Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6194

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
3394387
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:1603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

effectenlease - waiverzaak – wel belang, dus ontvankelijk – doorbreking verjaringsregeling massaschade - uitgestelde werking ex art. 73 Ow. van wetswijziging verjaringstermijn - vordering afgewezen.

Dexia heeft geen recht om voor gedaagde de rechtsgrond van diens vordering te formuleren en te bepalen waar gedaagde aanspraak op mag maken. Ook de rechter mag daartoe niet overgaan, gelet op het beginsel van de autonomie van procespartijen.

Dexia wil gedaagde zijn vordering ontnemen, hetgeen neerkomt op een doorbreking van de verjaringsregeling. Voor een doorbreking is in ieder geval geen aanleiding gedurende de eerste korte verjaringstermijn van vijf jaren. Na stuiting is de verjaringstermijn door wetswijziging verkort tot twee jaren. Ex art. 73 Ow. is de nieuwe verjaringstermijn tot 1 juli 2014 niet voltooid. Ook na de eerste stuiting is doorbreking van de verjaringsregeling niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 3394387/14-5390

vonnis van de kantonrechter d.d. 23 september 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

verder te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel, USG Legal Professionals te Amsterdam,

t e g e n :

[Voornamen] [gedaagde] ,

wonende te Middelburg,

gedaagde partij,

verder te noemen: gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces te Amsterdam.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 1 september 2014,

- conclusies van antwoord, repliek en dupliek.

de beoordeling van de zaak

1.1.

Gedaagde is op 5 januari 2001 een overeenkomsten van effectenlease, nr. 22083389, genaamd Overwaarde Effect Maandbetaling zonder Herbelegging (verder: het contract), aangegaan met Bank Labouchère, rechtsvoorganger van Dexia. Dit is een aflossingsproduct met een looptijd van twintig jaren. Belegd is in vier aandelenfondsen met een totale aankoopsom van € 102.223,68. Verhoogd met de rente over twintig jaren ad € 159.405,12 leverde dat een leasesom op van € 261.628,80 te betalen in 240 termijn van € 1.090,12 per maand. Gedaagde heeft 38 maandtermijnen voldaan. De laatste termijn was die van februari 2004.

1.2.

Het contract is tussentijds beëindigd. Volgens de eindafrekening van Dexia per 10 maart 2004 diende gedaagde nog € 45.014,95 aan Dexia te voldoen. Dat bedrag heeft gedaagde op 16 maart 2004 aan Dexia voldaan.

1.3.

Door een verklaring in de zin van art. 7:908 lid 2 BW is gedaagde niet gebonden aan de Duisenberg-regeling, nadat die op 25 januari 2007 algemeen verbindend was verklaard.

1.4.

Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia aan gedaagde een schadevergoeding ad € 42.149,80 aangeboden. Dexia heeft deze schadevergoeding met rente, totaal € 44.851,68, op 18 januari 2012 aan gedaagde uitgekeerd.

1.5.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft de gemachtigde van gedaagde aan Dexia meegedeeld, dat gedaagde zich alle vorderingen op Dexia voorbehoudt en heeft aldus de verjaring tijdig gestuit.

1.6.

Een voorstel van Dexia om het geschil te beëindigen door een aanvullende betaling aan gedaagde van € 79,59 heeft gedaagde via zijn gemachtigde per e-mail d.d. 8 januari 2014 afgewezen onder handhaving van zijn standpunt dat het contract had moeten worden ontraden onder meer vanwege de kwalijke rol van de tussenpersoon.

1.7.

Bij brief van 2 juni 2014 heeft Dexia zich rechtstreeks tot gedaagde gewend en verzocht mee te werken aan een definitieve beëindiging van het geschil. Leaseproces heeft mede namens gedaagde gereageerd bij aangetekende brief d.d. 20 juni 2014. Daarin is meegedeeld dat de cliënten van Leaseproces hun rechten wensen voor te behouden.

2.1.

Dexia heeft gevorderd voor recht te verklaren dat zij ten aanzien van het contract aan al haar verplichtingen heeft voldaan en daarom niets meer aan gedaagde verschuldigd is.

2.2.

Gedaagde heeft geconcludeerd dat de vordering moet worden afgewezen wegens onvoldoende belang in de zin van art. 3:303 BW, althans misbruik van recht in de zin van art. 3:13 BW en heeft subsidiair verzocht de beslissing aan te houden, of het geding te schorsen in afwachting van uitspraken van gerechtshoven en van de Hoge Raad.

belang

3.1.

