Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:6146

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
4137457-VV-15/67
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“kort geding, concurrentiebeding, relatiebeding, schorsing, artikel 7:653 lid 3 BW, artikel 7:653 lid 4 BW, overgangsrecht WWZ”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0893
AR 2015/1723
JAR 2015/201

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaaknummer: 4137457 VV EXPL 15-67

vonnis in kort geding d.d. 7 juli 2015

inzake

[eiseres] ,

wonend in [woonplaats 1] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.J. Keuss,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],

gevestigd in [woonplaats 2] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.A. Buur.

Partijen worden hierna (ook) genoemd: “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ”.

1 Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 4 juni 2015, met producties;

b. de (aantekeningen van de) mondelinge behandeling van 30 juni 2015 en de daarbij door de gemachtigden van beide partijen overgelegde pleitaantekeningen.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] , geboren op 27 december 1973, is op 3 februari 2003 bij [gedaagde] in dienst getreden en was laatstelijk op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als Business Manager op het kantoor in [woonplaats 1] tegen een loon van € 5.397,00 per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2.

In artikel 6 (concurrentiebeding) van de arbeidsovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Het is de werknemer, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever, verboden gedurende 12 maanden nadat deze overeenkomst om welke reden dan ook is beëindigd, binnen een straal van 50 km met als middelpunt de vestigingsplaats van [gedaagde] van waaruit de werknemer de werkzaamheden voor [gedaagde] verricht of heeft verricht, op enigerlei wijze een zaak, welke gelijk, gelijksoortig of aanverwant is aan het bedrijf van de werkgever en/of de aan haar ge/leerde ondernemingen, danwel dezelfde of een gedeelte van de activiteiten van het bedrijf van de werkgever en/of de aan haar gelieerde onderneming en ontplooit, te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, alsmede hetzij direct, hetzij indirect, dan wel financieel (in welke vorm dan ook) een belang bij een dergelijke zaak te hebben en/of daarin op enigerlei wijze werkzaam te zijn en/of daarvoor werkzaamheden te verrichten, die gelijk zijn aan de werkzaamheden die de werknemer heeft verricht bij de werkgever (…) Bij overtreding van dit verbod verbeurt de werknemer ten gunste van de werkgever een direct opeisbare boete van € 5.000,= (zegge: vijfduizend euro) per overtreding, alsmede € 500,= voor iedere dag dat de overtreding voortduurt (…)”.

2.3.

In artikel 7 (relatiebeding) van de arbeidsovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Het is de werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever verboden om, nadat het dienstverband om welke reden dan ook is beëindigd, gedurende 24 maanden, in welke hoedanigheid dan ook, hetzij direct, hetzij indirect, al dan niet voor eigen rekening opdrachten te aanvaarden van c.q. werkzaamheden te verrichten voor ondernemingen en relaties die ten tijde van de beëindiging van het dienstverband tot de directe relaties en afnemers van werkgever of diens rechtsopvolger en/of daaraan gelieerde ondernemingen konden worden gerekend. Het klantenbestand van de werkgever ten tijde van de beëindiging van het dienstverband zal, behoudens tegenbewijs door de werknemer, als bewijs gelden van de klanten/relaties van de werkgever (…) Bij overtreding van dit verbod verbeurt de werknemer ten gunste van de werkgever een direct opeisbare boete van € 5.000,= (zegge: vijfduizend euro) per overtreding, alsmede € 500,= voor iedere dag dat de overtreding voortduurt (…)”.

2.4.

Bij beschikking van 26 maart 2015 heeft de kantonrechter te Eindhoven de arbeidsovereenkomst per 15 april 2015 ontbonden onder toekenning aan [eiseres] ten laste van [gedaagde] van een vergoeding van € 95.000,- bruto.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert:

1. primair het tussen partijen bestaande concurrentie- en relatiebeding geheel dan wel gedeeltelijk te schorsen, althans in duur en geografische reikwijdte te matigen totdat in een bodemprocedure is beslist;

2. subsidiair [gedaagde] te verbieden de contractuele boete zoals opgenomen in artikel 6 en 7 van de arbeidsovereenkomst op te eisen totdat in een bodemprocedure evenwel anders zal zijn beslist;

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure, daarin begrepen het salaris van haar gemachtigde;

een en ander bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad.

