuige 9] .

7 Verklaring van [getuige 9] , pagina 357, laatste alinea.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75, derde alinea.

9 Verklaring van [getuige 5] , pagina 384, tweede alinea, in het midden van de pagina.

10 Verklaring van [getuige 2] , pagina 393, laatste alinea.

11 Pagina 117, gesprek op 25 september 2013, 08:48:47 uur naar een telefoonnummer op naam van [getuige 9] .

12 Verklaring van [getuige 9] , pagina 358, zesde alinea.

13 Overzicht passerende voertuigen/kentekens op 25 september 2013 bij de camera ZL_N61_03_B (kruising Tivoli), pagina 101, de regel onder de geelgemaakte regel met gegevens van de Mercedes van [ voornaam 1] met kenteken [kenteken auto medeverdachte 1] .

14 Verklaring van [getuige 11] , pagina 317, tweede en derde alinea, en pagina 318, derde alinea.

15 Overzicht passerende voertuigen/kentekens op 25 september 2013 bij de camera ZL_N61_03_B (kruising Tivoli), pagina 101.

16 Verklaring van [getuige 24] , pagina 309, vierde alinea.

17 Overzicht passerende voertuigen/kentekens op 25 september 2013 bij de camera ZL_N61_02_A (rotonde Parkzicht), pagina 97.

18 Een door [getuige 25] ingevulde vragenlijst naar aanleiding van de dodelijke schietpartij IJzendijke, pagina 297, onder de vraag ‘heeft u rond dit tijdstip voertuigen op personen gezien op het zandbed van de nieuwe N61 ter hoogte van het tankstation Aers’.

19 Voor beide tijdstippen: overzicht historische belgegevens van [ voornaam 1] op 25 september 2013, pagina 118.

20 Overzicht passerende voertuigen/kentekens op 25 september 2013 bij de camera ZL_N61_03_B (kruising Tivoli), pagina 101.

21 Pagina 127, naast nummers 36, 37 en 38.

22 Verklaring van [getuige 7] , pagina 217, eerste alinea van zijn verklaring.

23 Verklaring van [getuige 5] , pagina 385, zesde alinea.

24 Verklaring van [getuige 2] , pagina 394, laatste alinea.

25 Foto’s van [ voornaam 1] op pagina’s 52 en 53 van de van de ordner ‘proces-verbaal forensisch onderzoek TGO Teuven, BVH 2013067182 (hierna: ordner FO)

26 Overzicht passerende voertuigen/kentekens op 25 september 2013 bij de camera ZL_N61_02_A (rotonde Parkzicht), pagina 97, de gemarkeerde regel.

27 Overzicht passerende voertuigen/kentekens op 25 september 2013 bij de camera ZL_N61_03_B (kruising Tivoli), pagina 101.

28 Verklaring van [getuige 6] , pagina 312, eerste, derde, vierde en laatste alinea, en pagina 313, derde en vierde alinea.

29 Foto van [ voornaam 1] op pagina 52 van de ordner FO.

30 Overzicht historische belgegevens van [ voornaam 1] op 25 september 2013, pagina 118.

31 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 79, met daarbij behorende foto’s op pagina 81 (foto 4) en pagina 82 (foto 5), in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen op pagina 135, vijfde alinea, over de tijdweergave op de camerabeelden

32 Overzicht passerende voertuigen/kentekens op 25 september 2013 bij de camera ZL_N61_02_A (rotonde Parkzicht), pagina 97.

33 Verklaring van [getuige 26] , pagina 315, tweede, derde en vierde alinea, en pagina 316, eerste tot en met derde alinea.

34 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 135, vierde alinea, en pagina 136.

35 Overzicht historische belgegevens van [ voornaam 1] op 25 september 2013, pagina 118.

36 Overzicht historische belgegevens van [verdachte] op 25 september 2013, pagina 117.

37 Overzicht passerende voertuigen/kentekens op 25 september 2013 bij de camera ZL_N61_02_B (rotonde Parkzicht), pagina 98.

38 Pagina 96.

39 Tijdlijn, pagina 127, punt 34.

40 Overzicht historische belgegevens van [verdachte] op 25 september 2013, pagina 117.

41 Verklaring van [getuige 9] , pagina 358, zesde en zevende alinea.

42 Pagina 1396, eerste alinea.

43 Verklaring van [getuige 10] , pagina 1567, zesde en zevende alinea.

44 Pagina 1396, eerste alinea.

45 Verklaring van [getuige 18] , pagina 570, achtste en negende alinea.

46 Verklaring van [getuige 19] , pagina 437, eerste alinea.

47 Verklaring van [getuige 20] , pagina 550, vijfde alinea.

48 Verklaring van [getuige 12] , pagina 614, de op één na laatste alinea.

49 Verklaring van [getuige 1] , pagina 376, laatste alinea.

50 Verklaring van [getuige 2] , pagina 400, twaalfde en dertiende alinea.

51 Verklaring van [getuige 17] , pagina 353, eerste alinea.

52 Verklaring van [getuige 2] , pagina 392, eerste alinea, onderaan de alinea.

53 Verklaring van [getuige 9] , pagina 358, zesde alinea.

54 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 september 2013, pagina 58, tweede, vierde en laatste alinea, en pagina 59, derde en vierde alinea.