Dexia wil met haar vordering een finale kwijting bereiken zonder de instemming van gedaagde, zodat zij het dossier van gedaagde kan sluiten. Men kan dus zeggen dat Dexia aan gedaagde zijn gepretendeerde vordering wil ontnemen. Dexia heeft bij dagvaarding aangevoerd:

Onder het Hofmodel vormen de verplichtingen van het contract voor gedaagde een aanvaardbare zware last, zodat gedaagde recht heeft op vergoeding van een deel van de restschuld. Gedaagde meent echter dat de rol van de tussenpersoon bij de totstandkoming van het contract moet leiden tot een hogere vergoeding. Maar Leaseproces onderbouwt dit in het geheel niet voor gedaagde. Daarom gaat Dexia niet in op dit standpunt van gedaagde. Leaseproces kan zich niet vinden in de thans geldende jurisprudentie en adviseert haar cliënten te wachten tot er mogelijk een verandering komt in de jurisprudentie die voor deze cliënten gunstiger zou zijn. Maar deze verandering zal er niet gaan komen.

Uiteraard heeft een partij het recht zijn vordering op een partij te stuiten en deze op een later moment kenbaar te maken. Hier staat tegenover dat de schuldenaar er belang bij heeft binnen een redelijke termijn omtrent deze vordering te vernemen en deze af te kunnen wikkelen. De enkele en valse hoop van gedaagde dat de jurisprudentie ooit nog in zijn voordeel zal veranderen is geen reden om partijen nog langer in onzekerheid te laten verkeren. Het belang van Dexia om het geschil te kunnen beëindigen dient in het kader van de rechtszekerheid dan ook zwaarder te wegen dan de onrealistische hoop van gedaagde op toekomstige ontwikkelingen in de jurisprudentie.

Recent is de verjaringstermijn van massaschade ex art. 7:907, lid 5, BW van vijf jaren teruggebracht naar twee jaren. Hiermee heeft de wetgever onderschreven dat het niet wenselijk is dat een afnemer die zich onttrokken heeft aan een verbindend verklaarde regeling tot in de lengte der dagen wacht alvorens nadere juridische stappen te ondernemen. In de Memorie van Toelichting is opgemerkt:

“[…] een termijn van twee jaar de gerechtigde die van zijn opt-out bevoegdheid gebruik heeft gemaakt ruim voldoende tijd biedt om verdere juridische stappen te ondernemen. Bedacht zij dat de gerechtigde op dat moment ook in staat is om juridische actie te ondernemen en het langdurig uitstellen daarvan onnodig nadelig is voor de wederpartij.

Bij conclusie van repliek heeft Dexia nog aangevoerd dat de vermeende schuldenaar vanzelfsprekend evenals de schuldeiser, en dus spiegelbeeldig, belang heeft om een rechterlijke beslissing over de vordering te verkrijgen. Voorts heeft Dexia opgemerkt dat ex art. 3:303 BW niet een meer concreet belang wordt gevergd dan dat zij duidelijkheid wenst over de juistheid van het standpunt van gedaagde dat hij een vordering op Dexia heeft.

3.2.

In die zin heeft Dexia inderdaad belang bij haar vordering. De rechter dient terughoudend te zijn met het afwijzen van een vordering tot verklaring van recht op de grond dat er niet voldoende belang bestaat (HR 17 september 1993, NJ 1994/118 (Severin/Detam). Het belang moet voldoende zijn om een procedure te rechtvaardigen. Hierbij gaat het niet alleen om een afweging van de belangen van de betrokken partijen tegen elkaar, maar ook om de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen (Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 915-916, mede n.a.v. HR 30 maart 1951, NJ 1952 no. 29).

3.3.

Het belang van Dexia om gedaagde in rechte te betrekken is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende, zodat Dexia ontvankelijk is in haar vordering. Bij afweging van het belang van gedaagde om zich ook 7½ jaar na het verbindend worden van de Duisenberg-regeling alle rechten voor te behouden en geen duidelijkheid te verschaffen aan Dexia, is het belang van Dexia om na 7½ jaar na die verbindend verklaring de boeken te kunnen sluiten van voldoende gewicht om Dexia ontvankelijk te achten in haar vordering bij de verklaring voor recht. Met de vaststelling van de rechtsverhouding van partijen is het belang van rechtszekerheid gediend, welk belang van zodanig gewicht is dat aan Dexia niet de bevoegdheid kan worden ontzegd haar belang ter weging aan de rechter voor te leggen. Wanneer gedaagde in dit geding volledige duidelijkheid zou hebben willen verschaffen over de grondslag van zijn vordering zou – binnen de grenzen van de gevorderde verklaring voor recht – een behoorlijke procedure daarover mogelijk zijn geweest.