Zij legt hieraan, kort weergegeven, ten grondslag dat zij [gedaagde] , na ontbinding van de arbeidsovereenkomst, heeft verzocht haar niet langer te houden aan het concurrentie- en

relatiebeding. [gedaagde] weigert dit. De kantonrechter in de ontbindingsprocedure heeft geoordeeld dat haar (door [gedaagde] gestelde) disfunctioneren niet is komen vast te staan. Omdat de grond van de ontbinding en de gevolgen daarvan volledig aan [gedaagde] waren te wijten, is een beëindigingsvergoeding met een correctiefactor van 1,5 toegekend. Hierdoor is thans analoge toepassing van artikel 7:653 lid 4 BW in samenhang met artikel 7:677 lid 3 BW gerechtvaardigd. Dit heeft tot gevolg dat het concurrentie- en relatiebeding hun gelding hebben verloren. Daarnaast maken het concurrentie- en relatiebeding het haar onmogelijk om binnen de werving- en selectiesector, waarin zij bij [gedaagde] werkzaam was, werkzaamheden te (blijven) verrichten. Dit, terwijl zij doordat zij weinig opleiding heeft genoten en alleen werkervaring heeft in de werving- en selectiebranche, beperkt is tot deze sector. Door het relatiebeding, dat geen geografische beperking kent, kan zij voorts gedurende twee jaar geen commerciële functie, waarbij zij contact heeft met klanten in de werving- en selectiebranche, vervullen. [gedaagde] bedient immers bedrijven door heel Nederland, in 15 verschillende specialisaties. Bovendien is er in de arbeidsovereenkomst een geheimhoudingsbeding is opgenomen, waardoor het belang van [gedaagde] reeds voldoende wordt beschermd. Bij andere (ex)collega’s is [gedaagde] wel bereid geweest het concurrentie- en relatiebeding te schorsen of te matigen; het is dan ook onbegrijpelijk dat [gedaagde] hier nu niet toe bereid is. Omdat zij, in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde] , daardoor onbillijk wordt benadeeld heeft zij, mede doordat zij ernstig in haar vrije arbeidskeuze wordt beperkt, een spoedeisend belang bij (gedeeltelijke) schorsing van het, althans in duur te beperken, concurrentie- en relatiebeding. Daarnaast spelen persoonlijke omstandigheden een rol.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op haar stellingen zal hierna worden ingegaan, voor zover voor de beoordeling van belang.

4 De beoordeling

4.1.

Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als hoogstwaarschijnlijk is dat eenzelfde vordering in een gewone procedure zou worden toegewezen en de eiser er een spoedeisend belang bij heeft dat op zo’n vonnis vooruitgelopen wordt.

4.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen het door [eiseres] gestelde aanwezige spoedeisend belang. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk gemaakt door [eiseres] dat zij door het concurrentie- en relatiebeding ernstig wordt belemmerd in haar mogelijkheden om elders te gaan werken. Zo heeft zij verklaard dat eventuele potentiële werkgevers onderhandelingen of gesprekken aanhouden, afbreken of niet aangaan, zolang [eiseres] aan het beding is gehouden en er geen rechterlijke uitspraak op dit punt is gedaan.

Daarmee is het spoedeisend belang van [eiseres] gegeven.

4.3.

Ter zitting is door [gedaagde] verklaard dat zij [eiseres] niet zal houden aan het bepaalde in het overeengekomen concurrentiebeding (artikel 6 van de arbeidsovereenkomst). Wel houdt zij onverkort vast aan het overeengekomen relatiebeding (artikel 7 van de arbeidsovereenkomst).

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat het relatiebeding in het onderhavige geval, gelet op de tekst van het beding en mede gelet op hetgeen daarover ter zitting door [gedaagde] is verklaard een beding is dat de werknemer (in casu [eiseres] ) in haar recht beperkt om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn. Daarmee valt het relatiebeding naar het oordeel van de kantonrechter onder de strekking van het bepaalde in artikel 7:653 BW.

4.5.

Ter zitting is ter sprake gekomen dat (enkele) bepalingen van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) op 1 juli 2015 in werking zijn getreden. De kantonrechter ziet zich, gelet op het debat tussen partijen, gesteld voor de vraag of toepassing van het tot 1 juli 2015 geldende artikel 7:653 lid 3 BW, danwel het vanaf 1 juli 2015 geldende artikel 7:653 lid 4 BW, van toepassing is. Vast staat dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de WWZ en voor de wijziging van gemeld artikel als bedoeld. Bovendien is de arbeidsovereenkomst ook geëindigd voor de datum van de wijziging van bedoeld artikel, te weten op 15 april 2015.

4.6.

Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 30) blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat de overgangswet op dit punt oorspronkelijk in artikel XXIIc luidde: "Artikel 653 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, van deze wet blijft van toepassing op arbeidsovereenkomsten die tot stand zijn gekomen voor dat tijdstip".

Daarna is de betreffende bepaling in het overgangsrecht (blijkens nota van wijziging Verzamelwet SZW 2015, kamerstukken II, 2013/14, 33988, 6, p. 33) gewijzigd en is komen te luiden: "Op arbeidsovereenkomsten die tot stand zijn gekomen voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, onder 1 en 2, blijft artikel 653, leden 1 en 2, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde op de dag voor dat tijdstip van toepassing en is artikel 653, lid 3, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat komt te luiden na dat tijdstip niet van toepassing".

4.7.

Uit voorgaande wijziging leidt de kantonrechter af dat de definitieve tekst van de overgangsbepaling niet langer ziet op het bepaalde in artikel 7:653 lid 4 BW (zoals dat luidt na 1 juli 2015, dus ter vervanging van het artikel 7:653 lid 3 BW zoals dat gold tot 1 juli 2015).

4.8.

Anders dan ter zitting is betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat daarmee niet tot uitdrukking is gebracht dat er geen eerbiedigende werking zou gelden ten aanzien van het bepaalde in artikel 7:653 lid 3 BW zoals dat gold tot 1 juli 2015, ingeval een arbeidsovereenkomst voor de inwerkingtreding van de wetswijziging is aangegaan.

Uit de parlementaire geschiedenis valt op te maken (toelichting nota van wijziging, kamerstukken II, 2013/14, 33988, 6, p. 59-60) dat het niet de bedoeling van de wetgever is "dat het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel XXIIc ziet op die wijziging die verband houdt met het vervallen van de term 'schadeplichtig'. Dat is ook niet wenselijk, omdat dat er toe zou leiden dat in zaken waarin het nieuwe ontslagrecht van toepassing is, de oude terminologie nog toegepast zou moeten worden.

4.9.

Met het vorenstaande heeft de wetgever, naar het oordeel van de kantonrechter tot uitdrukking gebracht dat het aanpassen van de terminologie 'schadeplichtig' (7:653 lid 3 BW) wijzigde in 'ernstig verwijtbaar handelen' voor die gevallen waarin het nieuwe ontslag van toepassing werd. De kantonrechter is dan ook niet gebleken dat de wetgever heeft bedoeld om gevallen waarop het oude ontslag van toepassing is/was, de nieuwe terminologie en daarmee het criterium 'ernstig verwijtbaar handelen' toe te passen.

Dit klemt naar het oordeel van de kantonrechter temeer nu niet alleen de overeenkomst ruim voor de inwerkingtreding van de WWZ is aangegaan, maar bovendien de beëindiging van de overeenkomst voor 1 juli 2015 heeft plaatsgevonden.

De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling dan ook uitgaan van het bepaalde in artikel 7:653 lid 3 zoals dat tot 1 juli 2015 gold.

4.10.

Anders dan [gedaagde] heeft betoogd is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast komen te staan dat [gedaagde] schadeplichtig is geworden terzake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bij beschikking van de kantonrechter te Eindhoven is een vergoeding toegekend met als c-factor 1,5. Gelet op de inhoud van de beschikking en de verwijten die aan [gedaagde] zijn gemaakt en het gevolg dat de kantonrechter daaraan heeft verbonden door een hogere dan de neutrale kantonrechtersformule (c=1) toe te passen, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gebleken dat [gedaagde] door de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd schadeplichtig is geworden jegens [eiseres] . Onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de kantonrechter te Hoorn (14 oktober 2002, JAR 2002/263) neemt de kantonrechter het verval van het relatiebeding aan naar analogie van het bepaalde in artikel 7:653 lid 3 BW.

4.11.

Het vorenstaande leidt tot toewijzing van de primaire vordering van [eiseres] , zodat de werking van het concurrentiebeding voor zoveel nodig, alsmede het relatiebeding volledig zal worden geschorst. De overige vorderingen [eiseres] kunnen daarmee onbesproken blijven.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding, te weten € 78,00 aan griffierecht, € 97,39 aan explootkosten en € 400,00 aan gemachtigdensalaris, ofwel totaal een bedrag van € 575,39.

5 De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

schorst het tussen partijen bestaande concurrentiebeding, voor zoveel nodig, en relatiebeding volledig, totdat in een bodemprocedure is beslist;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op een bedrag van € 575,39, daarin begrepen een bedrag van € 400,- als salaris voor de gemachtigde van [eiseres] ;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.