55 Proces-verbaal van het bloedsporenonderzoek aan het lichaam en de kleding van het slachtoffer, pagina 70, onder ‘Samenvatting bevindingen’, van de ordner FO.

56 NFI-rapport ‘wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in IJzendijke op 25 september 2013’ d.d. 2 april 2014, pagina 306 van de ordner FO.

57 TMFI-rapport d.d. 25 november 2013 ‘deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek’, pagina 264 van de ordner FO.

58 TMFI-rapport d.d. 25 november 2013 ‘deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek’, pagina 264 van de ordner FO, in combinatie met het NFI-rapport d.d. 2 december 2013 ‘rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte’, pagina 295 tot en met 297 van de ordner FO.

59 NFI-rapport d.d. 17 februari 2014 ‘onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop in IJzendijke op 25 september 2013’, de tabellen op de pagina’s 290, 293 en 294 van de ordner FO.

60 De brief d.d. 9 april 2015 van Van der Scheer (afdeling Humane Biologische Sporen bij het NFI) met als onderwerp ‘Evaluatie bloedsporenbeeld TGO Teuven’ in het ‘Interdisciplinair rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop in IJzendijke op 25 september 2013’, pagina 3 van 7, onder ‘Scenario S1’ en ‘verwacht sporenbeeld onder scenario S1’.

61 De brief d.d. 9 april 2015 van Van der Scheer (afdeling Humane Biologische Sporen bij het NFI) met als onderwerp ‘Evaluatie bloedsporenbeeld TGO Teuven’ in het ‘Interdisciplinair rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop in IJzendijke op 25 september 2013’, pagina 4 van 7, laatste alinea.

62 De brief d.d. 9 april 2015 van Van der Scheer (afdeling Humane Biologische Sporen bij het NFI) met als onderwerp ‘Evaluatie bloedsporenbeeld TGO Teuven’ in het ‘Interdisciplinair rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop in IJzendijke op 25 september 2013’, voetnoot 1 van die brief, op pagina 2 van 7.

63 Het ‘Interdiscipliniair rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding avn een schietincident met dodelijke afloop in IJzendijke op 25 september 2013’, pagina 16 van 18, onder ‘interdiscipliniaire conclusie (epicrise)’ en pagina 17 van 18, onder ‘epicrise 1’.

64 Verklaring van [getuige 10] , pagina 1567, zesde tot en met tiende alinea.

65 Verklaring van [getuige 10] , pagina 1568, elfde tot en met dertiende alinea.

66 Pagina 1396, eerste alinea en pagina 1404 (weergave passagierslijst, zie onder nummer 075 [verdachte] ).

67 ‘Analyse (mogelijk) eer gerelateerd geweld’ opgesteld door het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld d.d. 5 november 2013, pagina 153-155.

68 Proces-verbaal van bevindingen, verhoor van [dochter van medeverdachte 1] , pagina 409, derde alinea,

69 ‘Analyse (mogelijk) eer gerelateerd geweld’ opgesteld door het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld d.d. 5 november 2013, pagina 198, eerste alinea.

70 Verklaring van [getuige 14] , pagina 487, derde alinea.

71 Dat met ‘ [bijnaam verdachte] ’ [verdachte] wordt bedoeld leidt de rechtbank af uit het tapgesprek van 18 november 2013 tussen [voornaam 2] en [verdachte] . In dat tapgesprek spreekt [voornaam 2] [verdachte] aan met ‘ [bijnaam verdachte] ’. Uit het eerste gedeelte van het gesprek wordt duidelijk dat [voornaam 2] met [verdachte] spreekt. ‘ [bijnaam verdachte] ’ zegt namelijk: “toen ik op het vliegveld aankwam hebben ze mij gelijk gepakt”; pagina 1136.

72 Tapgesprek van 3 februari 2014, pagina 1166, bovenaan de pagina.

73 Tapgesprek van 29 januari 2014, pagina 1113.

74 Tapgesprek van 5 november 2013, pagina 1021, de op één na laatste en de laatste alinea, en pagina 1022, eerste en derde alinea.

75 Verklaring van [getuige 17] , pagina 353, laatste alinea.

76 ‘Analyse inzake ‘Teuven’’ d.d. 2 juli 2014, opgesteld door dr. R.J.H.M. Ermers, pagina 19 van deze analyse, onder ‘6.2.3. Eerwraak’ en daaronder de omschrijving van ‘Eerwraak Type I’.

77 Verklaring van [getuige 8/bewaarder] d.d. 3 juli 2015 (ongenummerde pagina’s), blad 3, zesde alinea.

78 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 september 2013, pagina 58, vijfde alinea.

79 NFI-rapport d.d. 2 april 2014 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in IJzendijke op 25 september 2013’, pagina 301 van de ordner FO, onder 4.1 ‘Pistool’.

80 Proces-verbaal technisch onderzoek plaats delict N61 IJzendijke, pagina 25, de op één na laatste alinea, van de ordner FO.

81 NFI-rapport d.d. 2 april 2014 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in IJzendijke op 25 september 2013’, pagina 306 onder ‘kogels’.

82 NFI-rapport d.d. 2 april 2014 ‘Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in IJzendijke op 25 september 2013’, pagina 302, onder ‘kogels’.