3.4.

Gedaagde heeft gewezen op het belang van de rechtspleging in het algemeen – duizenden zaken die de rechtspraak zouden ontwrichten – maar daaraan kan worden tegemoetgekomen door beslissingen zo nodig via uitstel te faseren, zodat het ontzeggen van de vordering wegens gebrek aan belang niet nodig is in het belang van de rechtspraak in het algemeen. Het beroep ex art. 3:303 BW op gebrek aan belang faalt.

3.5.

Verworpen wordt dat Dexia de vordering slechts zou hebben ingesteld om gedaagde te schaden. Gedaagde heeft daar geen relevante feiten voor aangedragen. Uit hetgeen onder 3.3. is overwogen volgt dat Dexia bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het instellen van de vordering heeft kunnen komen. Ook het beroep op misbruik van recht ex art. 3:13 BW faalt.

recht

4.1.

Maar een belang schept nog geen recht. Gedaagde heeft het recht om zijn vordering al dan niet ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Daartegenover staat echter geen spiegelbeeldig recht van Dexia om de vordering van gedaagde ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Gedaagde heeft dat ook ontkend. Dexia vordert ex art. 3:302 BW een verklaring voor recht, hetgeen haar niet wegens gebrek aan belang mag worden ontzegd. Maar daaruit volgt niet dat Dexia voor gedaagde de rechtsgrond van diens vordering mag formuleren en de inhoud van de vordering mag bepalen, zoals de hoogte van een schadevergoeding, indien die door gedaagde zou worden gewenst. Gedaagde heeft geen bedrag genoemd.

Dexia gaat bij dagvaarding niet in op een argument van gedaagde betreffende de kwalijke rol van de tussenpersoon, en wel omdat Leaseproces dat argument in het geheel niet heeft onderbouwd. Maar Dexia is daar van de zijde van gedaagde bewust niet over geïnformeerd omdat gedaagde zich alle rechten wenst voor te behouden. Het laatste is Dexia herhaaldelijk meegedeeld. Ook het feit dat gedaagde inmiddels – 7½ jaren na het verbindend worden van de Duisenberg-regeling – ruim voldoende tijd heeft gehad om zijn standpunt te bepalen, geeft Dexia niet het recht om dan maar in plaats van gedaagde een rechtsgrond te formuleren voor zijn vordering, daarbij de rol van de tussenpersoon te passeren, en te bepalen waar gedaagde aanspraak op mag maken.

4.2.

Aan het voorgaande doet niet af dat gedaagde in dit geding diverse onderwerpen uitvoerig heeft besproken. Onder veel meer heeft gedaagde besproken de rol van de tussenpersoon Spaar Select en de onaanvaardbaar zware financiële last die het contract hem in zijn visie heeft opgelegd. Gedaagde heeft al die onderwerpen besproken om te adstrueren dat er ontwikkelingen zijn in de rechtspraak die hij wil afwachten. Ook al heeft gedaagde in het kader van zijn betoog concrete feiten gesteld, thans wenst hij zijn vordering niet ter beoordeling aan de rechter voor te leggen.

4.3.

Dexia wil aan gedaagde zijn vordering ontnemen via de rechter, maar de rechter heeft geen bevoegdheid om voor gedaagde de rechtsgrond(en) van diens vordering formuleren en te bepalen waar gedaagde aanspraak op mag maken. De rechter zou daarmee een grens overschrijden en het terrein betreden, waar een procespartij autonoom is en moet blijven. De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. (art. 24 Rv.) Met deze wetsbepaling is het beginsel van de autonomie van de procespartijen uitdrukkelijk in de wet neergelegd. In dit geding is er des te meer reden voor de werking van dit beginsel, omdat gedaagde zijn vordering nu juist niet ter beoordeling aan de rechter wenst voor te leggen. Weliswaar moet de rechter ambtshalve rechtsgronden aanvullen (art. 25 Rv.), maar niet tegen de uitdrukkelijke wens van een procespartij (HR 15 mei 1998, NJ 1998, 625).

4.4.

Gedaagde heeft zich meer subsidiair beroepen op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en gesteld dat zijn vordering zeker ook valt onder het eigendomsbegrip dat die verdragsbepaling beschermt. Dit verweer faalt omdat de verdragsbepaling geen horizontale werking heeft. Overigens beschermt het Nederlandse recht het vorderingsrecht van gedaagde voldoende via het in de wet neergelegde beginsel van de autonomie van de procespartijen, zoals hiervoor is overwogen. Opgemerkt zij wel dat gedaagde reden heeft om bescherming van zijn vorderingsrecht te zoeken, nu Dexia het vorderingsrecht van gedaagde wil laten beoordelen, terwijl gedaagde dat (nog) niet wenst.

4.5.

Gedaagde heeft opgemerkt dat zijn vorderingsrecht slechts wordt ingeperkt door de verjaringsregels. De regeling van de bevrijdende verjaring dient de rechtszekerheid, die Dexia in deze zaak voor zichzelf nastreeft. Niet weersproken is dat de verjaringsregeling voor massaschade in deze zaak van toepassing is, zodat daarvan wordt uitgegaan. Verjaring heeft rechtsgevolg ongeacht of gedaagde een grondslag voor zijn vordering formuleert. De gevor-derde verklaring voor recht heeft de strekking om gedaagde zijn vordering te ontnemen terwijl die niet is verjaard, en tracht daarmee de regeling van de verjaring te doorbreken (in deze zin ook: Rb. Overijssel 7 april 2015 r.o. 3.3. ECLI:NL: RBOVE:2015:1871). Voor een doorbre-king van een regeling van bevrijdende verjaring is juist vanwege het belang van de rechtszekerheid slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. Zie bijvoorbeeld de criteria in het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000 Van Hese/De Schelde (ECLI:NL:HR:2000: AA5635). Voor een doorbreking van de verjaringsregeling voor massaschade kan er in ieder geval geen aanleiding zijn zolang er de eerste korte verjaringstermijn van vijf jaren heeft gelopen, dus voordat stuiting aan de orde was. In dit geval echter is er eenmaal gestuit namens gedaagde. Dat staat hem in beginsel vrij.

4.6.

Dexia heeft erop gewezen dat de verjaringstermijn ex art. 7:907, lid 5, BW van vijf jaren is teruggebracht naar twee jaren. Dat is gebeurd bij de wet van 26 juni 2013 Stb 2013, no. 255, die uitgaat van onmiddellijke werking ex art. 68a van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (verder: Ow NBW) zonder bijzondere bepalingen van overgangsrecht. Gelet op art. 68 Ow NBW zijn de algemene overgangsbepalingen van Titel 3 Ow NBW van toepassing. Namens gedaagde is de verjaring gestuit bij brief van 25 januari 2012, waardoor toen een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren ging lopen. De verkorting van de verjaringstermijn is in werking getreden per 1 juli 2013. Ex art. 73 Ow NBW is die verkorting van de verjaringstermijn gedurende één jaar na het tijdstip van in werking treden niet van toepassing, dus tot 1 juli 2014. Tot 1 juli 2014 wordt de nieuwe verjaringstermijn geacht niet te zijn voltooid.

De verkorting van de wettelijke verjaringstermijn is weliswaar een indicatie in het kader van een doorbreking van de verjaringsregeling, maar daar waar gedaagde de verjaring éénmaal heeft gestuit, komt aan het belang van Dexia bij doorbreking geen doorslaggevende betekenis toe.

4.7.

Gelet op het voorgaande is een doorbreking van de regeling van de bevrijdende verjaring in deze zaak niet aan de orde. Dexia heeft geen beroep gedaan op verjaring. Weliswaar moet de rechter ambtshalve rechtsgronden aanvullen (art. 25 Rv.), maar de wet, art. 3:322 lid 1 BW, verbiedt de rechter het middel van verjaring ambtshalve toe te passen. De gevorderde verklaring voor recht moet op de aangevoerde grond worden afgewezen, omdat Dexia geen spiegelbeeldig recht toekomt om het vorderingsrecht van gedaagde ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Het is aan gedaagde om, indien hij dat wenst, een of meer (rechts)gronden voor zijn vorderingsrecht aan te dragen en om de inhoud van zijn vordering te bepalen, zoals de hoogte van een eventueel gewenste schadevergoeding. Dexia heeft daarop als wederpartij van gedaagde geen recht. Ook de rechter mag daartoe niet overgaan, gelet op het beginsel van de autonomie van procespartijen.

5. Omdat Dexia in het ongelijk wordt gesteld zal Dexia worden verwezen in de proceskosten.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding, welke aan de zijde van gedaagde tot op heden worden begroot op € 350,- ( 2 pt. à € 175,-) wegens salaris van de gemachtigde van gedaagde;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter open-bare terechtzitting van 23 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.